Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM3373

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
24-002864-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van deelname aan openlijk geweld. Geen significant aandeel van verdachte in dat geweld. Belastende getuigenverklaring (anderhalf jaar na delict) onvoldoende betrouwbaar omdat eerdere bij politie afgelegde verklaringen gedetailleerd zijn, maar geen belastende elementen bevatten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002864-07 P

Parketnummer eerste aanleg: 07-410217-05

Arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 16 november 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

niet ter terechtzitting verschenen. Wel verschenen is de raadsman van verdachte

mr. R.P. Adema, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

De raadsman van verdachte heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd verdachte ter terechtzitting te verdedigen.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een werkstraf van 50 uren subsidiair 25 dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2005 te [plaats], gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen[slachtoffer 1] (geboren [1966]) en/of [slachtoffer 2] (geboren [1968]), welk geweld bestond uit het (als groep) opzettelijk hinderlijk en/of dreigend achtervolgen en/of achternalopen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of opzettelijk gewelddadig en/of dreigend opdringen aan en/of omcirkelen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) meermalen, althans éénmaal, slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen tegen/op het hoofd en/of het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of meermalen, althans éénmaal, slaan en/of stompen en/of schoppen en/of trappen naar en/of in de richting van het hoofd en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of omver gooien en/of duwen van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2].

Vrijspraak

Verdachte heeft steeds ontkend aanwezig te zijn geweest bij de vechtpartij aan de [straat] waarbij geweld is gepleegd tegen aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].

Uit de stukken van het opsporingsdossier blijkt dat verschillende personen hebben verklaard dat verdachte wel bij de groep was die geweld heeft gepleegd tegen aangevers.

Als verdachte wel deel uit maakte van die groep dan is voor een bewezenverklaring vereist dat bewezen is dat verdachte een significant aandeel heeft gehad in het ten laste gelegde geweld jegens aangevers.

De enigen die concreet over een aandeel van verdachte in het geweld hebben verklaard zijn [getuige 1] en [getuige 2].

[getuige 1] heeft op 17 oktober 2006 bij de rechter-commissaris, zakelijk weergegeven, onder meer, het volgende verklaard:

[verdachte] en zijn broer [medeverdachte] waren ook op de [straat]. [slachtoffer 2] en zijn vader liepen op de [straat]. (...) [slachtoffer 1] zei toen iets als: je moet even wachten, we komen zo terug. Daarop reageerden [verdachte] en [medeverdachte] met iets in de trant van: Daar wachten we niet op, dan pakken we ze nu wel. Toen sprongen ze er bovenop.

Anderhalf jaar eerder, op 12 en 23 maart 2005 heeft [getuige 1] bij de politie echter niets verklaard over uitlatingen of gevechtsactiviteiten van verdachte en zich beperkt tot de mededeling dat verdachte aanwezig was. In de verklaringen van [getuige 1] aan politie en rechter-commissaris is geen bijzondere grond te vinden voor het oordeel dat de bij de politie afgelegde verklaringen geloof verdienen boven de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring of omgekeerd.

Andere verklaringen (van getuigen of medeverdachten) over concrete gevechtsactiviteit van verdachte zijn er niet. Dat maakt dat het hof niet met voldoende mate van zekerheid kan vaststellen dat verdachte "er bovenop" is gesprongen en aldus een significant aandeel in de vechtpartij heeft gehad.

Door [getuige 2] is bij politie en rechter-commissaris een verklaring afgelegd. In beide verklaringen zegt hij dat verdachte op zeker moment, voorafgaande aan de vechtpartij, zei "Waarom wachten tot ze terugkomen, we kunnen ze beter nu pakken". In zoverre ondersteunen deze verklaringen de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1]. Op basis van beide verklaringen is wettig bewijs aanwezig voor deze activiteit van verdachte. Daargelaten de vraag of de hiervoor geciteerde enkele uitlating van verdachte, indien gedaan, voldoende is om aan te nemen dat verdachte aldus een significant aandeel had in de daarna gevolgde openlijke geweldpleging, geldt dat het hof onvoldoende overtuigd is van het feit dat verdachte zich aldus heeft geuit. Dat vindt zijn grondslag in het feit dat vele andere getuigen aanwezig waren, maar dat deze niets hebben verklaard over een dergelijke uitlating van verdachte. Ondanks de steun die de verklaring van [getuige 2] biedt aan de bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige 1] blijft bij het hof twijfel bestaan aan de juistheid van die laatste verklaring nu dezelfde [getuige 1] tot tweemaal toe bij de politie niets belastends over verdachte heeft verklaard. Op deze gronden is het hof niet ervan overtuigd dat het verdachte is geweest die heeft geroepen "Waarom wachten tot ze terugkomen, we kunnen ze beter nu pakken".

In het overige voorhanden zijnde bewijsmateriaal zijn geen aanwijzingen te vinden voor enig zodanig concreet handelen van verdachte dat dit kan worden aangemerkt als op te leveren een significant aandeel in de tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

Het hof acht derhalve niet bewezen hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H. Heins, voorzitter, mr. W.P.M. ter Berg en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.

-