Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM4549

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
18-05-2010
Zaaknummer
24-001355-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens mishandeling van ex-partner en beschadiging van diens auto tot een geldboete van € 500,-, waarvan € 250,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Bij straftoemeting onder meer gelet op het feit dat verdachte geen eerdere veroordelingen op haar naam heeft staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001355-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-013013-09

Arrest van 17 mei 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1976] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en een beslissing genomen op de vordering van de benadeelde partij en een maatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een geldboete van € 500,-, subsidiair tien dagen vervangende hechtenis, waarvan € 250,-, subsidiair vijf dagen vervangende hechtenis, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Voort heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen voor zover het gaat om de immateriële schade van € 100,- en de schade aan het autoportier, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in het overige deel van zijn vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

1.

zij op of omstreeks 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]) één of meermalen heeft geschopt/getrapt en/of geslagen/gestompt, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

zij op of omstreeks 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

Overweging omtrent het bewijs van het onder 2 ten laste gelegde

Verdachte ontkent hetgeen haar onder 2 ten laste is gelegd. De deuk in het rechtervoorportier van de auto van aangever, zoals deze zichtbaar is op de zich in het dossier bevindende foto's, zou reeds aanwezig zijn geweest bij de aankoop van de betreffende Renault Clio, bij welke aankoop zij - naar haar zeggen - destijds aanwezig was. Verdachte heeft verklaard de auto van aangever slechts te hebben aangeraakt bij de kruk van het bestuurdersportier. Daarnaast heeft verdachte bij de politie verklaard met de vuist tegen de ruit van het rechtervoorportier te hebben geslagen.

Op grond van de aangifte van [benadeelde] alsmede de verklaring van de getuige [getuige] acht het hof echter wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte is geweest die de schade aan het rechtervoorportier heeft veroorzaakt. Het hof heeft bij dit oordeel tevens gelet op de eigen verklaring van verdachte, waaruit blijkt dat zij op dat moment in woede verkeerde en kennelijk vanuit de daarbij behorende emoties heeft gehandeld. Het bestaan van deze gemoedstoestand wordt voorts ondersteund door hetgeen onder 1 bewezen is verklaard, welk feit door verdachte is erkend. Voorts blijkt uit de verklaring die verdachte ten overstaan van verbalisanten heeft afgelegd, dat zij degene die zich als passagiere naast aangever in de auto bevond - derhalve ter rechterzijde - wilde spreken. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde enkel ziet op de beschadiging van het autoportier en - derhalve - niet op de schade die is ontstaan als gevolg van de kop-staartbotsing tussen de door verdachte en aangever bestuurde personenauto's.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1.

zij op 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]) meermalen heeft geschopt/getrapt en geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

zij op 22 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en wederrechtelijk een auto, toebehorende aan [benadeelde], heeft beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

mishandeling;

2.

opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat aan een ander toebehoort beschadigen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft haar vriend, dan wel haar ex-vriend, die zij toevalligerwijze trof met een vrouw in zijn auto, zodanig bejegend dat dit is ontaard in een tweetal strafbare feiten. Zoals uit de bewezenverklaring blijkt, heeft verdachte aangever mishandeld en voorts schade toegebracht aan zijn auto. Verdachte heeft daarmee de lichamelijke integriteit van aangever geschonden en geen respect getoond voor zijn eigendom. Uit de verklaringen van verdachte, zowel afgelegd ten overstaan van verbalisanten als ter terechtzitting van de politierechter en het hof, valt af te leiden dat zij de gebeurtenissen weliswaar betreurt, maar haar gedragingen tevens bagatelliseert en tot op zekere hoogte de mening is toegedaan dat aangever deze over zichzelf heeft afgeroepen. Het hof is evenwel van oordeel dat verdachte, wat er ook zij van de kennelijk geëscaleerde emoties, zich dient te onthouden van dergelijke gedragingen. Zoals blijkt uit de toelichting op zijn vordering als benadeelde partij heeft het optreden van verdachte sporen nagelaten bij aangever.

Het hof heeft voorts gelet op het de verdachte betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 21 april 2010, waaruit blijkt dat zij - behoudens een getransigeerde verkeersovertreding - niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest.

In navolging van hetgeen in eerste aanleg door de politierechter is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd, is het hof van oordeel dat volstaan kan worden met oplegging van een geldboete van na te melden hoogte en modaliteit. Het voorwaardelijk deel daarvan beoogt verdachte ervan te weerhouden opnieuw over te gaan tot - strafbare - contacten met aangever.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering ad € 1.351,88 in eerste aanleg geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Het hof stelt vast dat voormeld bedrag bestaat uit gestelde materiële schade ten bedrage van

€ 1.251,88 en immateriële schade ten bedrage van € 100,-. Laatstgenoemd bedrag heeft betrekking op schade, die een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde en is van de zijde van verdachte niet weersproken. Het hof zal dit bedrag van € 100,- dan ook toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

Verdachte heeft het deel van de vordering dat betrekking heeft op materiële schade weersproken. Het hof acht dit deel ook overigens niet van zo eenvoudige aard dat dit zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Uit het dossier blijkt in onvoldoende mate door wiens rijgedrag de botsschade aan de auto van aangever is ontstaan. Bovendien is onduidelijk of deze schade door de verzekeringsmaatschappij van aangever is of zal worden vergoed. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in zoverre niet ontvankelijk is in zijn vordering en dit deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de deels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in het kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Het hof zal het toe te wijzen bedrag van € 100,- tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 36f, 57, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

beveelt, dat van de geldboete een gedeelte van tweehonderdvijftig euro, subsidiair vijf dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van honderd euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderd euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twee dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. J. Hielkema, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. J.P. van Stempvoort, in tegenwoordigheid van J.B. Schwerzel als griffier, zijnde mr. Van Stempvoort voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.