Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM2776

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-04-2010
Datum publicatie
28-04-2010
Zaaknummer
24-002526-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders.

Het hof heeft gelet op de pathologie van verdachte. Het recidiverisico wordt zeer hoog geschat.

Verdachte heeft zich aan diverse misdrijven schuldig gemaakt waaronder mishandeling van een vriendin en bedreigingen van politiefunctionarissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002526-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-600585-09, 07-607106-09 en 07-607122-09

Arrest van 28 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 29 september 2009 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-600585-09, 07-607106-09 en 07-607122-09 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

zonder vaste woonplaats hier te lande,

thans verblijvende in PI Haaglanden - HvB Zoetermeer te Zoetermeer,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. G.I. Roos, advocaat te Almere.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven en een overtreding veroordeeld tot de maatregel ISD en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 5 januari 2010 en 14 april 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 1 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot oplegging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders alsmede de tenuitvoerlegging zal bevelen van de voorwaardelijke opgelegde bijkomende straf bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2007.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd - met overneming van de door de rechtbank verbeterde lezing - dat:

zaak A

2.

hij op of omstreeks 13 november 2008 te [plaats] als degene tegen wie

verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (van het merk

Ford, type Scorpio, met het kenteken [kenteken]) te hebben gehandeld in strijd

met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een

opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet

heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het

onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting gevolg te geven aan alle

door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven

aanwijzingen;

3.

hij op of omstreeks 13 november 2008 in de gemeente [plaats]

terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld

rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, op de weg, [straat], als bestuurder een motorrijtuig, (een personenauto (van het merk Ford, type Scorpio, met het kenteken [kenteken])), van die categorie of categorieën heeft bestuurd;

zaak B

hij op of omstreeks 11 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk

mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), meermalen, althans eenmaal, (met kracht)

- aan de haren van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of (hierbij) haar hoofd naar

achteren heeft getrokken, waardoor zij met haar hoofd tegen de rugleuning

van een bank werd aangeduwd/gedrukt en/of

- de kin van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en/of (vervolgens) in de kin van die

[slachtoffer] heeft geknepen en/of

- die [slachtoffer] bij de schouders heeft vastgepakt en/of (hierbij) een soort

"pootje heeft getackeld", waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en/of

- de polsen van die [slachtoffer] heeft vastgepakt/vastgehouden en/of in de

polsen van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- die [slachtoffer] aan de haren omhoog heeft getrokken en/of

- die [slachtoffer] tegen de borst, in elk geval tegen het lichaam, heeft geduwd

waardoor die [slachtoffer] op de grond viel en/of

- die [slachtoffer] bij de keel/hals heeft gepakt en/of de keel/hals heeft

dichtgedrukt/dichtgeknepen (gehouden),

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

zaak C

1.

hij op of omstreeks 08 april 2009 in de gemeente [gemeente] toen de aldaar

dienstdoende [verbalisant 3] (brigadier politie [plaats]) en/of [verbalisant 4] (brigadier politie [plaats]) verdachte op verdenking van het

overtreden van artikel 426 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking

van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt,

had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten

spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe

over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau te

[plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijn/hun

bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn arm(en) met kracht in een andere

richting te brengen/bewegen dan waarin verbalisanten die trachtten te geleiden

en/of te proberen zijn arm(en) uit de greep van verbalisanten (los) te

halen/trekken;

2.

hij op of omstreeks 08 april 2009 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 4]

(brigadier politie [plaats]) en/of [verbalisant 3] (brigadier politie

[plaats]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[verbalisant 4] en/of [verbalisant 3] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik schiet je door je kankerkop, ik maak jullie af, ik zoek jullie als ik vrij

ben privé op!" en/of "Laat me je goed je kop zien, dan onthoud ik deze en kom

ik zeker bij je langs om je strot eraf te snijden!" en/of "Ik schop jullie

kapot, ik vermoord jullie zeker!", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking;

3.

hij op of omstreeks 09 april 2009 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 6]

(brigadier politie [plaats]) en/of [verbalisant 5] (brigadier politie

[plaats]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht,

althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde

[verbalisant 6] en/of [verbalisant 5] dreigend de woorden toegevoegd: "Ik trek de kop van je

romp, ik maak je dood en je collega ook!" en/of "Ik sla de kop van je romp, ik

maak jullie hartstikke dood!", althans woorden van gelijke dreigende aard of

strekking;

4.

hij op of omstreeks 08 april 2009 in de gemeente [gemeente], een wapen van

categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten een opvouwbaar mes (kleur

zilvergrijs en/of schorpioen opschrift), in elk geval een voorwerp, waarvan,

gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd

aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander

doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en

dat niet onder een van de andere categorieën viel.

Verweer met betrekking tot de rechtmatigheid van het bewijs van de in zaak C onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft ter zitting van het hof aangevoerd dat de aanhouding van verdachte op 8 april 2009 onrechtmatig is geweest. De aanhouding van verdachte heeft plaatsgevonden zonder dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 53 juncto artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. Het nadien verkregen bewijsmateriaal dient naar het oordeel van de raadsman te worden uitgesloten van het bewijs.

Het hof overweegt het navolgende:

Verdachte is op 8 april 2009 aangehouden op verdenking van overtreding van artikel 426 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht.

In het proces verbaal van aanhouding verklaren verbalisanten1:

'Via de portofoon kregen wij van personeel van de centrale meldkamer de melding dat er zojuist een man met een mes had lopen zwaaien in de centrale hal van het NS station te [plaats] waarbij mensen in de omgeving liepen. De verdachte werd intussen in de gaten gehouden door een getuige genaamd [slachtoffer], welke doorgaf hoe de verdachte met het mes was gekleed en welke richting hij op liep.

Wij verbalisanten gingen ten spoedigste ter plaatse.

Wij vernamen inmiddels via de meldkamer dat de verdachte was weggelopen in de richting van de [straat] richting [adres] [plaats].

De verdachte was gekleed in een zwarte broek en droeg een zwart jack, zwarte schoenen en droeg een rode trui. De verdachte zou blank zijn.

Ter hoogte van [adres] bij de flat zagen wij vervolgens een man aan komen lopen.

Wij herkenden meteen deze man. Het betrof de ons ambtshalve zeer bekende [verdachte].

Wij zagen dat hij gekleed was in een zwarte broek, droeg een zwart jack, droeg zwarte gympen, was blank en droeg een rode trui.'

Uit de verklaring van getuige [getuige 1]2 blijkt:

'Op woensdag 8 april 2009 bevond ik mij op het perron te [plaats]. Ik zag dat een man zich vreemd gedroeg en kennelijk agressief was.

Ik zag dat deze man er als volgt uit zag.

Blanke man, rossig stoppelbaardje, gekleed in een zwarte jas met daaronder een rode sweater, een zwarte spijkerbroek en een zwart petje.

Ik zag dat hij een mes pakte. Ik zag dat hij hiermee begon te zwaaien.

Nadat ik telefonisch contact had met de politie had, zag ik dat de man bleef zwaaien met het mes en verder naar beneden liep. Ik zag dat de man het mes weer in zijn binnenzak wegstopte en zijn weg vervolgde richting de [straat]. Ik ben met de politie in contact gebleven en ik heb de man op een afstand gevolgd. Ik zag dat de man in de wijk verdween, direct hierop zag ik dat de politie bij mij was.'

Uit bovenstaande verklaringen leidt het hof af dat sprake is geweest van een aanhouding op heterdaad en er een redelijk vermoeden bestond dat verdachte zich had schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, zodat hij kon worden aangemerkt als verdachte als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof concludeert dat derhalve sprake is geweest van een rechtmatige aanhouding en verwerpt het verweer.

Bewijsverweer met betrekking tot het in zaak B tenlastegelegde feit

Door de raadsman is aangevoerd dat de materiele wederrechtelijkheid ter zake van de tenlastegelegde mishandeling ontbreekt en derhalve geen sprake is geweest van een strafbare mishandeling.

Verdachte stelt dat aangeefster tegen hem heeft gezegd: 'Pak me maar hard aan.'

Er is sprake geweest van stoeihandelingen met wederzijdse instemming.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat het waargenomen (lichte) letsel door een ieder kan zijn veroorzaakt. Aangeefster heeft 2 dagen na het incident aangifte gedaan en de geneeskundige verklaring is opgemaakt 5 dagen na het vermeende incident.

Het hof acht de lezing van verdachte en zijn raadsman niet aannemelijk gelet op het navolgende.

Aangeefster [slachtoffer] 3 heeft onder meer verklaard:

'Ik wilde mijn mobiele telefoon pakken maar [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte [verdachte]) pakte deze van de tafel. Ik probeerde de huistelefoon te pakken. Ik zag dat [verdachte] deze huistelefoon tegen de muur aangooide.

Ik zag kans de politie te bellen op 112. Ik hoorde een stem van een man die het gesprek beantwoordde. Ik heb gauw een paar dingen gezegd tegen die man. Op dat moment pakte [verdachte] de telefoon van mij af.

Ik hoorde [verdachte] tegen mij zeggen, terwijl hij met kracht aan mijn haar trok: wat flik je mij nou, kankerhoer, je kunt voor mij niet ongestraft de politie bellen.

Ik probeerde in de buurt van de telefoon te komen om te bellen voor hulp.

Toen [verdachte] ineens wegliep heb ik de politie gebeld.'

Op 11 februari 2009 is er door hulpofficier van justitie, [hulpofficier], Politie Flevoland, een aanvraag medische informatie gedaan terzake aangeefster.

De geneeskundige verklaring omtrent het letsel van aangeefster houdt in:

1) bloeduitstorting linkerbovenarm 3/3 centimeter;

2) opgezette polsen li=re. nu nog wat gevoelig;

3) spieren van de hals, kaak en borst druk- en bewegingsgevoelig door overstrekking;

4) zuigzoen in hals links.

Herstelduur nu nog één week.

Een letterlijke uitwerking van een drietal gesprekken met de meldkamer naar aanleiding van een 112 melding4. Gelet op de inhoud van gesprek 1 en 3, de daarin voorkomende naam [slachtoffer], bezien in samenhang met de aangifte van [slachtoffer], is het hof van oordeel dat het hier gesprekken betreft welke [slachtoffer] op 11 februari 2009 met de politie te [plaats] heeft gevoerd.

gesprek 1

[slachtoffer]: ik wil graag melding doen van iemand die in mijn woning is

centralist: blijft u aan de lijn

[slachtoffer]: [adres] in [plaats]

centralist: blijft u aan de lijn ik verbind u door

[slachtoffer]: (met verheven stem) ja maar...

gesprek 2

manspersoon: ah was gewoon een burenruzie, dankjewel doei

centralist: hallo

Op de achtergrond is [slachtoffer] te horen. Zij zegt: nou ga maar. Ik heb mijn adres al gezegd er komt al iemand

gesprek 3

[slachtoffer]: ik heb eerder geprobeerd het alarmnummer te bellen. Ik ben een tijdje vastgehouden in mijn eigen huis en bedreigd

Aangeefster begint te huilen

centralist: wil je aangifte tegen hem doen

[slachtoffer]: ja maar ik vind het wel eng (aangeefster praat met emotie van angst in haar stem)

centralist: wat voor bedreigingen heeft hij geuit

[slachtoffer]: ja, slaan.. aan mijn haren trekken .. me trappen

Gezien bovenstaande, met name gelet op de actieve rol van aangeefster om via alarmnummer 112 hulp te zoeken en gelet op de aard van haar letsel, is het hof van oordeel dat geen sprake is geweest van enige toestemming van aangeefster tot het toebrengen van letsel door verdachte. Het beroep op het ontbreken van materiele wederrechtelijkheid wordt dan ook verworpen.

De tenlastegelegde mishandeling kan worden bewezen.

Bewijsverweer met betrekking tot de in zaak C onder 2 en 3 tenlastegelegde feiten

Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte door drie verbalisanten in de boeien werd geslagen en opgesloten in een cel en het daarom feitelijk onmogelijk was voor verdachte om de verbalisanten om het leven te brengen dan wel zwaar te mishandelen.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte gesproken woorden bezwaarlijk anders kunnen worden verstaan dan dat verdachte daarin, gericht tegen verbalisanten, tot uitdrukking heeft gebracht dat hij zodra hij weer vrij zal zijn, de verbalisanten zal ombrengen. De geuite bewoordingen zijn geschikt om vrees aan te jagen. Daaraan doet niet af dat verdachte tijdelijk was ingesloten.

In aanmerking genomen dat verbalisanten zich door de woorden van verdachte bedreigd hebben kunnen voelen, kunnen voormelde feiten worden bewezen.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zaak A

2.

hij op 13 november 2008 te [plaats] als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto (van het merk Ford, type Scorpio, met het kenteken [kenteken]) te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en aan de verplichting gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen;

3.

hij op 13 november 2008 in de gemeente [gemeente], terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorie?n van motorrijtuigen, te weten categorie B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of

categorien was afgegeven, op de weg, [straat], als bestuurder een motorrijtuig (een personenauto van het merk Ford, type Scorpio, met het kenteken [kenteken]), van die categorie of categorie?n heeft bestuurd;

zaak B

hij op 11 februari 2009 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer],

- meermalen aan de haren heeft getrokken en hierbij haar hoofd naar achteren heeft getrokken, waardoor zij met haar hoofd tegen de rugleuning van een bank werd aangeduwd en

- bij de kin heeft vastgepakt en vervolgens met kracht in de kin heeft geknepen en

- bij de schouders heeft vastgepakt en haar hierbij heeft getackeld, waardoor zij op de grond viel en

- bij de polsen heeft vastgepakt/vastgehouden en

- haar aan de haren omhoog heeft getrokken en

- haar tegen de borst heeft geduwd waardoor zij op de grond viel en

- haar bij de keel/hals heeft gepakt en/of de keel/hals heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen (gehouden),

waardoor zij letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Zaak C

1.

hij op 8 april 2009 in de gemeente [gemeente] toen de aldaar dienstdoende [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (beiden brigadier politie [plaats]) verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 426 Wetboek van Strafrecht, op heterdaad ontdekt, hadden aangehouden en vastgegrepen teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten een politiebureau te [plaats], zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hun bediening, door opzettelijk gewelddadig zijn armen met kracht in een andere richting te brengen/bewegen dan waarin verbalisanten die trachtten te geleiden en te proberen zijn armen uit de greep van verbalisanten los te halen/trekken;

2.

hij op 8 april 2009 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 4] en [verbalisant 3] (beiden brigadier politie [plaats]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 4] en [verbalisant 3] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik schiet je door je kankerkop, ik maak jullie af, ik zoek jullie als ik vrij ben privé op!" en "Laat me je goed je kop zien, dan onthoud ik deze en kom ik zeker bij je langs om je strot eraf te snijden!" en "Ik schop jullie kapot, ik vermoord jullie zeker!";

3.

hij op 9 april 2009 in de gemeente [gemeente] [verbalisant 6] (brigadier politie [plaats]) en [verbalisant 5] (brigadier politie [plaats]) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [verbalisant 6] en [verbalisant 5] dreigend de woorden toegevoegd:

"Ik trek de kop van je romp, ik maak je dood en je collega ook!" en "Ik sla de kop van je romp, ik maak jullie hartstikke dood!";

4.

hij op 8 april 2009 in de gemeente [gemeente], een wapen van categorie IV onder 7 heeft gedragen, te weten een opvouwbaar mes (kleur zilvergrijs en schorpioen opschrift), waarvan, gelet op de aard of de omstandigheden waaronder dat voorwerp werd aangetroffen, redelijkerwijs kon worden aangenomen dat dat voor geen ander doel was bestemd dan om letsel aan personen toe te brengen, of te dreigen en dat niet onder een van de andere categorieën viel.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A onder 2 en 3, in zaak B en in zaak C onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op:

de misdrijven

zaak A onder 2: overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

zaak A onder 3: overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

zaak B: mishandeling;

zaak C onder 1: wederspannigheid;

zaak C onder 2 en 3 telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

en de overtreding

zaak C onder 4: handelen in strijd met artikel 27, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Motivering van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders

Het hof is van oordeel dat aan verdachte voor de misdrijven - conform het vonnis van de rechtbank en de vordering van de advocaat-generaal - de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders moet worden opgelegd. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen.

De in zaak B en in zaak C onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten betreffen misdrijven, waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Blijkens het, verdachte betreffend, uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 4 februari 2010 is verdachte in de vijf jaren, voorafgaand aan de door hem begane feiten, negen maal wegens misdrijven onherroepelijk tot vrijheidsbenemende straffen veroordeeld. De onderhavige feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Het hof overweegt voorts dat uit de aard van de in de documentatie vermelde feiten - met name bedreigingen en misdrijven waarbij de lichamelijke integriteit van anderen in het geding is - volgt dat de veiligheid van personen het opleggen van de maatregel eist.

Met betrekking tot het recidivegevaar heeft het hof - behalve op de hiervoor aangehaalde justitiële voorgeschiedenis van verdachte - gelet op hetgeen dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog daarover heeft opgemerkt in zijn rapport van 17 juni 2009, luidende:

"Op basis van eerder psychologisch onderzoek utgevoerd door collega Van Nunen in 2000 is sprake van een laag gemiddelde intelligentie en van een persoonlijkheidsstoornis NAO.

Op basis van de risicotaxatie valt op dat er sprake is van een groot aantal historische items. Er is sprake van eerder gewelddadig gedrag, geweldsincidenten op jeugdige leeftijd, instabiliteit in relaties en problemen in het arbeidsverleden. Evenzo zijn er aanwijzingen voor middelenproblematiek. Er is sprake van problemen in de kindertijd en van een persoonlijkheidsstoornis. Er zijn aanwijzingen voor een gebrek aan zelfinzicht, impulsiviteit en het niet reageren op behandeling.

De risicohanteringsitems laden allen maximaal en indiceren feitelijk dat betrokkene zonder behandeling snel zal terugvallen in nieuw wetoverschrijdend gedrag. Het is niet aannemelijk dat betrokkene zijn plan om niet meer met justitie en/of politie in aanraking te komen zelfstandig en zonder hulp kan realiseren.

Ik schat betrokkene in als een volwassen man bij wie waarschijnlijk sprake is van een ernstige persoonlijkheidsproblematiek.

Uit de aangereikte gegevens is af te leiden dat er regelmatig sprake is van een ernstig gestoorde agressieregulatie. In combinatie met de bekende justitiële gegevens zijn er voldoende aanwijzingen om aan antisociale, narcistische en parano?de trekken te denken. Evenzo zijn er argumenten om te veronderstellen dat sprake is van middelenproblematiek.

Er is sprake van een niet optimale gewetensfunctie.

Gezien de vele veroordelingen is de kans op recidivering, zonder behandeling, als groot te zien.

Duidelijk is dat sprake is van ernstige pathologie en dat sprake is van steeds terugkerende wetoverschrijdingen.

Uit de aangereikte informatie zijn aanwijzingen te halen dat sprake is van een toename in ernst en frequentie van de strafbare feiten.

Gezien de grote kans op recidivering, lijkt behandeling aangewezen en wenselijk, zeker daar waar het agressieregulatie betreft, maar zeker ook van de persoonlijkheidsproblematiek.

Een maatregel met voorwaarden geniet niet de voorkeur omdat betrokkene bij herhaling heeft laten zien zich niet aan voorwaarden te houden en bij herhaling is gebleken dat van een voorwaardelijke straf geen corrigerende werking uitgaat"

en op hetgeen drs. H.A. Gerritsen, forensisch psychiater daarover heeft opgemerkt in zijn rapport d.d. 22 juni 2009, inhoudende:

"Het is aannemelijk dat er bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.

Als structurele persoonlijkheidskenmerken kunnen een gebrekkige gewetensfunctie, een overwaardig zelfbeeld, wantrouwen naar anderen en een sterk gestoorde agressieregulatie worden vermoed. Het is echter niet duidelijk in hoeverre de agressiedoorbraken van betrokkene vooral plaatsvinden onder invloed van middelen en/of ook zonder middelen. Uit de stukken komen aanwijzingen voor het bestaan van overmatig alcoholmisbruik en ook mogelijk drugsmisbruik naar voren.

Gezien de psychopathologie in de zin van een waarschijnlijk aanwezige persoonlijkheidsstoornis en verslavingsproblematiek, de qua omvang enorme justiti?le voorgeschiedenis met vele agressie-incidenten en het niet bereid zijn om zich aan behandeling te onderwerpen is het aannemelijk dat de kans op herhaling op een nieuw agressie-incident aanzienlijk is.

Voor het substantieel verlagen van het recidiverisico lijkt het raadzaam dat betrokkene in behandeling gaat. Deze behandeling zou minstens gericht moeten worden op het verbeteren van de problematische agressieregulatie als structureel kenmerk van de waarschijnlijk aanwezige persoonlijkheidsstoornis en op de waarschijnlijk aanwezige verslavingsproblematiek."

Het omtrent de verdachte uitgebrachte adviesrapport van verslavingszorg Tactus d.d. 3 juni 2009, opgemaakt door P.M. Visser, reclasseringswerker, inhoudende onder meer:

"Op het moment dat betrokkene een ISD maatregel opgelegd krijgt zal eerst een diagnostisch onderzoek bij hem plaats dienen te vinden. Zolang hij zijn medewerking hieraan niet verleent, kan ook niet gewerkt worden aan het opstellen van een passend plan van aanpak. In de praktijk betekent dit dat hij dan twee jaar 'kale' ISD uitzit.

Wij adviseren om betrokkene een ISD maatregel op te leggen ondanks de onduidelijkheid omtrent de eventuele uitkomst daarvan. Mogelijk dat hij bij het opleggen ervan toch 'eieren voor zijn geld kiest' en zijn medewerking gaat verlenen."

Het omtrent verdachte uitgebracht pro justitia rapport van 8 april 2010, opgemaakt door A.G.S. de Ranitz, psychiater, en C.M. van Deutekom, psycholoog, inhoudende onder meer:

"Er is ernstige pathologie, maar niet duidelijk is of deze pathologie geschaard moet worden onder of wel een ziekelijk stoornis dan wel een gebrekkige ontwikkeling.

Los van de stoornis kan op basis van betrokkenes eerdere veroordelingen wegens bedreigingen, wederspannigheid en mishandeling wel worden gesteld dat het risico op gewelddadig gedrag verhoogd is."

Het hof neemt de conclusies uit de hierboven aangehaalde rapportages voor wat betreft de kans op recidive over en maakt die tot de zijne.

Het hof is van oordeel dat op grond van de documentatie van de verdachte en gelet op de inhoud van de uitgebrachte rapporten er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

Oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling acht het hof thans niet in de rede liggend. Op basis van de voorhanden zijnde gegevens komt het hof niet tot het oordeel dat aan het gevaarscriterium, als bedoeld in artikel 37a, eerste lid onder 2, van het Wetboek van Strafrecht, is voldaan.

Alles afwegende is het hof van oordeel dat oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders thans de meest aangewezen wijze van afdoening is. Gelet op het feit dat het hof weliswaar geen uitspraak kan doen over de (mate van) toerekeningsvatbaarheid, doch verdachte in elk geval niet beschouwt als volledig ontoerekeningsvatbaar, vormt de pathologie van verdachte voor die oplegging in beginsel geen contra-indicatie. Ook het feit dat verdachte uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven niet te willen meewerken aan een behandeling staat aan bedoelde plaatsing niet in de weg. De maatregel is immers in de eerste plaats een instrument om (ernstige) overlast door criminaliteit terug te dringen. Het hof ziet voorts geen aanleiding om de maatregel voor een kortere duur op te leggen dan de maximale termijn van twee jaren en evenmin om de door verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd daarop in mindering te brengen. Naast het belang van bescherming van de maatschappij gedurende die periode, neemt het hof in aanmerking dat nakoming van de inspanningsverplichting van de penitentiaire inrichting om verdachte een passende behandeling te bieden, de nodige tijd zal vergen. Het hof acht een tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht wenselijk. De rechtbank Zwolle-Lelystad dient daarom tien maanden na het begin van de tenuitvoerlegging van de maatregel de noodzaak van voortzetting daarvan te beoordelen.

Voor een verder strekkende maatregel ziet het hof, mede gelet op de inhoud van genoemd PBC-rapport, thans nog onvoldoende aanleiding.

Schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel ten aanzien van de bewezenverklaarde overtreding in zaak C onder 4

In de omstandigheid dat het hof de maatregel ISD aan verdachte zal opleggen, ziet het hof aanleiding om ten aanzien van de bewezenverklaarde overtreding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Vordering tot tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2007 is de veroordeelde veroordeeld tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 10 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179 lid 6 van Wegenverkeerswet 1994, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Blijkens het onderzoek ter terechtzitting van het hof is voormeld vonnis onherroepelijk geworden op 15 juni 2007. De proeftijd is op 16 juni 2007 ingegaan.

De officier van justitie heeft op 25 augustus 2009 gevorderd dat last zal worden gegeven tot tenuitvoerlegging van voormeld voorwaardelijk strafdeel, ten aanzien waarvan bij voormeld vonnis het bevel was gegeven, dat dit strafdeel voorwaardelijk niet zou worden ten uitvoer gelegd, op de grond dat de veroordeelde zich voor het einde van voormelde proeftijd heeft schuldig gemaakt aan de thans aan de orde zijnde ten laste gelegde feiten.

Nu gebleken is dat de veroordeelde de thans aan de orde zijnde bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, kan in beginsel de tenuitvoerlegging worden gelast van voormelde ontzegging.

In de omstandigheid dat het hof de ISD-maatregel oplegt aan de verdachte ziet het hof echter aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 38s, 57, 62, 63, 180, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 27 en 54 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 9, 163 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het in zaak A onder 1 tenlastegelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A onder 2 en 3, in zaak B en in zaak C onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A onder 2 en 3, in zaak B en in zaak C onder 1, 2, 3 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

gelast dat verdachte [verdachte] ter zake van het in zaak A onder 2 en 3, in zaak B en in zaak C onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde, wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren;

gelast dat het openbaar ministerie binnen tien maanden na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel de rechtbank Zwolle-Lelystad bericht omtrent de wenselijkheid en de noodzakelijkheid van de voortzetting van de maatregel;

bepaalt dat aan [verdachte] ter zake van de in zaak C onder 4 bewezenverklaarde overtreding geen straf of maatregel wordt opgelegd;

wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 1 juni 2007.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. H.J. Deuring, voorzitter, mr. G. Dam en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma als griffier.

1 een proces-verbaal nr. 2009023512-2 d.d. 8 april 2009, op ambtsbelofte en ambtseed opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden brigadier, basiseenheid [plaats].

2 een proces-verbaal nr. 2009023512-6 d.d. 8 april 2009, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, Basiseenheid [plaats].

3 een proces-verbaal nr. 2009009558-1 d.d. 13 februari 2009, op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar politie Flevoland.

4 een proces-verbaal nr. 2009009558-11 d.d. 27 maart 2009, op ambtseed opgemaakt dor T.W. Hendriks, buitengewoon opsporingsambtenaar, politie Flevoland.