Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM3217

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
04-05-2010
Datum publicatie
04-05-2010
Zaaknummer
21-002194-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet herstructurering varkenshouderij (Whv), ontvankelijkheid OM, houderschap in de zin van de Whv, opzet, verbindendheid van de Whv, artikel 1 Eerste Protocol van het EVRM, rechtsdwaling, lex certa, overschrijding van de redelijke termijn ex artikel 6 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wet op de economische delicten
Wet herstructurering varkenshouderij
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-002194-09

Uitspraak d.d.: 4 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische kamer van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 27 april 2005 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats op [geboortedatum],

wonende te [adres en woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is -na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad- gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 1 december 2009, 16 maart 2010, 23 maart 2010, 6 april 2010, 20 april 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mrs Th.J.H.M. Linssen en M.J.J.E. Stassen, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere strafoplegging komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De zaak

Het strafrechtelijk verwijt dat verdachte wordt gemaakt ziet – kort gezegd en voor zover van belang voor de bespreking van het hierna volgende verzoek en van de verweren die betrekking hebben op de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie- op een samenwerking van akkerbouwers en varkenshouders. Die samenwerking zou ertoe hebben geleid dat in strijd met artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij (verder de Whv) méér varkens werden gehouden dan waarvoor varkensrechten aanwezig waren. De meeste leden van [rechtspersoon 1] (het verband waarin het merendeel van de verdachten samenwerkte) en de verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3], [verdachte 4] en [vertegenwoordiger van verdachte 5] (algemeen directeur van verdachte [verdachte 5]), zijn op verdenking van dat feit in september 2002 aangehouden en vervolgens in verzekering gesteld. De verdachte [verdachte 6] werd in juni 2004 in het onderzoek betrokken.

Verzoek van de verdediging

Bij brief van 5 november 2002 heeft LTO Nederland zich bij de ministers van LNV en Justitie beklaagd over de wijze waarop verdachten door de AID in september 2002, toen de meeste van de verdachten in deze zaak zijn aangehouden, zijn bejegend. Op deze brief heeft de Minister van Justitie op 15 september 2003 geantwoord. In dat antwoord wordt gewag gemaakt van een intern onderzoek van de AID waaruit gebleken is dat de aangehouden verdachten inderdaad verstoken zijn gebleven van tijdige juridische bijstand. De verdediging verzoekt het hof om het openbaar ministerie opdracht te geven dat rapport over te leggen omdat "niet uit te sluiten is dat (lees: bij dat onderzoek) verdere gebreken in de opsporing eveneens bloot zijn gelegd”. Het hof ziet, mede gelet op hetgeen hierna nog volgt, niet de noodzaak tot inwilliging van dit, bij pleidooi en dus wel in een bijzonder laat stadium van deze zaak te berde gebrachte, verzoek. Het argument dat “van verdere gebreken in de opsporing” zou kunnen blijken is een hypothese en onvoldoende uitgewerkt om ernstig rekening te houden met de mogelijkheid dat uit dat rapport alsnog (negen en een half jaar na die aanhoudingen) nieuw materiaal tevoorschijn komt dat van beslissende betekenis is voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, voor de waarde van de bewijsmiddelen waarop het hof zich bij zijn bewijsoordeel eventueel zal baseren of voor enig andere door het hof te nemen beslissing. Het verzoek wordt afgewezen.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

1. toezegging van de landsadvocaat

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - betoogd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de landsadvocaat in het kader van een civiele procedure van een aantal akkerbouwers tegen de Staat heeft gesteld dat de akkerbouwers niet hoeven te vrezen voor strafvervolging voor overtreding van de Whv. In de ogen van de verdediging mochten verdachten op deze mededeling vertrouwen. Door vervolging van verdachte heeft het Openbaar Ministerie gehandeld in strijd met de beginselen van de goede procesorde, in het bijzonder het vertrouwensbeginsel.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

De passage waarop de verdediging wijst kan niet worden opgevat als een toezegging van het Openbaar Ministerie of een ander orgaan dat verantwoordelijk is voor het justitiële beleid. Het Openbaar Ministerie is ten aanzien van zijn vervolgingsbeslissingen niet gebonden aan uitlatingen gedaan door de landsadvocaat. Het verweer wordt dan ook verworpen.

2. toezegging van de Officier van Justitie

In een artikel in De Dordtenaar van 20 oktober 2004 staat (onweersproken) vermeld dat de Officier van Justitie, mr A.M.C.C. Tubbing, naar aanleiding van een andere zaak, heeft verklaard dat de boeren uit de [plaats 1] niet zullen worden vervolgd voor overtreding van de Whv.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging in verband met het als gevolg van deze uitlatingen van die Officier van Justitie opgewekte vertrouwen dat niet tot vervolging van verdachten zou worden overgegaan.

In dit geval konden en mochten aan de uitspraken van de genoemde Officier van Justitie zoals die in die krant te lezen waren door verdachte geen gerechtvaardigde verwachtingen worden ontleend. Het is in de eerste plaats een feit van algemene bekendheid dat er onjuistheden in dergelijke berichten voorkomen. Er dient voorts rekening mee te worden gehouden dat, zeker bij onverwachte en onvoorbereide vraaggesprekken, de geïnterviewde persoon zich niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden en bij de beantwoording van vragen de bewoordingen onzorgvuldig kiest of onvolledige of zelfs onjuiste mededelingen doet. Het ligt dan (als een dergelijk bericht valse verwachtingen kan wekken) wel op de weg van het Openbaar Ministerie om ten spoedigste zo’n vergissing te herstellen. Maar dat laatste is gebeurd. De uitlatingen van de betreffende Officier van Justitie zijn op 23 oktober 2004 in datzelfde dagblad gerectificeerd. Uit dit laatste krantenbericht blijkt dat de boeren wel degelijk zullen worden vervolgd. Ook dat is onweersproken. Gelet op deze feiten en omstandigheden konden verdachten dan ook niet (of hooguit maar kort en dan op een onvoldoende stevige basis) redelijkerwijs menen dat zij niet meer zouden worden vervolgd. Van een voldoende gefundeerde, door het Openbaar Ministerie opgewekte, gerechtvaardigde, verwachting dat dat niet meer zou gebeuren is geen sprake. Het verweer wordt daarom verworpen.

3. verstoken zijn of blijven van rechtsbijstand tijdens de inverzekeringstelling

De verdediging heeft (zonder daarbij specifiek te zijn) een beroep gedaan op het feit dat meerdere verdachten nadat zij waren aangehouden verstoken zijn gebleven van rechtsbijstand, hoewel zij daarom uitdrukkelijk hadden gevraagd. Dit onherstelbare verzuim dient naar het oordeel van de verdediging primair te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat alle verklaringen van de akkerbouwers niet als bewijs mogen worden gebruikt. Meer subsidiair dienen de verklaringen van de akkerbouwers afgelegd in de periode dat zij verstoken waren van (adequate ) rechtsbijstand van het bewijs te worden uitgesloten.

Het hof heeft vastgesteld dat na de inverzekeringstelling van verdachten op 10 september 2002 een aantal van hen inderdaad verstoken is gebleven van (adequate) rechtsbijstand, dan wel deze te laat heeft gekregen.

Voor die gevallen waarin dat punt een rol heeft gespeeld geldt dat het EHRM heeft uitgemaakt dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan artikel 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen. Die aanspraak houdt in dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Dit brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van bepaalde dwingende redenen zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken. Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, dient dit ingevolge de rechtspraak van het EHRM te leiden tot bewijsuitsluiting.

In de gevallen die het betreft is sprake van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a van het Wetboek van Strafvordering. Of daaraan enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt? Het belang dat het geschonden voorschrift dient is vooral, maar niet uitsluitend, de betrouwbaarheid van de door een ingesloten verdachte afgelegde verklaring. Dat belang dient tevens een belangrijker recht van de verdachte, namelijk het recht om zijn procespositie in vrijheid te kunnen bepalen. De schending van dat belang zou mogelijkerwijs een bewijsuitsluiting kunnen rechtvaardigen en dat doet het hier. De tijdens de inverzekeringstelling door verdachte afgelegde verklaringen zullen bij de beantwoording van de bewijsvraag daarom niet worden gebruikt, ook niet in de zaken van andere verdachten. Voor een verdere strekkende sanctie ziet het hof bij deze compensatie geen reden. Immers: uit latere verklaringen van een flink aantal van de akkerbouwers die dit verweer direct betreft blijkt onmiskenbaar de wens van verdachte om een andersluidende verklaring te geven dan de verklaringen die in de eerste verhoren bij de politie zijn afgelegd. Die verdachten hebben daartoe vervolgens ook ruimschoots de gelegenheid gekregen. In die zin is er geen sprake van een onherstelbaar verzuim waar het die verdachten betreft. Het vorenstaande brengt, naar het oordeel van het hof met zich dat er (dus) geen reden is om te besluiten tot het zware rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. Er is in dit geval (per saldo) geen sprake van dat, mede gelet op hetgeen volgt, doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachten die dit manco direct betreft aan hun recht op een eerlijke behandeling van hun zaak is tekortgedaan. Dat geldt a fortiori voor de zaken waarin dit manco zich niet voordeed.

4. inbreuk op het gelijkheidsbeginsel

In het verweer wordt een punt gemaakt van het feit dat de AID andere, soortgelijke, samenwerkingsverbanden ongemoeid heeft gelaten. Daarbij gaat het om samenwerkingsverbanden met veehouders waarbij de akkerbouwers er wél in geslaagd zijn (of zouden zijn) om hun grondgebonden rechten om te zetten in of erkend te krijgen als varkensrechten . Het punt van kritiek is dat het onjuist is dat de akkerbouwers die samenwerkten in [rechtspersoon 1] dat niet is vergund en dat zij zich zelfs voor de strafrechter dienen te verantwoorden.

Evenwel, niet aannemelijk is geworden dat die andere samenwerkingsverbanden in alle relevante opzichten gelijk zijn aan of vergelijkbaar zijn met het samenwerkingsverband dat in de onderhavige zaak aan de orde is, zodat het verweer reeds om deze reden dient te worden verworpen. Omtrent het tijdstip waarop deze samenwerkingsverbanden effectief zijn geworden (vóór of na 10 juli 1997, de datum waarop de Whv werd aangekondigd en per welke datum de omvang van de varkenshouderij in feite als het ware moest worden bevroren) is onvoldoende aangevoerd. De verdediging heeft (ook verder) onvoldoende concrete aanknopingspunten geboden die het gewenst of noodzakelijk maken dat omtrent dit punt nader onderzoek wordt verricht. Het verweer wordt verworpen.

5. artikel 27 Whv

De verdediging heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat bestuursrechtelijke handhaving van de hier relevante bepalingen van de Whv achterwege is gebleven. De verdediging heeft hierbij aangevoerd dat het strafrechtelijk optreden ultimum remedium dient te zijn.

Het hof verwerpt dit verweer. Geen rechtsregel verzet zich er tegen dat het Openbaar Ministerie, indien bestuursrechtelijke handhaving mogelijk was doch achterwege is gebleven, verdachten voor overtredingen van rechtsregels die als strafbare feiten zijn aangemerkt, vervolgt.

6. cumulatie van verweren

De verdediging is van oordeel dat de cumulatie van voornoemde verweren in ieder geval dient te leiden tot de constatering dat het Openbaar Ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een goede procesorde en verbindt daaraan de conclusie dat een niet-ontvankelijkheidsverklaring van het Openbaar Ministerie dient te volgen.

De hiervoor besproken verweren of de uitkomst van de overwegingen van het hof daaromtrent (voor zover het hof daarin deels meegaat) leiden afzonderlijk noch in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat door het Openbaar Ministerie is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wordt verworpen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001

in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2] in de gemeente

[gemeente 2] en/of in de gemeente [gemeente 3], in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, op een

bedrijf, gelegen aan [adres], voorzien

van het mestnummer [nummer], althans op een of meer bedrijven, gemiddeld

gedurende het jaar 2001, 214 vleesvarkens of daaromtrent, zoals bedoeld in

categorie 7 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering

varkenshouderij, in elk geval een groter aantal varkens heeft gehouden dan het

op die/dat bedrijven/bedrijf rustende varkensrecht en/of fokzeugenrecht,

verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht en/of

fokzeugenrecht.

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

Vennootschap onder firma [V.O.F. van verdachte] in of omstreeks de periode vanaf 1

januari 2001 tot en met 31 december 2001 in de gemeente [gemeente 1] en/of

te [plaats 2] in de gemeente [gemeente 2] en/of in de gemeente [gemeente 3], in

elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, opzettelijk, op een bedrijf, gelegen aan de [adres], voorzien van het mestnummer [nummer], althans op

een of meer bedrijven,gemiddeld gedurende het jaar 2001, 214 vleesvarkens of

daaromtrent, zoals bedoeld in categorie 7 van bijlage A, behorende bij artikel

1 van de Wet herstructurering varkenshouderij, in elk geval een groter aantal

varkens heeft gehouden dan het op die/dat bedrijven/bedrijf rustende

varkensrecht en/of fokzeugenrecht, verminderd met het grondgebonden deel van

het varkensrecht en/of fokzeugenrecht.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

De feitelijke achtergrond van de zaak

1. Verdachte exploiteert of exploiteerde in of bij zijn woonplaats in de periode die in de tenlastelegging wordt genoemd en voordien een akkerbouwbedrijf. In 1997 of 1998 verbond hij zich met andere akkerbouwers in zijn regio die het plan hadden opgevat om de grondgebonden mestproductierechten in exploitatie te nemen die rustten op de grond die zij met hun akkerbouw bedrijf in gebruik hadden. Dat leidde tot een samenwerkingsverband van verdachte en andere akkerbouwers enerzijds en twee varkenshouders anderzijds. Dat waren [verdachte 6] (medeverdachte) met bedrijven in [gemeente 1] en [gemeente 3] en [betrokkene 1] (intussen onherroepelijk veroordeeld) met bedrijven in [plaats 3], [plaats 4], [plaats 5] en [plaats 6]. De akkerbouwers organiseerden zich in [rechtspersoon 3] i.o. Later, in 1998, werd die naam en de juridische structuur van dat samenwerkingsverband gewijzigd in [rechtspersoon 1], een coöperatieve vereniging met beperkte aansprakelijkheid. Binnen dat samenwerkingverband werd, in nauw overleg met adviseurs, een samenwerking met veehouders ontwikkeld waarin (kort beschreven) was voorzien dat de akkerbouwers op een van de bedrijven van de veehouders (zelf) dieren zouden gaan houden. Aanvankelijk werd gedacht aan kippen, later werden dat varkens, omdat varkensmest beter geschikt was voor de bedrijven van de akkerbouwers.

2. De akkerbouwers pachtten ieder voor zich een gedeelte van een stal op het bedrijf van de veehouders zoals dat tot dan toe bestond . [rechtspersoon 1] organiseerde ten behoeve van de akkerbouwers en voor hen centraal en waar dat te pas kwam allerlei organisatorische kwesties waarvoor de akkerbouwers in de door hen gezochte rol van pachter en mester kwamen te staan.

Houderschap in de zin van de Wet Herstructurering Varkenshouderij (verder Whv)

3. In het licht van de tenlastelegging is van belang de vraag wie heeft te gelden als houder van de varkens in de door de akkerbouwers gepachte stal(len) of de verschillende gedeeltes daarvan. Daarbij is het navolgende van belang:

a. de varkens waren en bleven eigendom van de varkenshouder of van de rechtspersoon waarin de varkenshouder zijn bedrijf uitoefende ;

b. de varkenshouder droeg zorg voor de vereiste milieuvergunning, was daartoe contractueel ook verplicht en had de zeggenschap over de aankoop en verkoop van de varkens die in het door de akkerbouwers gepachte stalfaciliteiten werden gemest;

c. de varkenshouder had ook daadwerkelijke bemoeienis (en bleef die houden) met dat mesten in zoverre dat hij de veesaldo-registratie bijhield, bemoeienis had met de afzet van de mest (aan de akkerbouwers), met de Minas-aangifte, met het aantrekken van het personeel dat de werkzaamheden in de stallen uitvoerde en met de wijze waarop dat laatste gebeurde , met de geneeskundige verzorging van de varkens, met de voeding van die dieren en met de financiële administratie en afwikkeling;

d. de tegenprestatie die voor de akkerbouwers was voorzien betrof een vergoeding per hectare en de mest, die overigens niet per verpacht stalgedeelte afzonderlijk werd verzameld, die voor hen ter beschikking kwam en op hun land werd aangewend;

e. het financiële risico van de mesterij lag bij de veehouders, dat van de akkerbouwers was hooguit een afgeleid risico.

4. De zo-even beschreven feiten en omstandigheden passen niet bij een reële relatie pachter- verpachter. En nog minder doet dat het gegeven dat, zoals blijkt uit een faxbericht van 17 juni 1999 Maatschap [maatschap 1] aan [rechtspersoon 1] dat tussen de akkerbouwers en de veehouders gold dat de vergoeding per hectare zou moeten worden terugbetaald als zou blijken dat niet geprofiteerd zou kunnen worden van de grondgebonden rechten van de akkerbouwers ten behoeve van de in de gepachte faciliteiten gehouden varkens.

5. Tegen deze achtergrond valt te begrijpen dat er voor de varkens in het stalgedeelte dat verdachte gepacht had géén varkensrechten waren of alsnog kwamen , ook niet op grond van het Besluit hardheidsgevallen. Het Bureau heffingen bleef de varkenshouder zien als de houder in de zin van art. 15 Whv en het verpachte stalgedeelte als onderdeel van diens bedrijf. Bezwaar en beroep tegen dat standpunt pakten voor het samenwerkingsverband negatief uit. De eerste negatieve beslissing van het College van beroep voor het bedrijfsleven (CBB) kwam af op 8 april 2003, de laatste op 1 april 2004.

6. Het hof moet de uitkomst van de administratieve rechtsgang die in een aantal gevallen door leden van [rechtspersoon 1] werd gevolgd respecteren. Bijzondere omstandigheden ontbreken op grond waarvan het hof ten gunste van verdachte gebruik zou moeten maken van de ruimte die het arrest van de HR van 24 september 2002, LJN AE2126 laat. Dat betekent dat (ook) het hof ervan moet uitgaan dat er voor de dieren waarom het in dit samenwerkingsverband ging onvoldoende varkensrechten waren; die rechten wáren er niet want de varkenshouders hadden onvoldoende rechten en zij kwámen er niet omdat de grondgebonden rechten van de akkerbouwers niet konden worden benut.

7. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de strafrechter zelfstandig de omvang vaststelt van het varkensrecht dat moet worden aangehouden en (in die opvatting blijkbaar ook) of aan de varkenshouder of verdachte dergelijke rechten toekomen en dat het hof in deze strafzaak daarin dient te voorzien. Dat standpunt is onjuist, berust op een verkeerde lezing van HR 22 september 2009, LJN BI0522.

8. De verdediging heeft een keur aan argumenten aangevoerd op grond waarvan alsdan, als het hof wél tot die vaststelling zou overgaan, zou moeten worden vastgesteld dat er voor de varkens in kwestie wel voldoende rechten waren, maar die argumenten behoeven dus geen bespreking.

Opzet

9. Het geheel van regelingen, afspraken en contracten dat betrekking heeft op de samenwerking tussen de akkerbouwers en de veehouders en de wijze waarop daaraan uitvoering werd gegeven droeg, zo niet van meet af aan dan toch in elk geval vanaf begin 1998 (februari, maart, april), voor zowel de varkenshouders die met [rechtspersoon 1] samenwerkten als de akkerbouwers ook kenbaar de grote mate van waarschijnlijkheid in zich dat de grondgebonden rechten van de akkerbouwers niet zouden leiden tot varkensrechten. De wijze waarop de Whv was aangekondigd en die wet zelf lieten dat ook zien. Het was welhaast zeker dat de akkerbouwers geen, ook niet alsnog varkensrechten zouden verkrijgen omdat de bedoeling van de wetgever duidelijk was. Daarvan kan verdachte niet onkundig zijn gebleven dat blijkt ook wel uit de notulen van [rechtspersoon 1]. De knelgevallenregeling was heel beperkt. Er was, kortom, een aanmerkelijke kans dat akkerbouwers zoals verdachte géén varkensrechten zouden verkrijgen .

In dit verband is het volgende van belang:

a. Op 10 juli 1997 werd door de minister van LHV in een brief aan de kamer de Whv aangekondigd. Het was de bedoeling van deze wet dat een bovengrens werd gesteld aan het aantal varkens om te voorkomen dat de mestproductie zou toenemen. Die grens zou worden gesteld en is gesteld op de hoeveelheid dieren in het referentiejaar 1995/1996, toen verdachte (als hij dat nadien al deed in elk geval) nog geen varkens hield. Dat werd in die brief reeds aangekondigd. Daarenboven zou een generieke korting op de omvang van de varkensrechten volgen.

b. Aangekondigd werd ook dat elke transactie van mestproductierechten bij het Bureau Heffingen die zou worden aangemeld na die datum (10 juli 1997) niet meer zou meetellen voor de omvang van de toekomstige varkensrechten. Deze aankondiging maakte naar het oordeel van het hof meteen al onwaarschijnlijk dat niet benutte grondgebonden mestrechten van akkerbouwers – niet varkenshouders zouden kunnen worden vertaald in varkensrechten.

c. Op 15 september 1997 werd het wetsvoorstel Whv aangeboden aan de Tweede Kamer. De memorie van toelichting vermeldt het navolgende: “door aan te sluiten bij het feitelijk gehouden aantal dieren in 1996 vervalt de niet benutte ruimte binnen de bestaande mestproductierechten, wat een grotere zekerheid geeft dat het aantal varkens in Nederland niet toeneemt”. Op grond van die passage mag worden vastgesteld dat het (toen al) uiterst onwaarschijnlijk was dat tot dan toe niet benutte grondgebonden mestrechten als waarover de akkerbouwers beschikten onder het nieuwe regiem (de Whv), alsnog zouden kunnen worden benut voor de varkenshouderij.

d. Op 8 april 1998 werd het wetsvoorstel aanvaard; per 1 september 1998 is de Whv in werking getreden . 10 Juli 1997 bleef de alles bepalende datum.

e. Er bestond bij verdachte en de andere bij [rechtspersoon 1] betrokken akkerbouwers van meet af aan onzekerheid over de vraag of en in welke vorm de samenwerking waarom het in deze zaak gaat zou leiden tot een situatie waarin voor de varkens die het betrof op basis van de grondgebonden rechten van de akkerbouwers daadwerkelijk varkensrechten zouden worden verkregen. In elk geval was daarvoor een geslaagd beroep op het Bhv nodig. Het was in het licht van het vorenstaande in hoge mate onwaarschijnlijk dat dat zou lukken en dat laatste werd het gaandeweg nog meer. Door het Bureau Heffingen was immers op 2 april 1999 het (eerste) beroep op het Bhv, waarin beroep was gedaan op art. 3, afgewezen. Dat er bij de leden van [rechtspersoon 1] onzekerheid bestond, is een- en andermaal in vergaderingen van [rechtspersoon 1] aan de orde geweest.

f. Die onzekerheid betrof, zo blijkt uit die stukken, (ook) de juridische deugdelijkheid van de met de veehouders gemaakte afspraken en het ‘realiteitsgehalte’ daarvan. In dit verband haalt het hof naar voren:

i. Uit de notulen van [rechtspersoon 1] blijkt dat samenwerking met varkenshouders (in plaats van kippenhouders) in februari 1998 aan de orde kwam. Dat is ruim na 10 juli 1997, ruim nadat op 15 september 1997 het wetsvoorstel Whv was ingediend (en ook ruim nadat in de Kamercommissie was gedebatteerd over het zogeheten “akkerbouwlek”) . Uit de notulen blijkt verder dat de akkerbouwers dachten mogelijk van de zogeheten Knelgevallenregeling te kunnen profiteren om hun grondgebonden rechten (alsnog) in varkensrechten te kunnen vertalen.

ii. Uit die notulen blijkt verder dat de akkerbouwers, waaronder verdachte, trouw verschenen op die vergaderingen. De notulen werden nauwgezet opgemaakt en verspreid . Het hof leidt hieruit af dat verdachte bekend was met hetgeen in de vergaderingen voorviel. En dat dit laatste anders zou zijn is het verweer niet.

iii. Verdachte, lid van [rechtspersoon 1] sedert 1997 of 1998, heeft van hetgeen daar besproken is en beslist werd geen afstand genomen. Verdachte is lid (en pachter) gebleven.

iv. Verdachte moet op grond van het onder ?ii weet hebben gehad van de hindernissen die de Whv meebracht voor de samenwerking zoals die met de varkenshouders was gedacht en intussen vorm had gekregen en daadwerkelijk werd uitgevoerd. Hij heeft weet gehad of in elk geval gaandeweg moeten krijgen van het feit dat het Besluit hardheidsgevallen géén ruimte bood en hij moet daarvan zeker weet hebben gehad op het moment van aanvang van de in de tenlastelegging genoemde periode. Er was de aanmerkelijke kans dat er voor de varkens in kwestie geen varkensrechten waren. Verdachte moet dat ook hebben beseft als ook dat het nog maar de vraag was of [rechtspersoon 1] tot dan toe steeds goed, terzake en op een wijze die meebracht dat de gekozen opzet in lijn was met de Whv was en werd geadviseerd. In zoverre levert het feit dat [rechtspersoon 1] zich heeft laten adviseren door deskundigen dan ook geen bevrijdende omstandigheid op.

v. Van belang is met betrekking tot het laatste dat uit de notulen van [rechtspersoon 1] blijkt dat de grenzen van het juridisch mogelijke werden opgezocht, dat (wat hierna nog wordt uitgewerkt) het lastig bleek om een reële feitelijke inhoud te geven aan de gekozen juridische opzet en dat niet is gesteld of gebleken dat [rechtspersoon 1] of de varkenshouders het Bureau heffingen ook dáárvan, van dat laatste en hun beraadslagingen daarover, deelgenoot hebben gemaakt.

vi. Uit het voorgaande leidt het hof (dus) af dat de inhoud van de adviezen niet zodanig is (gepresenteerd) dat verdachte ervan uitging dat er geen - aanmerkelijk - risico bestond dat verdachte geen varkensrechten zou hebben of krijgen.

vii. De verhoren van de ter zitting van 6 en 13 maart 2010 gehoorde getuigen en getuige-deskundigen wijzen niet in een andere richting. Deze hebben niet zozeer verklaard over concrete op deze zaak betrokken en de daarin verstrekte adviezen, maar over de onduidelijkheid van de situatie zoals die in de ogen van de verdediging bestond.

viii. Het kan zo geweest zijn dat het Bureau Heffingen misschien niet meteen wist wat het aan moest met samenwerkingsverbanden als het onderhavige, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. In april 1999 nam het Bureau heffingen in elk geval de stelling in dat het beroep op het Besluit hardheidsgevallen voor de akkerbouwers niet opging.

ix. Bovendien blijkt uit hetgeen volgt dat [rechtspersoon 1] voor haar leden grenzen opzocht waarvan op grond van hetgeen hiervoor werd overwogen kan worden vastgesteld dat het onwaarschijnlijk was dat zij deze zouden kunnen passeren. Wat de gang van zaken bij de vergaderingen van [rechtspersoon 1] betreft is van belang is dat in de notulen van 21 februari 1998 al gesproken wordt over de AID en een eventuele controle van die kant; op 21 maart 1998 worden de leden zelfs geïnstrueerd met het oog op een eventueel bezoek van de AID. Het hof citeert uit de notulen van deze vergadering :

“Als een A.I.D.-er op het bedrijf komt, moet u vragen of u verdachte bent. Zo ja, dan geen antwoordt geven en advocaat bellen. Ook moet u de papieren van [rechtspersoon 3] i.o. nooit laten zien.

Ten aanzien van het op gang komen van de geldstromen, moet u ervoor zorgen dat dit voor de A.I.D. geen slordige indruk maakt. Immers in de pachtcontracten staat een 12 maandelijkse termijn genoemd. Men stelt voor per kwartaal een staat met willekeurige bedragen te maken en dit middels Telebankieren uit te voeren. De veehouder zegt dat dit volgende week geregeld is.”

x. In de vergadering van 12 maart 1998 van [rechtspersoon 1] is aan de orde dat de verzorgingsovereenkomst (die betrekking had op de varkens in de gepachte faciliteiten) komt te vervallen omdat daarin een vergoeding per hectare was uitgedrukt. Maar uit de notulen van 17 april 1998 blijkt dat dat uitgangpunt voor de vergoeding aan de akkerbouwers wel bleef bestaan.

xi. Bij de vergadering van 9 april 1998 komt uitdrukkelijk aan de orde dat de “realiteitswaarde” wordt verhoogd als meerdere geldstromen tussen de akkerbouw en de veehouder tot stand worden gebracht.

xii. Op een latere vergadering die maand (gehouden op 16 april 1998) worden allerlei vragen gesteld aan adviseurs, blijkt zelfs (de vragen 24 en 25) gedacht te worden aan strafrechtelijke vervolging, omdat het mogelijk om een schijnconstructie zou gaan. Het was en bleef kennelijk en kenbaar de centrale vraag of de wijze van samenwerking met de varkenshouder zich wel verdroeg met de Whv.

10. Het hof leidt uit het voorgaande af dat verdachte het aanmerkelijke risico, dat hij geen varkensrechten had, dat deze rechten er niet waren en niet zouden komen, heeft gekend. Naar het oordeel van het hof heeft hij het risico dat er voor de varkens in de door hem van de varkenshouder gepachte faciliteit geen varkensrechten waren of zouden komen welbewust aanvaard door deel te blijven nemen aan de samenwerking en pachter te blijven. Dat levert voorwaardelijk opzet op .

11. De verdediging heeft aangevoerd dat gezien de combinatie van een deugdelijke serieuze voorbereiding, ter zake kundige adviezen van diverse adviseurs en de onduidelijkheid in de wetgeving, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op het overtreden van de wet. De verdediging betoogt dat verdachte om deze reden dient te worden vrijgesproken. In het voorgaande ligt besloten dat die adviezen en de teneur daarvan en de kenbaarheid voor verdachte aan een bewezenverklaring van het opzet niet in de weg staan.

12. De varkenshouders in kwestie (verdachte [verdachte 6] en [betrokkene 1], die ter zake inmiddels onherroepelijk is veroordeeld) zijn nauw en actief betrokken geweest bij de samenwerking die met de akkerbouwers van [rechtspersoon 1] werd opgezet. Voor hen geldt mutatis mutandis hetzelfde als het gaat om hetgeen onder het kopje ‘de feitelijke achtergrond van de zaak’ in de rechtoverwegingen ?1 tot en met ?8 is overwogen. Reeds op grond daarvan staat vast dat ook voor hen gold dat zij ook willens en wetens het aanmerkelijke risico hebben aanvaard dat de grondgebonden rechten van de akkerbouwers na de aankondiging van de Whv en hetgeen over de totstandkoming daarvan is vastgesteld (rechtsoverweging ) niet in varkensrechten vertaald zouden kunnen worden. De samenwerking werd voortgezet, ook nadat van het Bureau heffingen in april 1999 de eerste negatieve berichten binnen gekomen waren. Dat levert, samen met de beschreven samenwerkingsvorm en in het bijzonder het gegeven dat het samenstel van de contracten met de akkerbouwers geen echte wijziging bracht in het houderschap van de varkens op hun bedrijven, medeplegen op. En ook dat is opzettelijk geweest: het is ook door hen welbewust, maar tevergeefs, geprobeerd om in dat houderschap met die contracten wijziging te brengen.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001

in de gemeente [gemeente 1] en/of te [plaats 2] in de gemeente

[gemeente 2] en/of in de gemeente [gemeente 3], in elk geval in Nederland, tezamen en

in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk, op een

bedrijf, gelegen aan de [adres], voorzien

van het mestnummer [nummer] althans op een of meer bedrijven, gemiddeld

gedurende het jaar 2001, 214 vleesvarkens of daaromtrent, zoals bedoeld in

categorie 7 van bijlage A, behorende bij artikel 1 van de Wet herstructurering

varkenshouderij, in elk geval een groter aantal varkens heeft gehouden dan het

op die/dat bedrijven/bedrijf rustende varkensrecht en/of fokzeugenrecht,

verminderd met het grondgebonden deel van het varkensrecht en/of

fokzeugenrecht.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Kwalificatie

13. De verdediging heeft bepleit dat de Whv jegens verdachte onverbindend is wegens strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol behorende bij het EVRM. Het bewezenverklaarde feit levert geen strafbaar feit op zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De verdediging is van oordeel dat sprake is van ‘deprivation of possession’ (ontneming van eigendom). Verdachte beschikte als akkerbouwer namelijk vóór 1 september 1998 over grondgebonden mestproductierechten op grond en was gerechtigd tot het houden van varkens, mits de totale fosfaatproductie niet meer zou bedragen dan 125 kilogram fosfaat per jaar per hectare van de tot verdachtes bedrijf behorende landbouwgrond. Deze rechten zijn verdachte volledig en zonder tegenprestatie door de Staat ontnomen.

Indien het Hof van oordeel zou zijn dat geen sprake is van sprake is van ‘deprivation of possession’ maar van ‘regulation of possession’ dan is de verdediging van oordeel dat niet is voldaan aan het ‘fair balance’ vereiste.

Vooropgesteld wordt dat het in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde algemene recht op het ongestoord genot van eigendom (‘peaceful enjoyment of possession’) uitgewerkt wordt in twee te onderscheiden regels, namelijk in enerzijds de bescherming tegen de onteigening van eigendom (‘deprivation of possession’) en anderzijds de mogelijkheid van regulering van het gebruik van eigendom (‘control of the use of property’).

14. Artikel 1, tweede lid, van het Eerste Protocol bij het EVRM bepaalt dat de bepalingen van het eerste lid op geen enkele wijze het recht aantasten, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang. Een onder het tweede lid vallende inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom is slechts toegestaan wanneer er een redelijke mate van evenredigheid (‘fair balance’) is tussen het algemeen belang enerzijds en de bescherming van individuele rechten anderzijds. Aan het vereiste van een ‘fair balance’ is niet voldaan indien er sprake is van een individuele buitensporige last (‘individual and excessive burden’) voor de betrokken personen.

15. Van belang bij dit verweer is het arrest van de civiele kamer van de Hoge Raad van 16 november 2001 . Daarbij ging het om varkenshouders die ingevolge de Wet verplaatsing mestproductierechten en de Whv met vergelijkbare ingrepen in de bedrijfsvoering werden geconfronteerd. Volgens de Hoge Raad is waar het de Whv en de gevolgen daarvan betreft geen sprake van ontneming van eigendom maar van regulering van het gebruik van eigendom.

16. De maatregelen die in het kader van de Whv zijn getroffen (of de gevolgen daarvan), betekenen evenmin een onevenredige inbreuk op de belangen van verdachte (die geen houder was van de varkens in kwestie) en zij vormen geen ‘individual and excessive burden’ in de zin van artikel 1, tweede lid, Eerste Protocol EVRM, zodat er geen grond is de Whv ten aanzien van verdachte op deze grond buiten toepassing te laten . Daarvoor is tegenover het belang dat een strakke regulering van de omvang van de varkenshouderij noodzakelijk maakte aan individuele en in het licht van het Protocol compensatie noodzakelijk makende omstandigheden onvoldoende gesteld. Dat betekent voor deze strafzaak dat de overheid die regeling tegenover verdachte zonodig met hantering van het strafrecht mag en mocht handhaven. Nu bewezen is dat verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen varkens heeft gehouden in strijd met artikel 15 van de Whv staat hiermee vast dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op het misdrijf:

Medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 15, eerste lid, van de Wet herstructurering varkenshouderij, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid van de verdachte

17. De Whv is intussen per 1 januari 2006 vervallen. Daarvoor is andere regelgeving in de plaats gekomen die aan de omvang van de productie van dierlijke meststoffen ook strenge beperkingen stelt. Het hof ziet geen veranderd inzicht van de wetgever in de strafwaardigheid van de gedragingen ten tijde van de feiten.

Rechtsdwaling

18. De verdediging heeft betoogd dat verdachte niet uitsluitend naar eigen bevindingen heeft gehandeld. [rechtspersoon 1] is te rade gegaan bij personen aan wie een dusdanige autoriteit toekomt dat zij daar in redelijkheid op af mochten gaan en, zo begrijpt het hof, [rechtspersoon 1] heeft zich steeds door die adviseurs laten begeleiden en de wijze waarop de samenwerking met de varkenshouders werd ingericht daardoor laten bepalen. In de ogen van de verdediging was er sprake van een verschoonbare rechtsdwaling. Dit verweer, dat zou moeten leiden tot afwezigheid van alle schuld omdat sprake zou zijn van verontschuldigbare rechtsdwaling, wordt verworpen.

19. Vooropgesteld moet worden dat voor het slagen van een beroep op dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, vereist is dat aannemelijk is dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging. Van een zodanige onbewustheid kan slechts sprake zijn, indien de verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging verkeerde dat zijn gedraging niet ongeoorloofd was. Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte (in dat opzicht) in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen. Verdachte heeft aangevoerd dat hij is afgegaan op adviezen van advocaten en personen, die hij op dit terrein als deskundige beschouwde, zodat hij ervan uitging dat alles legaal geregeld was of werd, op een wijze die hem niet in aanraking zou brengen met de strafrechter.

20. Naar het oordeel van het hof blijkt niet dat verdachte ten tijde van het begaan van het feit in de overtuiging leefde of in redelijkheid kon leven in het geheel geen strafbaar feit te plegen. Daarvoor verwijst het hof naar hetgeen hiervoor aan de orde kwam en in het bijzonder naar de daar besproken notulen van [rechtspersoon 1]. Immers, onmiskenbaar werden in samenspraak met de adviseurs de grenzen opgezocht tussen wat wél en (nog) niet en net niet in strijd zou zijn met de Whv en verdachte moet dat hebben geweten. Het hof verwijst hier naar hetgeen in rechtsoverweging ?9 en volgende omtrent het opzet is overwogen. De adviezen in kwestie hadden – voor verdachte kenbaar en objectief onmiskenbaar - de strekking dat dat zo gebeurde. Onjuist is de gedachte (waarvan de verdediging lijkt uit te gaan) dat verdachten tot het moment waarop het CBB zijn visie gaf in de verschillende zaken in redelijkheid anders konden en mochten menen. Onjuist is ook dat verdachte zich kon laten leiden door de Meststoffenwet en de daarop ontwikkelde rechtspraak. De Whv brak (van meet af aan en zelfs tevoren kenbaar) rigoureus met die wet, leverde wezenlijk nieuwe regelgeving op het punt waarom het in deze zaak gaat en dat was meteen al vanaf de aankondiging van de Whv kenbaar en werd dat zeker gaandeweg. Verdachte kan zich daarom niet met succes beroepen op deze adviezen. Van rechtsdwaling is daarom geen sprake.

Lex-certa

21. Naar het oordeel van de verdediging verzet het ‘lex certa’-beginsel zich ertegen dat bij de uitleg van een strafbepaling rekening gehouden moet worden met de voor de justitiabele niet dan wel moeilijk kenbare en veelal multi-interpretabel bedoeling van de wetgever.

22. Het EHRM heeft uitgemaakt dat aan het ‘lex-certa’-vereiste is voldaan, indien het individu met behulp van de wettekst en de daarop betrekking hebben jurisprudentie kan voorzien welk gedrag strafbaar is. Van de wetgever mag worden verlangd dat hij met het oog daarop op een zo duidelijk mogelijke wijze delicten omschrijft. Daarbij moet niet uit het oog worden verloren dat de wetgever soms met een zekere vaagheid, bestaande in het gebruiken van algemene termen, delicten omschrijft om te voorkomen dat gedragingen die strafwaardig zijn buiten het bereik van de delictsomschrijving vallen. In dit verband verdient nog opmerking dat van een persoon kan worden gevergd dat hij juridisch advies inwint als aan bepaalde gedragingen of handelingen een risico verbonden is . Dat betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat een strafbaarstelling te vaag of onbepaald is om aan het bepaalde in art. 7 EVRM waarop dat beginsel is terug te voeren te voldoen. In deze zaak doet zich een dergelijk geval niet voor ook als daarbij wordt betrokken dat de uitvoeringspraktijk niet van meet af aan steeds even duidelijk is geweest. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder het kopje ‘opzet’ is overwogen omtrent [rechtspersoon 1] en hetgeen binnen die kring is beraadslaagd en beslist.

23. Het is, zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, niet aannemelijk dat de leden van [rechtspersoon 1] in redelijkheid hebben kunnen menen dat hen varkensrechten toekwamen, wanneer zij niet al in het jaar 1995 of 1996 feitelijk varkens hadden gehouden of concrete plannen daartoe hadden.

Tijdelijke opschorting in kort geding van (onderdelen van) de Whv

24. Een van de verweren is dat betekenis toekomt aan het feit dat de voorzieningenrechter in de Rechtbank Den Haag op 23 februari 1999, in een kort geding door de Nederlandse Vereniging van Varkenshouders (NVV) aangespannen tegen De Staat, heeft bevolen dat De Staat belangrijke en hier relevante gedeelten van de Whv buiten toepassing moest laten. Daarvan werd door De Staat geappelleerd. Het Ministerie van LNV besloot vervolgens om zich ook waar het de niet bij de NVV aangesloten varkenshouders betreft in afwachting van het hoger beroep naar die uitspraak te voegen. Dat kortgedingvonnis sneuvelde op 20 januari 2000 in hoger beroep. Het hof ziet niet dat deze tijdelijke opschorting voor de uitkomst van deze zaak gevolgen behoort te hebben. Vastgesteld moet worden dat [rechtspersoon 1] en de varkenshouders in kwestie vóór genoemde datum (in 1998) al doende waren en ná 20 januari 2000 bezig bleven met een contractuele relatie waarvan zij moesten weten dat het hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat deze voor de varkens in kwestie tot (alsnog te erkennen) varkensrechten zou leiden. Ook bekend moet zijn geweest dat De Staat niet berustte in die uitspraak in kortgeding, die overigens betrekking had op varkenshouders en niet op akkerbouwers die voor 10 juli 1997 nog geen varkens hielden en dat nadien, zoals uit hetgeen hiervoor werd overwogen blijkt, ook niet echt deden. Het is niet gesteld of gebleken dat [rechtspersoon 1] enerzijds en de betrokken varkenshouders anderszijds tussen 23 februari 1999 en 20 januari 2000 in een vertrouwen dat zij aan dat kortgedingvonnis konden en mochten ontlenen tot nieuwe of andere wezenlijke en voor hun samenwerking bepalende elementen hebben besloten. Die uitspraak in het kort geding gaf verdachten, ook niet na 23 februari 1999 alsnog de ruimte om te realiseren wat zij in hun samenwerking met de varkenshouders beoogden en ondernamen en zeker niet om daar na 20 januari 2000 mee door te blijven gaan. En, omgekeerd, de varkenshouders evenmin. De gedachte dat het anders was levert, voor zover die gedachte bij verdachte heeft geleefd, geen geslaagd beroep op rechtsdwaling op.

Verdachte is strafbaar, nu ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

25. Door de verdediging is aangevoerd dat de berechting van verdachte niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en dat deze schending een grond is voor strafvermindering ex artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

26. Het moment waarop de redelijke termijn is aangevangen is (voor de akkerbouwers) te stellen op 10 september 2002 toen het merendeel van de in deze zaak betrokken verdachten ter zake van het bewezenverklaarde is aangehouden en in verzekering gesteld .

27. Met betrekking tot de akkerbouwers geldt het volgende. In 1999 is de AID het zogeheten [onderzoek 1] gestart naar soortgelijke samenwerkingsverbanden als in deze zaak aan de orde. Dat er ten aanzien van verdachte of [rechtspersoon 1] in de [onderzoek 1] onderzoekshandelingen zijn verricht die het beginpunt van bedoelde termijn opleveren kan het hof niet zien en er is geen aanleiding om te veronderstellen dat dat het geval is geweest.

28. In 1999 werd eveneens een onderzoek ingesteld naar de pluimveebedrijven van [persoon 1] te [plaats 7] en [plaats 8], twee bedrijven die er in deze zaak, waar het immers om varkensrechten gaat, verder niet toe doen. In het kader van die onderzoeken heeft bij de verdachte [verdachte] en [verdachte 7] (de voorzitter resp. secretaris van [rechtspersoon 1]) in oktober 2000 een doorzoeking plaatsgevonden en werd de verdachte [verdachte 8] gehoord. Bij dat onderzoek ging het om gierlozingen bij “de kippenstal stal in [plaats 7]” .

29. De stelling is dat deze onderzoeken of in elk geval de onderzoekshandelingen die daarbij te pas kwamen ten aanzien van de genoemde verdachten, in feite betrekking hadden op [rechtspersoon 3] i.o. dan wel [rechtspersoon 1]. Deze stelling, die in feite een veronderstelling is gebleven, is onvoldoende om waar het om deze (varkensrechten) zaak gaat het beginpunt van de redelijke termijn voor hen ([verdachte], [verdachte 7] en [verdachte 8]) of voor de andere leden van [rechtspersoon 1] daar te markeren: deze gebeurtenissen leverden geen omstandigheden op waaraan zij de redelijke verwachting konden ontlenen dat zijn voor het feit dat thans aan de orde is zouden worden vervolgd. Dat de AID in een aantal zaken tegen hen gebruik gemaakt heeft van in januari 2000 onder KPMG in beslaggenomen bescheiden, leidt niet tot een ander oordeel. Voor de verdachten die geen lid waren van [rechtspersoon 1] geldt dat net zo.

30. Verdachte is in deze zaak door de rechtbank Den Bosch op 27 april 2005 veroor¬deeld. Tegen dit vonnis is namens verdachte op 9 mei 2005 hoger beroep ingesteld . Op 4 oktober 2006 heeft het gerechthof Den Bosch arrest gewezen. Zowel de advocaat-generaal als verdachte hebben medio oktober 2006 beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 12 mei 2009 heeft de Hoge Raad de zaak verwezen naar dit hof.

31. De afwikkeling van deze zaak heeft niet plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in de door de verdediging aangehaalde verdragsbepa¬ling, maar dat vindt mede zijn oorzaak in de omvang van de zaak, in de complexiteit van de materie en in het gevoerde verweer. Er is echter op twee punten sprake van schending van het recht op berechting binnen een redelijke termijn waarmee het hof ten gunste van verdachten rekening zal houden. Tussen de datum van de inverzekeringstelling en de datum van het vonnis in eerste aanleg ligt immers een periode van ruim 30 maanden. De periode tussen het instellen van het beroep in cassatie en de datum van het arrest van de Hoge Raad is (eveneens) ruim 30 maanden. Er is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van in totaal 12 maanden.

32. De ernst van de feiten wordt in het bijzonder bepaald door de omstandigheid dat er een – voor het milieu schadelijke- uitbreiding van de hoeveelheid geproduceerde mest heeft plaatsgevonden die door de wetgever ter uitvoering van voorschriften van de Europese Gemeenschap niet is gewild. De omvang hiervan verschilt per aan het samenwerkingsverband deelnemende akkerbouwer al naargelang van de omvang van diens bedrijf. Dat verschil is door de advocaat-generaal gekozen als aanknopingspunt voor de geëiste straf en voor het hof (inderdaad) een bruikbaar vertrekpunt. Daarbij tekent het hof aan dat de verdediging van verdachte weliswaar jaarstukken heeft overgelegd die betrekking hebben op verdachte en zijn bedrijf maar daaraan verder geen duidelijke strafmaatverweren heeft vastgeknoopt die voor het hof aanleiding geven om van dat vertrekpunt af te wijken. Het soort sanctie als is geëist (een onvoorwaardelijke geldboete) is passend bij een delict als het bewezenverklaarde.

33. Bij de vaststelling van de hoogte van de op te leggen boete neemt het hof (verder) ten voordele van verdachte in aanmerking:

i. de akkerbouwers hebben, naar aangenomen moet worden in elk geval aanvankelijk, getracht zorgvuldig te werk te gaan door het advies in te winnen van adviseurs van wie zij dachten dat zij over kennis van zaken beschikten voor het opzetten van een samenwerkingsverband dat de toets van de kritiek kon doorstaan;

ii. het is aannemelijk of valt althans niet uit te sluiten dat de akkerbouwers destijds verkeerden in een zodanige economische toestand dat verbreding van de werkzaamheden voor het voortbestaan van hun bedrijven van belang was;

iii. sinds de feiten is veel tijd verstreken waarbij het hof verwijst naar rechtsoverweging 24 en volgende;

iv. verdachten zijn door de AID stevig aangepakt. Zij zijn op een enkeling na aangehouden, naar verschillende politiebureaus betrekkelijk ver van hun woonplaats afgevoerd, in verzekering gesteld en enkele dagen vastgehouden. Ook zonder dat hier heel specifiek behoeft te worden ingegaan hoe dat voor verdachte ligt, kan worden vastgesteld dat deze aanpak, ook op de enkele verdachte voor wie die niet of niet zo sterk geldt zijn weerslag zal hebben gehad, alleen al omdat de verdachten zich als groep door deze gang van zaken ernstig gecriminaliseerd zullen hebben gevoeld.

34. Het hof zal in het bijzonder ook met dit laatste ernstig rekening houden en dat zal tot forse lagere straffen leiden dan werden gevorderd. Aan de overschrijding van de redelijke termijn verbindt het hof een vermindering van de straf met 10%.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 15 van de Wet herstructurering varkenshouderij.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 426,00 (vierhonderdzesentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr B.P.J.A.M. van der Pol, voorzitter,

mr P.A.H. Lemaire en mr J.A.W. Lensing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit, griffier,

en op 4 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.