Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM4044

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
07-05-2010
Datum publicatie
11-05-2010
Zaaknummer
24-000693-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van diefstal door middel van braak en inklimming en diefstal van een fiets veroordeeld tot een werkstraf van 60 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000693-09

Parketnummers eerste aanleg: 07-461121-08 en 07-400039-09

Arrest van 7 mei 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 februari 2009 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-461121-08 en 07-400039-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1965] te [geboorteplaats],

postadres: [postadres],

verblijvende te [verblijfadres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.S. ten Doesschate, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het in de zaken A en B ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis, alsmede een voorwaardelijke gevangenis-straf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich moet laten behandelen bij het IMC voor een periode van maximaal 2 jaren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zaak A:

hij op of omstreeks 08 juni 2008 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand aan de [straat] heeft weggenomen een koekblik en/of geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de [bedrijf]en/of [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

zaak B:

hij op of omstreeks 26 januari 2009 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaken A en B ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

zaak A:

hij op 08 juni 2008 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een bedrijfspand aan de [straat] heeft weggenomen een koekblik en geld, toebehorende aan de [bedrijf], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

zaak B:

hij op 26 januari 2009 in de gemeente [gemeente] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een fiets, toebehorende aan [benadeelde].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in de zaken A en B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

zaak A:

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

zaak B:

diefstal.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in juni 2008 schuldig gemaakt aan diefstal door middel van braak en inklimming en heeft zich in januari 2009 schuldig gemaakt aan diefstal van een fiets. Verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de respectievelijke eigenaars en heeft hen financieel nadeel berokkend.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 4 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte reeds vele malen is veroordeeld ter zake van (onder meer) vermogensdelicten.

Het hof houdt eveneens rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals daarvan uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken. Er is bij verdachte sprake van jarenlange verslavingsproblematiek, hetgeen als oorzaak kan worden aangemerkt van de vele vermogensdelicten die verdachte door de jaren heen heeft gepleegd. In december 2009 heeft verdachte zich echter vrijwillig laten opnemen in het IMC te Warnsveld, alwaar hij thans - inmiddels in het kader van een schorsing van de voorlopige hechtenis in een andere strafzaak - nog steeds verblijft. Uit de rapporten van Tactus Verslavingszorg en de door de raadsvrouw ter zitting overgelegde e-mail van verdachtes zorgcoördinator A. van der Wal blijkt dat verdachte meer dan ooit gemotiveerd is om zijn leven een andere richting te geven en in dat kader optimaal gebruik maakt van de hem aangeboden hulpverlening.

De ernst van de feiten in samenhang bezien met verdachtes justitiële documentatie rechtvaardigen in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet echter op de positieve wending die verdachte thans aan zijn leven lijkt te hebben gegeven, zal het hof volstaan met oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur. De voorwaardelijke straf dient tevens als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals schuldig zal maken aan (soortgelijke) strafbare feiten. Voorts zal het hof aan het voorwaardelijk deel van de straf de voorwaarde verbinden dat verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als dit inhoudt dat verdachte zich zal laten opnemen in het IMC of een soortgelijke instelling voor een periode van maximaal de proeftijd.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde] zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat zijn vordering in eerste aanleg deels is toegewezen en deels niet-ontvankelijk is verklaard. De benadeelde partij heeft zich binnen de grenzen van zijn eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het in zaak B bewezen verklaarde feit schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft een bedrag van € 949,- aan materiële schadevergoeding gevorderd, zijnde de nieuwwaarde van de gestolen fiets. De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij een fiets-verzekering had afgesloten. Het hof is evenwel van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 450,-, zijnde de geschatte waarde van de gestolen fiets per februari 2009, nu uit het dossier niet blijkt dat de schade daad-werkelijk is vergoed. Daarbij merkt het hof op dat het een feit van algemene bekendheid is dat de geleden schade over het algemeen niet wordt vergoed als een fiets die op straat wordt gestolen ten tijde van de diefstal niet op slot stond, hetgeen in de onderhavige zaak blijkens de aangifte het geval was. De vordering wordt voor het overige af-gewezen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het in zaak B bewezen verklaarde feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof het toegewezen bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 57, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in de zaken A en B ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A en in zaak B meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van twee maanden;

beveelt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, of de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

stelt als bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich zal stellen onder toezicht van de Stichting Reclassering Nederland en zich zal gedragen naar de aanwijzingen van die instelling, ook als dit inhoudt dat verdachte zich zal moeten laten opnemen in het IMC of een soortgelijke instelling voor een periode van maximaal 2 jaren;

draagt genoemde instelling op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen;

veroordeelt verdachte tevens tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van zestig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van dertig dagen zal worden toegepast;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de voormelde werkstraf geheel in mindering wordt gebracht, berekend naar de maatstaf van twee uren werkstraf per dag;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vierhonderdvijftig euro;

wijst af het door de benadeelde partij meer of anders gevorderde;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vierhonderd-vijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negen dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Heins, voorzitter, mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg en mr. P.W.M. Huisman, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. P.W.M. Huisman buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.