Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM3176

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
29-04-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
24-000543-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling ter zake het medeplegen van diefstal met braak uit een woning, tweemaal, en ter zake van een poging daartoe.

Straf: gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden (met aftrek). Verdachte is eerder veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. Verdachte liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog in een proeftijd. Het hof volstaat met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000543-06

Parketnummer eerste aanleg: 07-607613-05 en 07-290017-04 (tul)

Arrest van 29 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 februari 2006 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1985] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. B. de Haan, advocaat te Lemmer.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, een maatregel opgelegd en op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij beslist. Voorts heeft de politierechter op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarnaast heeft zij gevorderd dat de vordering tot tenuitvoerlegging zal worden toegewezen en de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk zal worden verklaard.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg - ten laste gelegd, dat:

1.

zij op of omstreeks 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan de [adres] gelegen woning heeft weggenomen een stereotoren (merk Aiwa) en/of een twee speakers (merk Aiwa) en/of een DVD-speler (merk LG) en/of twee speakers (merk LG) en/of een satelliet (merk Humax) en/of een afstandsbediening (merk Humax) en/of een videorecorder (merk Aiwa) en/of een afstandsbediening (merk Aiwa) en/of een koptelefoon, in elk geval enig goed en/of een geldbedrag, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

2.

zij op of omstreeks 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan de [adres] gelegen woning weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of die/dat weg te nemen geld en/of goed(eren) onder haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, met een of meer van haar mededader(s), althans alleen naar die woning is/zijn toegegaan en/of een of meer ruiten van die woning heeft/hebben ingegooid en/of door de aldus ontstane opening naar binnen is/zijn geklommen en/of die woning heeft/hebben doorzocht, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op of omstreeks 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een aan de [adres] gelegen woning heeft weggenomen een digitale videocamera (merk JVC) en/of een DVD-recorder (merk Philips), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), waarbij verdachte en/of haar mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

zij op 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres] gelegen woning heeft weggenomen een stereotoren (merk Aiwa) en twee speakers (merk Aiwa) en een DVD-speler (merk LG) en twee speakers (merk LG) en een satellietontvanger (merk Humax) en een afstandsbediening (merk Humax) en een videorecorder (merk Aiwa) en een afstandsbediening (merk Aiwa) en een koptelefoon, toebehorende aan [benadeelde], waarbij verdachte en haar mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak;

2.

zij op 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres] gelegen woning weg te nemen geld en/of goed(eren) van zijn/hun gading, toebehorende aan [slachtoffer 1], door middel van braak en inklimming, met haar mededader naar die woning is toegegaan en een ruit van die woning heeft ingegooid en door de aldus ontstane opening naar binnen is geklommen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

zij op 12 december 2005 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een aan de [adres] gelegen woning heeft weggenomen een digitale videocamera (merk JVC) en een DVD-recorder (merk Philips), toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte en haar mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2.

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 12 december 2005 samen met een ander schuldig gemaakt aan twee inbraken en een poging daartoe. Verdachte is met haar medeverdachte de woningen van [benadeelde] en [slachtoffer 2] binnengedrongen en zij hebben een grote hoeveelheid goederen uit deze woningen weggenomen. Voorts hebben zij getracht geld en/of goederen uit de woning van [slachtoffer 1] weg te nemen, maar doordat verdachte werd overlopen is het niet tot voltooiing van de diefstal gekomen.

Dergelijke strafbare feiten veroorzaken hinder, schade en ergernis voor de slachtoffers. Naar algemeen bekend is, kunnen met name de slachtoffers van een woninginbraak hiervan lang nadelige gevolgen ondervinden, nu zij zich in een voor hun vertrouwde omgeving niet langer veilig voelen. De verdachte heeft kennelijk enkel en alleen gehandeld vanuit het oogpunt van financieel gewin en heeft er blijk van gegeven weinig respect te hebben voor de eigendomsrechten van een ander.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 1 februari 2010. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten, maar dat zij thans geruime tijd niet meer met politie en justitie in aanraking is gekomen. Verdachte liep ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog in een proeftijd.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf - zoals opgelegd door de rechter in eerste aanleg en gevorderd door de advocaat-generaal - een passende en noodzakelijke bestraffing is.

Het hof constateert dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM. Voorts neemt het hof in aanmerking dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die een tijdsverloop van meer dan twee jaren kunnen rechtvaardigen. Nu het hof een gevangenisstraf zal opleggen, welke waarvan de duur gelijk is aan de periode die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, volstaat het hof met de constatering dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij, [benadeelde], zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat de vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat de benadeelde partij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

De verdachte heeft de vordering ter terechtzitting in hoger beroep betwist.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij niet eenvoudig van aard is. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Tenuitvoerlegging (07-290017-04)

Bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 25 mei 2004 is verdachte veroordeeld tot onder meer jeugddetentie voor de duur van 3 maanden, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Gebleken is dat voormeld vonnis op 15 juni 2004 onherroepelijk is geworden en dat op diezelfde datum de proeftijd is ingegaan.

De officier van justitie heeft d.d. 18 januari 2006 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormelde jeugddetentie van 3 maanden, omdat verdachte zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan een of meer strafbare feiten.

De advocaat-generaal heeft ter zitting gevorderd dat het hof de vordering tot tenuitvoerlegging zal toewijzen en voormelde jeugddetentie van 3 maanden zal omzetten in een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, met aftrek.

Gebleken is dat verdachte de hiervoor bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van voormelde proeftijd. Het hof is dan ook van oordeel, dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde jeugddetentie.

Gelet op hetgeen hiervoor in de strafmotivering is overwogen en gelet op de uitspraak van de politierechter en de vordering van de advocaat-generaal acht het hof echter termen aanwezig om de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van deze straf te gelasten, te weten een jeugddetentie voor de duur van zes weken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14g, 45, 57, 63, 77dd en 310, 311, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van het geding door de verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;

gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de aan veroordeelde bij vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 25 mei 2004 voorwaardelijk opgelegde straf, te weten:

jeugddetentie voor de duur van zes weken.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.M.E. Laméris-Tebbenhoff Rijnenberg, voorzitter, mr. J. Hielkema en mr. E. Pennink, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. E. Pennink buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.