Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM2477

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09-00129
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting.

Houder van auto is aansprakelijk voor gebruik van de weg tijdens schorsing. Wegens afwezigheid van alle schuld wordt de boetebeschikking vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2010/46.12 met annotatie van Redactie
FutD 2010-1136
NTFR 2010/1112 met annotatie van mr. J. Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00129

uitspraakdatum: 13 april 2010

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur),

en het incidentele hoger beroep van

X te Z, (hierna: belanghebbende),

tegen de uitspraak van de rechtbank te Arnhem van 12 maart 2009, nummer AWB 08/3292, in het geding tussen

belanghebbende

en

de Inspecteur.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is als houder van het motorrijtuig met het kenteken AA-BB-00 (hierna: het motorrijtuig) voor het tijdvak 3 april 2007 tot en met 22 januari 2008 een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting opgelegd tot een bedrag van € 1.034. Tegelijkertijd is hem bij beschikking een verzuimboete van 100 percent van de nageheven belasting (derhalve eveneens groot € 1.034) opgelegd.

1.2. Bij zijn in één geschrift vervatte uitspraken van 6 juni 2008 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft bij faxbericht van 16 juli 2008 tegen deze uitspraak beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank).

1.4. De Rechtbank heeft bij voornoemde uitspraak van 12 maart 2009 het beroep van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag ongegrond verklaard en het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaard.

1.5. De Inspecteur heeft bij brief van 14 april 2009, ingekomen bij het Hof op 17 april 2009, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarop bij dit Hof bij faxbericht van 18 augustus 2009 incidenteel hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft het incidentele hoger beroep van belanghebbende beantwoord..

1.6. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 maart 2010 te Arnhem. Daarbij zijn belanghebbende en de Inspecteur ter zitting verschenen en gehoord.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. De feiten

2.1. Volgens de kentekenregistratie van de Rijksdienst voor het Wegverkeer is belanghebbende van 11 maart 2002 tot en met 22 januari 2008 houder geweest van het onder 1.1 genoemde kenteken. Deel I van het kentekenbewijs is op 3 januari 1992 afgegeven.

2.2. Op de controledatum 20 januari 2008 is geconstateerd dat met het motorrijtuig, waarvan de geldigheid van het kenteken op dat moment was geschorst, gebruik werd gemaakt van de openbare weg (a-straat te Q).

2.3. Belanghebbende beweert dat hij het motorrijtuig reeds voorafgaande aan genoemde controledatum, namelijk op 11 januari 2008, telefonisch had verkocht aan een hem onbekende koper (de heer A te Q). Ten tijde van de verkoop stond het motorrijtuig geparkeerd op een met slagbomen afgesloten parkeerterrein. De sleutels van het motorrijtuig zijn eerst op 22 januari 2008 na overschrijving door een vriend van belanghebbende aan de koper overhandigd, tezamen met de bij het motorrijtuig behorende autopapieren.

2.4. De verkoop van het motorrijtuig vond telefonisch plaats omdat belanghebbende wegens werkzaamheden buiten Q verbleef. Volgens de door belanghebbende bij het beroepschrift voor de Rechtbank overgelegde SMS-berichten van 11 januari 2008 was de koper woonachtig of gevestigd aan voornoemde a-straat (nr. 1) en kocht hij het motorrijtuig (voor € 150) uitsluitend met het oog op de onderdelen van het motorrijtuig omdat hij die kon gebruiken voor de reparatie van zijn eigen auto.

2.5. Uit de SMS-berichten komt verder naar voren dat belanghebbende de heer A heeft laten weten dat hij liever niet wilde dat deze het motorrijtuig al zou weghalen van voornoemde afgesloten parkeerplaats. Belanghebbende heeft de koper dan ook verzocht te wachten met ophalen. Hij heeft daarbij geen melding gemaakt van het feit dat de geldigheid van het kenteken op dat moment was geschorst.

2.6. De aan belanghebbende opgelegde boete betreft een verzuimboete in de zin van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), waarop paragraaf 34, onderdeel 2, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998 (tekst 2008 (hierna: BBBB 1998) van toepassing is.

3. Geschil, standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is (in hoger beroep) in geschil of de boetebeschikking terecht is vernietigd en (in incidenteel hoger beroep) voorts of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

3.2. De Inspecteur is van mening dat zowel de naheffingsaanslag als de boete terecht zijn opgelegd. Belanghebbende meent daarentegen dat niet alleen de boetebeschikking maar ook de naheffingsaanslag moet worden vernietigd. Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken.

4. Beoordeling van het geschil

Het incidentele hoger beroep (de naheffingsaanslag)

4.1. De belasting voor een personenauto wordt geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt (artikel 6 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994; hierna: MRB). Als houder van een motorrijtuig wordt aangemerkt degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig is gesteld in het kentekenregister van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (artikel 7, lid 1, onderdeel a, van de Wet MRB).

4.2. Indien, zoals hier, tijdens een voor een motorrijtuig geldende schorsing als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 6, van de Wegenverkeerswet 1994, gebruik van de weg wordt geconstateerd, kan de belasting worden nageheven (artikel 35, lid 1, van de Wet MRB). Deze belasting wordt nageheven van degene op wiens naam het kenteken van het motorrijtuig is gesteld, ook indien het motorrijtuig reeds is verkocht (maar het kenteken nog niet op naam van de koper is overgeschreven) dan wel indien door een derde – al dan niet zonder toestemming van de houder – gebruik is gemaakt van de (openbare) weg.

4.3. De wetgever houdt de houder van een motorrijtuig onder alle omstandigheden aansprakelijk voor de gevolgen die voortvloeien uit de bepalingen van de MRB, daaronder begrepen het tijdens een schorsing gebruik maken van de weg met het motorrijtuig. Het betoog van belanghebbende dat hem geen schuld treft omdat de koper het motorrijtuig tegen zijn wil van een (niet-openbare) parkeerplaats heeft gehaald kan hem daarom niet baten. De naheffingsaanslag is daarom terecht opgelegd.

4.4. Het incidentele hoger beroep is derhalve ongegrond.

Het hoger beroep (de boetebeschikking)

4.5. Het onder 4.3. hiervóór overwogene omtrent de aansprakelijkheid voor de motorrijtuigenbelasting, kan evenwel niet – zoals de Inspecteur kennelijk meent – onverkort worden toegepast op een opgelegde boete. Het opleggen van een verzuimboete is immers aan te merken als een strafvervolging in de zin van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zodat de waarborgen die gelden voor een verdachte in strafprocesrechtelijke zin ook gelden voor degene aan wie een boete ex artikel 67c van de AWR wordt opgelegd. Dit brengt mee dat geen boete ex artikel 67c van de AWR mag worden opgelegd aan iemand aan wie geen enkel verwijt kan worden gemaakt.

4.6. Belanghebbende heeft – door de Inspecteur niet weersproken – betoogd dat het motorrijtuig tegen zijn wil van het afgesloten parkeerterrein is weggehaald en dat pas ten tijde van de overschrijving van het kenteken en de overhandiging van de autopapieren en de autosleutels aan de koper is geconstateerd dat de koper het motorrijtuig tegen belanghebbendes instructies in, van voornoemd parkeerterrein heeft weggehaald. Gelet op alle omstandigheden van het geval zoals de afwezigheid van belanghebbende wegens werkzaamheden elders, het negeren van de wens van belanghebbende door de koper en het feit dat (namens) belanghebbende de autosleutels en autopapieren eerst tegelijk met de overschrijving van het kenteken aan koper heeft overhandigd, is het Hof met de Rechtbank van oordeel dat in dit geval kan worden gesproken van afwezigheid van alle schuld. Geen (wettelijke) bepaling schrijft voor dat de houder van een motorrijtuig aan een koper de redenen opgeeft waarom hij levering en overschrijving tot een nader tijdstip wil uitstellen. De omstandigheid dat belanghebbende in zijn SMS-berichten de koper, die het kennelijk alleen was te doen om de onderdelen en niet om het motorrijtuig als zodanig, niet heeft medegedeeld dat voor het motorrijtuig een schorsingsregeling gold, kan geen reden zijn om afwezigheid van alle schuld uit te sluiten. De Rechtbank heeft de boetebeschikking dan ook terecht vernietigd.

4.7. Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een vergoeding van proceskosten.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. M.C.M. de Kroon, voorzitter, mr. J. Lamens en mr. B.F.A. van Huijgevoort, raadsheren, in aanwezigheid van mr. N. ten Broek als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2010.

De griffier, De voorzitter

(N. ten Broek (M.C.M. de Kroon)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 april 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.