Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM2475

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
27-04-2010
Zaaknummer
09/00315
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Algemeen.

Te laat ingediend beroepschrift in boetezaak niet verschoonbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2010-1142
NTFR 2010/1443 met annotatie van mr. M.J.A. Castelijn
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 09/00315

datum uitspraak: 13 april 2010

appellant : X te Z (hierna: belanghebbende)

verweerder in hoger beroep : inspecteur van de Belastingdienst te P (hierna: de Inspecteur)

uitspraak in eerste aanleg : van de rechtbank Arnhem van 14 juli 2009, nummer AWB 08/4756

betreft : boetebeschikking

nummer : F.01.7120

onderzoek ter zitting : op 31 maart 2010 te Arnhem

waarbij verschenen : A namens belanghebbende en de Inspecteur

gronden:

1. De termijn voor het indienen van een beroepschrift tegen een uitspraak op bezwaar bedraagt ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zes weken. De uitspraak op bezwaar is gedagtekend 17 maart 2008. Niet gesteld of gebleken is dat de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. De beroepstermijn eindigt derhalve op 28 april 2008.

2. Belanghebbende is bij brief met dagtekening 13 oktober 2008 tegen deze uitspraak in beroep gekomen, welk beroepschrift op 14 oktober 2008 door de Inspecteur is ontvangen. Onder verwijzing naar artikel 6:15 van de Awb heeft de Inspecteur het beroepschrift doorgezonden aan de griffie van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank), waar het op 17 oktober 2008 is binnengekomen. Het beroepschrift is mitsdien niet voor het einde van termijn ingediend. Deze termijnoverschrijding wordt door belanghebbende niet betwist.

3. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft niet-ontvankelijkverklaring desondanks achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Nu het beroep een aan belanghebbende opgelegde boete betreft en zij stelt dat de termijnoverschrijding te wijten is aan een niet aan haar toe te rekenen omstandigheid, kan de niet-ontvankelijkheid slechts worden uitgesproken indien de Inspecteur de onjuistheid van deze stelling bewijst (HR 22 juli 1988, nr. 24.998, LJN ZC3854, BNB 1988/292).

4. Het Hof is met de Rechtbank van oordeel dat de termijnoverschrijding niet te wijten kan zijn aan de omstandigheid dat twee uitspraken op bezwaar zijn gedaan, omdat de eventuele verwarring die daardoor kan zijn ontstaan niet verklaart waarom belanghebbende pas op 13 oktober 2008 beroep heeft ingesteld.

5. Overigens stelt belanghebbende in hoger beroep dat de termijnoverschrijding het gevolg is van een telefoongesprek dat – voorafgaand aan het indienen van de suppletieaangifte, waarin het bezwaar tegen de boete is opgenomen – heeft plaatsgevonden tussen belanghebbendes gemachtigde en de heer B werkzaam bij de Belastingdienst/Rivierenland. Tijdens dit telefoongesprek heeft de heer B toegezegd dat, indien een suppletieaangifte zou worden ingediend, deze suppletieaangifte tevens zou worden aangemerkt als een bezwaar tegen de opgelegde boetebeschikking en dat de boetebeschikking zou worden vernietigd. Erop vertrouwende dat de heer B de zaak zou afhandelen, is na ontvangst van de uitspraak op bezwaar, die namens de Inspecteur was ondertekend door mevrouw C – waarin op geen enkele wijze werd verwezen naar de ingediende suppletieaangifte – gewacht op een reactie van de heer B. Toen die reactie uitbleef is beroep aangetekend, aldus nog steeds belanghebbende.

6. In de op 17 maart 2008 gedagtekende uitspraak op bezwaar staat onder meer:

‘(…) Ik heb van u op 7 maart 2008 een bezwaarschrift ontvangen. Deze brief is de uitspraak op uw bezwaar.

(…)

Samenvatting van uw bezwaar

Uw klant heeft niet betaald omdat hij een suppletie-aangifte zou indienen.

Beoordeling van het bezwaar

(…) Het vooruitzicht dat er in de toekomst een teruggaaf verwacht wordt geeft niet het recht om de betaling uit te stellen of niet te verrichten.

(…)

Uitspraak

Ik handhaaf de boete.

Beroep

Als u het niet eens bent met deze beslissing, kunt u daartegen beroep instellen bij de rechtbank. Dit moet u binnen zes weken na de dagtekening van deze beslissing doen. (…).’

7. Daar zij geen afzonderlijk bezwaarschrift tegen de opgelegde boete heeft ingediend, moet belanghebbende dan wel haar gemachtigde hebben begrepen dat met de zinsnede ‘ik heb van u op 7 maart 2008 een bezwaarschrift ontvangen’ – overeenkomstig de met de heer B gemaakte afspraak – werd gedoeld op de met dagtekening 4 maart 2008 ingediende suppletieaangifte. Ook de samenvatting van het bezwaar sluit aan op de in de suppletieaangifte vermelde grond. Onder die omstandigheden had belanghebbende zich moeten realiseren dat haar bezwaar tegen de opgelegde boeteschikking – wellicht tegen de gestelde met de heer B gemaakte afspraak in – door de Inspecteur was afgewezen. Derhalve kan in het midden blijven of werkelijk sprake is geweest van de door belanghebbende gestelde toezegging door B. Van een verschoonbare termijnoverschrijding zou ook dan geen sprake zijn.

8. De Rechtbank heeft het beroep derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

slotsom:

Het hoger beroep is ongegrond.

kosten:

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

beslissing:

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan door mr. J. van de Merwe voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. R.A.V. Boxem in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 april 2010.

Waarvan opgemaakt dit proces-verbaal.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel) (J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 april 2010

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

(bezoekadres: Kazernestraat 52).

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

– bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

– het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.