Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM3158

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-05-2010
Datum publicatie
03-05-2010
Zaaknummer
21-003518-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2009:BJ6880, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vrijspraak machinist van de goederentrein voor wat betreft het treinongeluk dat plaatsvond tussen de goederentrein en een passagierstrein te Arnhem op het traject Utrecht/Emmerich.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003518-09

Uitspraak d.d.: 3 mei 2010

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

4 september 2009 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats]op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats], [adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 april 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw, mr. K. Versteeg, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een ander oordeel komt ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde.

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 21 november 2006 te Arnhem, in de gemeente Arnhem,

terwijl hij, verdachte geen wegbekendheid had voor het treintraject en/of

baanvak Utrecht-Emmerich en/of wist, althans kon weten dat hij niet bevoegd

was om als machinist, zelfstandig met een goederentrein over dat

treintraject/baanvak te rijden, met een goederentrein (342377) over de/het

spoor/sporen 23, 5a en/of 5b van dat traject Utrecht-Emmerich, zijnde een

hoofdspoorweg, in de richting van station Zevenaar heeft gereden en/of toen

hij, verdachte, rijdende over die/dat spoor/sporen, twijfelde of de/het

sein/en1200, 1202, 1238 en/of 1240 wel voor hem, verdachte bestemd was/waren

niet met die goederentrein (342377) is gestopt en/of geen contact heeft

opgenomen met de (plaatselijke) treindienstleider en/of terwijl hij, verdachte

op een afstand van ongeveer 435 meter, althans op grote afstand, het/de

stoptonende sein/en 1238 en/of 1240, welk/e sein/en rood licht uitstraalde/n,

had waargenomen, niet ingevolge het gestelde in artikel 65 lid 2 van de

Spoorwegwet, die/dat sein/en 1238 en/of 1240 in acht heeft genomen en/of niet

ingevolge artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling

Spoorverkeer, behorend bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer, met die

goederentrein (342377) voor dat/die sein/en is gestopt en/of met die

goederentrein (342377) is doorgereden en/of met een snelheid gelegen tussen de

15 en 26 kilometer per uur de wisselstraat ter hoogte van wissel 1237 is

opgereden en/of met die goederentrein (342377) frontaal, althans nagenoeg

frontaal is gebotst tegen en/of in aanrijding is gekomen met een

reizigerstrein (7632), welke reizigerstrein vanaf spoor 957 doende was die

wissel over te rijden in de richting van spoor 4, waardoor het aan zijn,

verdachtes schuld te wijten is dat gevaar is ontstaan voor het (trein)verkeer

door mechanische kracht over voormelde spoorweg.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 november 2006 te Arnhem, in de gemeente Arnhem, als

machinist van een goederentrein (342377), daarmee rijdende over spoor 5a en/of

spoor 5 b, niet ingevolge het gestelde in artikel 65 lid 2 van de Spoorwegwet,

de/het stoptonend/e sein/en 1238 en/of 1240, welk/e sein/en rood licht

uitstraalde/n in acht heeft genomen, door niet ingevolge het gestelde in

artikel 1 onder punt 1.1 nummer 215 van de bijlage 4 van de Regeling

Spoorverkeer, behorend bij artikel 24 van de Regeling Spoorverkeer, met die

goederentrein (242377) voor dat/die sein/en te stoppen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

- De feiten

Het hof heeft in navolging van de rechtbank de volgende feiten vastgesteld.

Verdachte reed op 21 november 2006 te Arnhem zelfstandig met een goederentrein met nummer 34237 over het treintraject/baanvak Utrecht/Emmerich. Verdachte reed bij treinstation Arnhem over spoor 23 en vervolgens over de sporen 5a en 5b. Deze sporen vormen een hoofdspoorweg in de richting van station Zevenaar. Toen verdachte over de genoemde sporen reed, twijfelde verdachte of de geel licht uitstralende seinen 1200 en 1202 voor hem bestemd waren. Bij het daaropvolgende stoptonend rode sein 1238 twijfelde verdachte daarover opnieuw. Verdachte is toen met de goederentrein (342377) niet gestopt en heeft geen contact met de treindienstleider opgenomen. Voor het sein 1202 heeft verdachte in verband met zijn twijfel geremd, zodat de snelheid van de door hem bestuurde trein ter hoogte van dat sein ongeveer 28 kilometer per uur bedroeg. Bij het passeren van sein 1202 keek verdachte weer naar de rijweg, en zag het stoptonend sein 1238. Verdachte heeft voor het sein 1238 aanvankelijk geremd in de volremstand, daarna de beremming ietwat losgelaten in de veronderstelling dat het sein niet voor hem gold, maar kort daarop – toen verdachte onderkende dat het sein 1238, dat op dat moment rood licht uitstraalde, toch voor hem bestemd was – heeft hij maximaal geremd. Dit heeft niet kunnen voorkomen dat zijn trein niet voor sein 1238 tot stilstand is gekomen, maar de wisselstraat ter hoogte van wissel 1237 is opgereden. Daar is verdachte nagenoeg frontaal gebotst op een reizigerstrein (7632). Deze reizigerstrein was op dat moment bezig de wissel over te rijden in de richting van spoor 4.

- Standpunt advocaat-generaal en raadsvrouw

De advocaat-generaal is, kort gezegd, van oordeel dat sprake is van onvoorzichtigheid van verdachte, waardoor gevaar is veroorzaakt op het spoor. Het primair tenlastegelegde is daardoor wettig en overtuigend te bewijzen.

De raadsvrouw heeft, kort gezegd, bepleit dat vrijspraak moet volgen voor het primair ten laste gelegde. Er is volgens de raadsvrouw geen sprake van schuld als bedoeld in artikel 165 van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof zal achtereenvolgens de volgende volgende elementen van de verweten gedragingen bespreken: wegbekendheid, stoppen, contact opnemen met de treindienstleider en waarnemen.

De standpunten van de advocaat-generaal en de raadsvrouw zullen hieronder per onderwerp nader worden toegelicht.

- Wegbekendheid

De advocaat-generaal heeft op de zitting ten aanzien van het begrip wegbekendheid het volgende naar voren gebracht.

In artikel 24 lid 2 onder a, van het Besluit Spoorwegpersoneel, is gesteld “De in het eerste lid bedoeld kennis en bekwaamheid betreft:

a voor de uitoefening van de functie van machinist: - wegbekendheid met het traject of de trajecten waarop hij als machinist wordt ingezet.”

Artikel 25 van voormeld Besluit gaat uit van een toetsing van specifieke, taakgebonden en bedrijfsgebonden kennis en bekwaamheid van vorenstaande personen, die een veiligheidsfunctie uitoefenen, wat impliceert dat de in artikel 38 met de vakinhoudelijke leiding belaste personen de kennis van vorenstaande bij hun in dienst zijnde personen dienen te toetsen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat als gevolg van genoemd artikel 24 lid 2 onder a, van het Besluit Spoorwegpersoneel verdachte, als machinist zelf verantwoordelijk was voor het verkrijgen van informatie over het door hem te rijden traject Utrecht-Emmerich.

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de wegbekendheid, voor zover van belang, de volgende punten naar voren gebracht.

a) de eis van wegbekendheid is verwoord in het Besluit Spoorwegpersoneel, artikel 24 lid 2 sub a;

b) een definitie van het begrip wegbekendheid in de wet wordt niet gegeven;

c) uit de Nota van Toelichting volgt dat de overheid op dit gebied “geen concrete eisen per bedrijf of per situatie kan en wil formuleren” (Staatsblad 2004, 664, p. 19);

d) dit wordt bevestigd door de Legal counsel (mr. Bennebroek) van ERS die bij de rechter-commissaris verklaart dat de “werkgever moet beoordelen of de machinist wegbekendheid heeft”;

e) uit artikel 25 Besluit Spoorwegpersoneel volgt dat de vakinhoudelijk leidinggevende oordeelt of sprake is van de vereiste taakgebonden en bedrijfsgebonden bekwaamheid (te weten (o.a.) wegbekendheid);

f) in casu is tegen cliënt gezegd dat hij met betrekking tot het traject Utrecht-Emmerich v.v. in het kader van de wegbekendheideisen één maal heen en één maal terug zou moeten rijden en dat hij geen examen zou behoeven doen;

g) gezien de ervaring van cliënt en de lengte van het traject (slechts drie kwartier) was dit geen ongebruikelijke eis;

h) zo’n vijf maanden geleden voor het incident cliënt wegbekendheid heeft opgedaan op het traject Utrecht –Emmerich, waardoor hij – wat de heenweg betreft – voldeed aan de eisen die ERS met betrekking tot dit concrete traject aan hem stelde.

Het hof overweegt het volgende. De wegbekendheid is een vereiste voor het bevoegd besturen van een goederentrein over een traject. Voor de te stellen eisen aan het verwerven van die wegbekendheid is echter geen regelgeving vastgesteld, anders dan dat ingevolge artikel 25 van het Besluit Spoorwegpersoneel een vakinhoudelijk leidinggevende de specifiek taakgebonden en bedrijfsgebonden bekwaamheid dient te beoordelen.

Dit brengt met zich dat het aan een vakinhoudelijk leidinggevende van verdachte was om te

bepalen welke eisen gesteld werden aan de wegbekendheid van verdachte, die benodigd was voor de bevoegdheid om met een goederentrein over het traject Utrecht-Emmerich te rijden. In dit geval heeft de leidinggevende, klaarblijkelijk aan verdachte als eis gesteld eenmaal onder begeleiding heen en terug te rijden.

Het hof constateert dat verdachte maar ten dele heeft voldaan aan de hem voor wat betreft de wegbekendheid gestelde eis. Verdachte had immers het traject Utrecht-Emmerich wel, maar het traject Emmerich-Utrecht nog niet onder begeleiding van een collega gereden. Aangezien de door zijn leidinggevende gestelde eis inhield dat verdachte het traject in beide richtingen had afgelegd, alvorens hij bevoegd was zelfstandig een (goederen)trein op dit traject te besturen, was zijn bevoegdheid in die zin onvolkomen.

Vooropstaat dat het voorschrift, dat de machinist eerst bij voldoende wegbekendheid bevoegd is een trein op een hoofdspoorweg te besturen zich richt tot de machinist.

Alvorens de machinist daadwerkelijk een (goederen-)trein op een bepaald traject bestuurt, dient hij zich rekenschap te geven van zijn bevoegdheid, mede gelet op zijn wegbekendheid. Verdachte heeft verklaard dat hij zich, toen hij onverwacht door bijzondere omstandigheden werd ingedeeld op het traject Utrecht-Emmerich, in verband met zijn bevoegdheid, rekenschap heeft gegeven van zijn verantwoordelijkheid op dit traject over voldoende wegbekendheid te beschikken. Daarbij heeft hij in aanmerking genomen het feit, dat hij het traject Utrecht-Emmerich al eerder onder begeleiding had gereden, alsmede het gegeven dat hij in het kader van de rittenplanning als bevoegd – en dus wegbekwaam – geregistreerd stond, omdat hij immers bij gebreke van die registratie niet op dit traject ingeroosterd had mogen worden.

Het hof overweegt daaromtrent dat de registratie, alsmede de omstandigheid dat de inroostering ook overigens voldeed aan de maatstaven van de normale bedrijfsvoering, niet afdoet aan zijn eigen verantwoordelijkheid in te staan voor zijn wegbekendheid.

Verdachte heeft zich aldus op niet geheel juiste gronden bevoegd geacht op het betreffende treintraject/baanvak een (goederen-)trein te besturen.

- Stoppen

De advocaat-generaal heeft ten aanzien van het stoppen, kort gezegd, betoogd dat gelet op het feit dat verdachte heeft aangegeven in zijn verklaringen dat hij de seinen heeft waargenomen, hij de snelheid van de trein zodanig had moeten terugbrengen dat deze voor het eerstvolgende rode sein tot stilstand had kunnen komen. Op het moment dat verdachte in verwarring was over welk sein voor hem was, had hij de trein tot stilstand moeten brengen.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit punt, onder meer, het volgende betoogd:

a. Met betrekking tot twijfelmoment 1 (aanrijdend op het gele sein 1202) geldt dat cliënt kon doorrijden en niet behoefde te stoppen (het sein was immers geel). Deze feitomschrijving van de tenlastelegging kan weliswaar worden bewezen, maar levert geen normschending op – daargelaten of überhaupt sprake is van een norm. Derhalve draagt deze vermeende schending niet bij aan het bewijs van de culpa;

b. Met betrekking tot twijfelmoment 2 (bij de passage van het gele sein 1202 en aanrijdend op het rode sein 1238) geldt dat cliënt is gestopt, althans is begonnen met stoppen, maar niet tijdig tot stilstand is gekomen voor het rode sein. Dit laatste zou ook niet hebben gekund gezien het feit dat het laatste gele sein 1202 binnen remwegafstand stond van het rode sein. Deze feitelijke omschrijving in de tenlastelegging met betrekking tot twijfelmoment 2 kan niet worden bewezen.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte heeft op 4 december 2006 onder meer het volgende verklaard: “Vanaf het eerste gele sein heb ik afgeremd naar 40 km/u, bij geel (sein 1076) reed ik nog steeds 40 km/u. Vervolgens zag ik in de verte, halverwege het perron, twee seinen boven de sporen hangen (1202 en 1200), deze seinen toonden beide ‘rood’. Even later werd het rechtersein ‘geel’. De seinen hingen voor mijn gevoel redelijk ver uit elkaar, ik vond het rechtersein (1202) meer naar het rechterspoor (spoor 4) hangen. Ik dacht dat dit sein (1202) voor het spoor rechts naast mij was. Even later kwam ik tot de conclusie dat het rechtersein voor mij was. Het rode sein dat ik in de verte zag bij de bocht leek bij het rechterspoor (4) te horen en ik dacht dat dit ‘rode’ sein niet voor mij was.

Vanwege deze onoverzichtelijkheid, heb ik ongeveer 50-60 meter voor het hoog hangende sein (1202) de treinrem bediend in de eerste gemarkeerde remstand, maar het zou ook kunnen dat ik remstand 2 en verder heb gebruikt, dat weet ik niet meer zeker.”

Uit deze verklaring volgt dat verdachte bij het binnenrijden van het station zowel de seinen 1200 en 1202 als een verderop staand sein (1238 of 1240) heeft waargenomen. De positionering van de seinen 1200 en 1202 leidde op dat ogenblik tot verwarring. Het verderop geplaatste sein 1238 of 1240 heeft verdachte aanvankelijk verkeerd geïnterpreteerd.

Verdachte heeft op zitting van het hof op 19 april 2010 echter het volgende verklaard: “Ik heb het stoptonende sein (1238) pas gezien op het moment dat ik de seinen 1200/1202 al gepasseerd was.” Deze verklaring zou betekenen dat verdachte het stoptonende sein 1238 pas op veel kortere afstand heeft waargenomen, namelijk onmiddellijk nadat hij de seinen 1200/1202 reeds was gepasseerd. Verdachte heeft het feit dat hij sein 1238 pas na het passeren van 1200/1202 zag, verklaard door te wijzen op de verwarring die bij hem bij benadering van de seinen 1200/1202 is ontstaan over de vraag of deze seinen voor het door hem bereden spoor (5) bedoeld waren.

Gelet op bovenstaande constateert het hof dat verdachte wisselend heeft verklaard over het moment waarop hij het stoptonende sein 1238 heeft waargenomen.

Het hof is van oordeel dat in het midden kan blijven wanneer verdachte het stoptonende sein 1238 precies heeft gezien. Immers het enkele feit dat buiten dit incident het treinverkeer normaliter ongestoord verloopt, brengt met zich mee dat aangenomen moet worden dat verdachte het stoptonend sein 1238 in ieder geval wel tijdig had kúnnen zien. Het feit dat verdachte het sein had kúnnen zien, betekent naar het oordeel van het hof tevens ook dat hij tijdig had kunnen stoppen, zoals ook in de normale treinenloop klaarblijkelijk steeds het geval is geweest. Het feit dat verdachte de door hem bestuurde trein niet tijdig tot stilstand heeft gebracht valt hem te verwijten, echter dat verwijt is niet van een zodanig gewicht dat sprake is van schuld als bedoeld in artikel 165 van het Wetboek van Strafrecht.

Niet iedere (ook lichte) mate van schuld is daarvoor immers toereikend. Voor het bewijs van de in artikel 165 Wetboek van Strafrecht strafbaar gestelde gedraging is vereist dat blijkt dat verdachte tenminste aanmerkelijk onvoorzichtig / onachtzaam heeft gehandeld.

De fout, die verdachte heeft gemaakt, is gelet op het niet in alle opzichten duidelijke seinbeeld ter plaatse, niet van een zodanig gewicht, dat deze als aanmerkelijk kan worden gekenmerkt.

Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het sein 1202 bij het binnenrijden van het station van rood- naar geeltonend versprong, waardoor het idee bij verdachte kon worden versterkt, dat daarin eerder een toestemming tot verder rijden lag besloten dan een opdracht nog krachtiger te remmen dan hij al deed en te rekenen op een stoptonend sein op minder dan de remwegafstand voor het rode sein. De uitvoering en plaatsing van dat stoptonend sein voldeden weliswaar aan de algemene voorschriften, maar de bij haar onderzoek vastgestelde feitelijke omstandigheden hebben de Inspectie Verkeer en Waterstaat desalniettemin gebracht tot het advies met het oog op de veiligheid het sein elders te plaatsen.

Ook laat het hof meewegen dat de grootschalige werkzaamheden aan het station Arnhem, in het kader waarvan precies ter hoogte van en over het sein 1238 een tijdelijke loopbrug was gebouwd, de duidelijkheid van het beeld voor de machinist ongunstig beïnvloedden, evenals het gegeven, dat in afwijking van alle voorafgaande seinen het sein 1238 was uitgevoerd als dwergsein, waarbij bovendien een (niet voorgeschreven, maar de zichtbaarheid bevorderende) achterplaat ontbrak.

- Contact met de treindienstleider

De advocaat-generaal is, kort gezegd, van oordeel dat verdachte, naast het feit dat hij de trein had moeten stoppen, tevens de betreffende treindienstleider had moeten inlichten toen hij in verwarring was over welk sein voor hem bedoeld was.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit punt, onder meer, het volgende naar voren gebracht.

a. Uit het dossier volgt inderdaad dat cliënt geen contact heeft opgenomen met de treindienstleider;

b. Volgens ERS dient een machinist in een onduidelijke situatie te handelen “naar bevind van zaken”, “daartoe behoort de mogelijkheid om snelheid te verminderen. In het uiterste geval kan de machinist besluiten om de trein te laten stoppen en contact op te nemen met de treindienstleider”(proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2008, dossier pagina 256 e.v.)

c. Uit het rapport van IVW en de automatische ritregistratie volgt dat cliënt op het eerste twijfelmoment (seinen 1200 en 1202) de snelheid terugbrengt tot 28 kilometer per uur;

d. Bij het tweede twijfelmoment (na het passeren van sein 1202) zet cliënt de trein in de volremstand;

e. Cliënt heeft dus gehandeld naar bevind van zaken en voor de mogelijkheid gekozen snelheid te verminderen en heeft in zoverre voldaan aan de ongeschreven zorgvuldigheidsnormen;

f. Het “uiterste geval” waarin contact dient te worden opgenomen met de treindienstleider is geen bestendige gedragsregel;

g. Overigens was er op twijfelmoment 2 geen tijd meer om contact op te nemen met de treindienstleider en geldt met betrekking tot twijfelmoment 1 dat een gemiddelde andere machinist geen contact zou hebben opgenomen met de treindienstleider;

h. De beslissing om geen contact op te nemen was redelijk; een fictieve criteriumfiguur zou dit ook niet hebben gedaan;

i. Deze feitomschrijvingen die kunnen worden bewezen, dragen niet bij aan de culpa nu geen sprake is van gedragsregels- of normen;

Subsidiair zijn de normen niet geschonden en kunnen ze ook om deze reden niet bijdragen aan de culpa.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 maart 2008 blijkt dat indien een machinist in een onduidelijke situatie komt en er, zoals in casu, geen regelgeving is, hij als volgt dient te handelen: “Afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de beoordeling daarvan door de machinist, handelt de machinist naar bevind van zaken. Daartoe behoort de mogelijkheid om snelheid te minderen. In het uiterste geval kan de machinist besluiten om de trein te stoppen en contact op te nemen met de treindienstleider.”

Van een verplichting om contact op te nemen met de treindienstleiding kan aldus niet worden gesproken, zelfs niet wanneer de feitelijke omstandigheden zich als een “uiterste geval” zouden laten definiëren.

Het hof is van oordeel dat verdachte bij het binnenrijden van het station het veranderende seinbeeld van de seinen 1200 en 1202 weliswaar niet meteen ondubbelzinnig heeft weten te interpreteren, maar dat hij daaruit ook onmiddellijk consequenties heeft getrokken door zijn trein sterk af te remmen tot ruim onder de toegestane snelheid van 40 km p/u.

Indien en voorzover hij bij het binnenrijden het achterliggend sein 1238 heeft waargenomen heeft hij dat ten onrechte geduid als behorende bij het naastgelegen spoor 4a. Die verkeerde duiding gaf– indien het sein al was waargenomen – op dat moment geen aanleiding tot (uiterste) verwarring en kan dus evenmin reden geven voor de keuze de trein abrupt (vrijwel) tot stilstand te brengen en de treindienstleiding te bellen.

Toen bij het passeren van het sein 1202 een volgend moment van verwarring optrad was het opnemen van contact al helemaal geen optie meer, maar moest de trein vol in de remmen. De vraag of de gemiddelde treinmachinist onder de hiervoor geschetste omstandigheden contact zou hebben opgenomen met de treindienstleiding beantwoordt het hof op grond van het voorgaande ontkennend.

- Waarnemen

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het rode sein op een afstand van ongeveer 435 meter had moeten zien gelet op het onderzoeksrapport van Inspectie Verkeer en Waterstaat d.d. 5 juni 2007.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van dit punt, onder meer, het volgende betoogd:

a. het getal van 435 meter is vastgesteld door een inspecteur die heeft geconcludeerd dat de seinen 1238 en 1240 “vanaf het begin van het perron zichtbaar zijn. Dit is op 435 meter van de seinen”;

b. cliënt heeft niet verklaard op welk moment hij het rode sein heeft waargenomen;

c. uit het verslag van het interview bij IVW volgt dat hij na het passeren van sein 1202 een stoptonend sein waarneemt;

d. sein 1202 op minder dan remwegafstand staat voor het rode sein; de afstand bedraagt niet meer dan 200 meter;

e. de conclusie luidt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat cliënt het sein “op een afstand van ongeveer 435 meter, althans op grote afstand heeft waargenomen”;

f. overigens is opgemerkt dat de inspecteur bij zijn waarneming kennelijk op het perron heeft gestaan en dat uit het dossier geenszins kan worden afgeleid dat het sein 1238 vanaf het spoor (en dus vanuit het oogpunt van de machinist) op minimaal 435 meter zichtbaar is.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Het hof acht, gelet op de verklaringen van verdachte opgenomen onder de hierboven opgenomen paragraafonder het kopje ‘stoppen’, niet bewezen dat verdachte op een afstand van 435 meter, althans op grote afstand, het stoptonende sein 1238 welke sein rood licht uitstraalde heeft waargenomen.

- Conclusie

Samenvattend stelt het hof vast dat verdachte zich op niet in elk opzicht goede grond bevoegd heeft geacht tot het besturen van de trein op dit treintraject/baanvak. Tevens heeft verdachte de trein niet tijdig voor een stoptonend sein tot stilstand gebracht.

Alles afwegend waardeert het hof deze beide verwijten noch afzonderlijk noch in onderlinge samenhang beschouwd van een zodanig gewicht dat daarin een aanmerkelijke schuld aan het primair telastegelegde feit besloten ligt.

Het hof zal verdachte daarvan vrijspreken.

t.a.v. het subsidiair telastelegde feit:

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw heeft ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde betoogd dat het feit is verjaard.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van artikel 70 sub 1 (oud) van het Wetboek van Strafrecht vervalt het recht tot strafvordering door verjaring voor alle overtredingen in twee jaren. De termijn van verjaring vangt aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd (artikel 71 Wetboek van Strafrecht). Elke daad van vervolging stuit de verjaring (artikel 72 Wetboek van Strafrecht).

Het subsidiair tenlastegelegde betreft een overtreding gepleegd op 21 november 2006.

De inleidende dagvaarding voor de zitting bij de rechtbank Arnhem van 21 augustus 2009 is op 13 juli 2009 aan verdachte in persoon uitgereikt. Dit is de eerste daad van vervolging in de onderhavige strafzaak. Aangezien de verjaring niet is gestuit door een daad van vervolging. Het hof concludeert dat het subsidiair tenlastegelegde feit is verjaard.

Op grond van bovenstaande zal een niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten worden uitgesproken voor het subsidiair tenlastegelegde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde niet ontvankelijk in zijn strafvervolging

Aldus gewezen door

mr P.R. Wery, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr M. Kuijer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr K.J.F. Roelofs-van Dinther, griffier,

en op 3 mei 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.