Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM3617

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
20-04-2010
Datum publicatie
07-05-2010
Zaaknummer
200.039.615
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof ontzet moeder uit het gezag. Acht weken oud zusje aan brandwond, ernstig hersenletsel, netvliesontsteking en diverse breuken overleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 20 april 2010

Zaaknummer 200.039.615

HET GERECHTSHOF ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. D.G. Nagel, kantoorhoudende te Almere,

tegen

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de raad,

Belanghebbenden:

1. [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. William Schrikker Jeugdbescherming,

gevestigd te [vestigingsplaats],

hierna te noemen: WSJ,

3. [de pleegouders],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 17 april 2009 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad, overeenkomstig het verzoek van de raad, de moeder van het ouderlijk gezag over de minderjarige [kind] (hierna: [kind]), geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], ontzet.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 13 juli 2009, heeft de moeder verzocht de beschikking van 17 april 2009 te vernietigen en opnieuw beslissende het verzoek van de raad tot ontzetting van de moeder van het ouderlijk gezag over [kind] af te wijzen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 16 september 2009, heeft de raad het verzoek bestreden en verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van

17 december 2009 met bijlagen van mr. Nagel.

Ter zitting van 18 maart 2010 is de zaak behandeld. Verschenen is de moeder, bijgestaan door haar advocaat. Namens de raad was de heer W. [kelderhuis] aanwezig. Namens de WSJ zijn mevrouw H.L. van der [Laan] en de heer M.C.C.J. van der [Gullik] verschenen. De vader en de pleegouders zijn niet verschenen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Uit de affectieve relatie tussen de vader en de moeder is [kind] geboren. De vader heeft [kind] erkend. De moeder is alleen belast met het gezag over haar.

2. Bij beschikking van 18 juli 2006 is [kind] voor de duur van een jaar onder toezicht gesteld. Deze ondertoezichtstelling is steeds bij beschikking verlengd met één jaar.

3. Bij beschikking van 17 juli 2007 is de gezinsvoogdijinstelling gemachtigd [kind] voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. [kind] verblijft sinds 14 december 2007 bij de pleegouders.

4. Naar aanleiding van het verzoek daartoe van de raad heeft de rechtbank in de bestreden beschikking beslist zoals hiervoor onder 'Het geding in eerste aanleg' is omschreven. De moeder heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

De overwegingen

5. Uit de stukken in het dossier volgt dat het toen acht weken oude zusje van [kind], [zusje], in augustus 2008 met ernstige verwondingen in het ziekenhuis is opgenomen. Bij haar werden een brandwond, wurgplekken, ernstig hersenletsel, netvliesbeschadiging en diverse breuken vastgesteld. Het meisje is aan deze verwondingen overleden.

6. De moeder betwist dat het overlijden het gevolg is geweest van verwaarlozing. Zij wijst erop dat zij meermalen met [zusje] bij het consultatiebureau is geweest en dat de verpleegkundigen daar geen enkele aanwijzing van verwaarlozing hebben geconstateerd. De moeder erkent dat [zusje] op enig moment ziek is geworden en aan de gevolgen daarvan is overleden, maar ontkent te hebben nagelaten daarvoor medische zorg te vragen. Zij wijst erop dat de strafrechtelijke procedure nog niet is afgerond en dat derhalve allerminst vaststaat wat haar rol bij de dood van [zusje] is geweest. Voorts is zij van mening dat de gebeurtenissen rond het [zusje] losstaan van de omstandigheden van [kind]. Deze gebeurtenissen kunnen volgens de moeder niet bepalend zijn bij de beoordeling van het verzoek tot ontzetting van het gezag over [kind].

7. Het hof is echter met de raad van oordeel dat de gebeurtenissen rond [zusje] wel van belang zijn bij de beoordeling van het verzoek tot ontzetting van de moeder van het gezag over [kind]. Hoewel, zoals de moeder terecht stelt, de ontzetting van het gezag over het ene kind niet per definitie voor alle kinderen van die ouder hoeft te gelden, kunnen de gedragingen van een ouder jegens een kind wel inzicht geven in de opvoedingsvaardigheden van die ouder in het algemeen. Bovendien kunnen de gedragingen jegens het ene kind zo verwijtbaar zijn, dat dit aanleiding is om de ouder (ook) te ontzetten van het gezag over het andere kind.

8. Nu de strafrechtelijke procedure naar aanleiding van het overlijden van [zusje] nog niet heeft plaatsgevonden, is nog geen duidelijkheid verkregen omtrent de vraag of de moeder al dan niet strafrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld jegens [zusje]. De verwijtbaarheid die ten grondslag ligt aan een ontzetting van het gezag ziet echter niet alleen op strafrechtelijk verwijtbaar handelen. De acht weken oude [zusje] is met een groot aantal zeer ernstige verwondingen in het ziekenhuis opgenomen. De verwondingen zijn na medisch onderzoek onweersprekelijk komen vast te staan. De moeder ontkent dit letsel zelf aan [zusje] te hebben toegebracht. Het hof is echter met de raad van oordeel dat de moeder, als centraal verantwoordelijke ouder, de veiligheid van [zusje] had moeten garanderen. Nu de moeder echter niet heeft voorkomen dat aan [zusje] dusdanig ernstige verwondingen zijn toegebracht dat zij daaraan is overleden en haar aldus onvoldoende veiligheid heeft geboden, is het hof van oordeel dat de moeder, ook indien zij niet zelf het letsel heeft veroorzaakt, zich als ouder zeer verwijtbaar heeft gedragen jegens [zusje].

9. Het hof is met de raad van oordeel dat dit gedrag van de moeder jegens [zusje] zozeer verwijtbaar is, dat ook geen plaats meer is voor gezag over [kind]. Bovendien blijkt uit het feit dat de moeder [zusje] niet de zorg heeft kunnen bieden die zij nodig had, dat de opvoedingsvaardigheden van de moeder ernstig tekort schieten. De moeder stelt dat zij in de toekomst in staat is om zelf de opvoedingsverantwoordelijkheid voor [kind] weer op zich te nemen. Het hof acht de moeder - gelet op hetgeen rond [zusje] heeft plaatsgevonden - niet in staat om [kind] bij thuisplaatsing de veiligheid te garanderen die nodig is voor een goede ontwikkeling van [kind]. Dat tijdens de uithuisplaatsing van [kind] aanvankelijk werd toegewerkt naar haar thuisplaatsing, zoals de moeder stelt, hetgeen overigens door de WSJ wordt weersproken, maakt dat niet anders.

10. Gelet op het voorgaande is het hof met de rechtbank van oordeel dat het - vanwege de grove verwaarlozing van de verzorging van [zusje] - in het belang van [kind] noodzakelijk is dat de moeder van het gezag over haar wordt ontzet.

Slotsom

11. Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden bekrachtigd.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep.

Aldus gegeven door mrs. Beversluis, voorzitter, Van Veen en Kuiken, raden, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 april 2010 in bijzijn van de griffier.