Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM2012

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
13-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
200.039.819
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2008:BI3472, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie in convenant met niet-wijzigingsbeding; dwaling; uitlegconvenant; limitering alimentatie oud geval. Art 1:159 lid 3 BW, Overgangswet bij art. 1:157 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 159
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2010/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.039.819

(zaakgegevens rechtbank 168450 / FA RK 08-10881)

beschikking van de familiekamer van 13 april 2010

inzake

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de man",

advocaat: mr. P.J.G. van den Boom te Nijmegen,

en

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen "de vrouw",

advocaat: mr. J.L.M. Martens te Maastricht.

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Arnhem van 23 oktober 2008 en 24 februari 2009, uitgesproken onder voornoemde zaakgegevens.

2. Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 20 mei 2009, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. De man verzoekt het hof die beschikkingen te vernietigen en de oorspronkelijke verzoeken van de man alsnog toe te wijzen, met dien verstande dat onder het derde gedachtestreepje van het petitum wordt gelezen

- meer subsidiair dat de onderhoudsbijdrage van de man op grond van gewijzigde om-

standigheden zal worden gewijzigd met ingang van 1 maart 2008, 1 januari 2009, althans 1 juli 2009, en zal worden gesteld op nihil, althans zal worden verminderd met een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht.

2.2 Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 september 2009, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Daarbij heeft de vrouw tevens (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. De vrouw verzoekt het hof in het principaal hoger beroep (het hof leest:) de man niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek in hoger beroep af te wijzen. De vrouw verzoekt het hof in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep de beschikking van 24 februari 2009 te vernietigen en opnieuw beschikkende alsnog de verzoeken van de man af te wijzen, alsmede om een termijn te bepalen voor de duur van het leven van de man, althans 15 jaar, en te bepalen dat deze verlengd kan worden voor zover de termijn wordt bepaald op 15 jaar of korter.

2.3 Daarop heeft de man in het (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend, ingekomen ter griffie van het hof op 9 november 2009, waarin hij het hof verzoekt het verzoek van de vrouw af te wijzen, als zijnde ongegrond.

2.4 Naar aanleiding van het verweerschrift van de man in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft de vrouw een reactie ingediend, tevens houdende een nadere schriftelijke reactie, ingekomen ter griffie van het hof op 18 januari 2010, waarin zij thans onvoorwaardelijk incidenteel appel instelt en persisteert bij haar stellingen in het incidenteel appel.

2.5 Op 18 januari 2010 is ingekomen ter griffie van het hof een brief van mr. Martens van 15 januari 2010 met bijlagen. Op 18 januari 2010 is ingekomen ter griffie van het hof een brief van mr. Martens van 18 januari 2010 met bijlage.

2.6 De mondelinge behandeling heeft op 28 januari 2010 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, ieder bijgestaan door de eigen advocaat.

2.7 Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof binnengekomen brieven van mr. Van den Boom van 10 en 22 februari 2010. Uit deze laatste brief volgt dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

3. De vaststaande feiten

Ten aanzien van partijen

3.1 Partijen zijn op [datum] 1970 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd. Bij vonnis van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 18 september 1992 heeft de rechtbank echtscheiding tussen hen uitgesproken. Het echtscheidingsvonnis is op 11 november 1992 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2 Nadat het echtscheidingsvonnis was ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand hebben partijen op 16 februari 1993 een echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) gesloten.

In artikel 2 van het convenant is een regeling voor partneralimentatie opgenomen, welke regeling luidt:

Artikel 2: alimentatie voor de vrouw

1. Met ingang van 1 september 1992 betaalt de man aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud een bedrag ad f 4.500,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen. Indexering van de onderhoudsbijdrage zal voor het eerst per 1 januari 1994 plaats vinden.

2. Eventuele door de vrouw te verwerven inkomsten uit arbeid of winst uit onderneming zullen tot een bedrag van gemiddeld f 3.000,- per maand, per kalenderjaar bezien, buiten beschouwing worden gelaten bij de bepaling c.q. wijziging van de door de man te betalen onderhoudsbijdrage.

3. Indien de vrouw zich in enig jaar meer inkomen c.q. winst verwerft dan in het vorige lid bepaald, dan is de man gerechtigd op de door hem te betalen alimentatie in het volgende kalenderjaar 50% van dat meerdere in mindering te brengen, zulks in gelijke maandelijkse termijnen. Na afloop van ieder kalenderjaar zal de vrouw aan de man voor 1 april van het volgende jaar bescheiden overleggen, waaruit blijkt of en in hoeverre enig verrekeningsrecht bestaat. De aangifte inkomstenbelasting van de vrouw wordt door partijen als voldoende beschouwd.

4. Het in dit artikel bepaalde is niet vatbaar voor wijziging bij rechterlijke uitspraak, met dien verstande dat na verloop van een periode van 4 jaar na ondertekening van dit convenant wijziging van de in de leden 2 en 3 genoemde bedragen mogelijk zal kunnen zijn.

In artikel 4 lid 2 van het convenant is een bepaling inzake pensioenrechten opgenomen, welke bepaling luidt:

“Artikel 4: overige boedelscheiding

1. (…)

2. De man heeft pensioenrechten opgebouwd bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds te Heerlen en bij de Stichting Pensioenfonds voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke belangen (PGGM) te Zeist, alsmede bij de Stichting Pensioenfonds medische specialisten te Den Haag. De man verplicht zich om binnen één maand na ondertekening van dit convenant bij de betreffende pensioenverzekeraars een opgave te vragen van de waarde van het door hem opgebouwde pensioen en van het bedrag, dat de man indien hij zijn pensioen zal gaan genieten ter zake aan de vrouw zal hebben te betalen. Partijen zijn immers overeengekomen, dat het de vrouw toekomende deel van het pensioen zal worden uitbetaald naarmate de pensioentermijnen opeisbaar worden. De man verplicht zich tevens te bewerkstelligen, voor zover dat bij de betreffende pensioenfondsen mogelijk is, dat de vrouw een zelfstandige aanspraak op de haar toekomende bedragen verkrijgt. De man verplicht zich aan de vrouw afschriften te doen toekomen van alle tussen hem en de pensioenfondsen gewisselde correspondentie.”

3.3 Bij overeenkomst met als titel: ‘AANVULLING ECHTSCHEIDINGSCONVENANT” (hierna: het aanvullend convenant) hebben partijen in 1995 nadere afspraken gemaakt over de aanspraken van de vrouw op de pensioenrechten van partijen, welke afspraken, voor zover relevant, luiden: “

1. Partijen hebben op 16 februari 1993 een echtscheidingsconvenant ondertekend, waarin zij in artikel 4 lid 2 hun afspraken hebben neergelegd ten aanzien van de pensioenrechten, die door de man zijn opgebouwd. Ter uitvoering van zijn verplichtingen uit hoofde van artikel 4 lid 2 heeft de man bij het pensioenfonds PGGM en bij de Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten de nodige gegevens opgevraagd. (…).

2. Partijen stellen thans de aanspraak van de vrouw op de toekomstige pensioentermijnen, die de man zal gaan genieten vast op f 1.000,- per maand exclusief indexeringen. Vastgesteld wordt dat hiervan f 200,- de bij PGGM opgebouwde pensioenrechten betreft en f 800,- hetgeen bij Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten is opgebouwd. Deze bedragen zullen te zijner tijd, wanneer de pensioentermijnen tot uitkering gaan komen, aangepast worden aan de hand van de indexeringspercentages die jaarlijks door de betreffende pensioenfondsen worden gehanteerd bij de aanpassing van het ouderdomspensioen ingaande 1 januari 1993.

3. De man verplicht zich om vanaf de datum, waarop hij op de pensioenen aanspraak kan maken, maandelijks, bij vooruitbetaling, aan de vrouw te betalen voormeld bedrag ad f 1.000,-, vermeerderd met de indexeringen.

4. De man verplicht zich, terwijl de vrouw daartoe gerechtigd is, indien de mogelijkheid daartoe zich voordoet, zich met deze overeenkomst tot (een van) de pensioenfondsen te wenden met het verzoek de vrouw jegens het betreffende pensioenfonds een rechtstreekse aanspraak op uitbetaling van het haar toekomende deel van het pensioen, (…) te verlenen. Indien door de vrouw een dergelijke rechtstreekse aanspraak wordt verkregen, vervalt daarmee voor het deel waarvoor die aanspraak bestaat, de betalingsverplichting van de man, althans wordt deze betalingsverplichting subsidiair aan de betalingsverplichting van het pensioenfonds.

5. (…)”

3.4 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Arnhem op 3 april 2008, heeft de man verzocht:

- primair de alimentatieovereenkomst tussen partijen gesloten op 16 februari 1993 te wijzigen in die zin dat de onderhoudsverplichting met ingang van 1 maart 2008 komt te vervallen, althans zal worden gesteld op nihil, en, mocht deze overeenkomst niet worden gewijzigd, de aanvullende overeenkomst met betrekking tot de verdeling van het ouderdomspensioen van de man te wijzigen in die zin dat de vrouw, zolang de onderhoudsverplichting van de man ongewijzigd voortduurt, de man niet gehouden zal zijn het aandeel van de vrouw in zijn ouderdomspensioen aan haar uit te keren nu de onderhoudsbijdrage daarvoor in de plaats wordt gesteld;

- subsidiair dat de onderhoudsbijdrage van de man ten behoeve van de vrouw definitief zal worden beëindigd met ingang van 1 maart 2008, althans met ingang van 1 juli 2009 (datum bereiken AOW-leeftijd vrouw), althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank redelijk acht;

- meer subsidiair de onderhoudsbijdrage van de man op grond van gewijzigde omstandigheden te wijzigen in die zin dat de man gehouden zal zijn om aan de vrouw een nader te bepalen bijdrage te voldoen en deze onderhoudsbijdrage met ingang van de dag dat de vrouw aanspraak kan maken op een AOW-uitkering te verminderen met het bruto bedrag dat de vrouw uit hoofde van de AOW-uitkering zal ontvangen, althans met ingang van zulk een datum en zulk een bedrag als de rechtbank in redelijkheid juist acht.

3.5 Bij verweerschrift, ingekomen bij de rechtbank op 7 augustus 2008, heeft de vrouw de verzoeken van de man bestreden. Zij heeft de rechtbank verzocht de verzoeken van de man af te wijzen, en subsidiair, ingeval een termijn wordt bepaald waarop de alimentatie eindigt, te bepalen dat deze termijn verlengd kan worden.

3.6 Bij de (bestreden) beschikking van 23 oktober 2008 heeft de rechtbank bepaald dat verdere behandeling zal plaatsvinden en heeft zij iedere verdere beslissing aangehouden.

3.7 Bij de bestreden beschikking van 24 februari 2009 heeft de rechtbank de tussen partijen gesloten alimentatieovereenkomst (in casu het echtscheidingsconvenant) gewijzigd, aldus dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 juli 2009 nader wordt vastgesteld op € 945,- per maand, in de toekomst bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen, en het meer of anders verzochte afgewezen.

Ten aanzien van de man

3.8 De man, geboren op [datum] 1943, is gehuwd met [echtgenote] (verder te noemen “[echtgenote]”), die geen ander inkomen heeft dan de algemene heffingskorting. De man ontving tot 1 juni 2008 € 11.526,-- bruto per maand aan salaris van de K.N.M.G. De man ontvangt sedert 1 maart 2008 een AOW-uitkering van € 15.996,- bruto per jaar, te vermeerderen met vakantietoeslag. Voorts ontvangt hij een pensioenuitkering van € 73.822,- bruto per jaar (respectievelijk € 61.327,- van PGGM sedert 1 maart 2008 en € 12.495,- van SPMS sedert 1 april 2008). De man heeft recht op de algemene heffingskorting.

3.9 De lasten van de man in 2008 bedragen per maand:

- € 1.379,- aan hypotheekrente;

- € 283,16 aan premie levensverzekering;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 385,10 aan ziektekosten:

- € 174,60 totaal premie basisverzekering ZVW voor de man en [echtgenote],

- € 40,- premie aanvullende verzekering,

- € 12,50 eigen risico,

€ 235,- door werkgever/uitkeringsinstantie afgedragen inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, verminderd met in 2008: in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW € 77,- echtpaar.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 2.475,- per jaar.

Ten aanzien van de vrouw

3.10 De vrouw, geboren op [datum] 1944, is alleenstaand. De vrouw heeft de eerste twee jaar van het huwelijk van partijen als secretaresse gewerkt. De laatste twintig jaar van het huwelijk heeft zij geen inkomen uit arbeid verworven. De vrouw had de zorg voor de man en de kinderen op zich genomen.

3.11 De vrouw ontvangt -naast partneralimentatie- sedert 1 juli 2009 een AOW-uitkering inclusief vakantietoeslag van € 1.094,89 bruto per maand. Uit hoofde van het convenant en het aanvullend convenant heeft de vrouw vanaf 1 maart 2008 aanspraak op haar aandeel in de tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioenrechten, ten bedrage van € 1.264,- bruto per maand, te vermeerderen met de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW. De vrouw heeft naast de algemene heffingskorting recht op extra heffingskortingen: de ouderenkorting van € 661,- en de alleenstaande ouderenkorting van € 410,-.

3.12 De lasten van de vrouw in 2008 bedragen per maand:

- € 304,67 aan hypotheek;

- € 95,- aan overige eigenaarslasten;

- € 103,87 aan ziektekosten :

- € 145,37 aan premie verzekering ZVW (basis en aanvullend);

- € 12,50 aan eigen risico,

verminderd met in 2008: in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel premie ZVW € 54,- alleenstaande.

Het eigenwoningforfait van de woning bedraagt € 876,- per jaar.

4. De motivering van de beslissing

4.1 De man verzoekt primair wijziging van de alimentatieovereenkomst, tussen partijen gesloten op 16 februari 1993, in die zin dat de onderhoudsverplichting met ingang van 1 maart 2008, het hof begrijpt: de maand waarin de man 65 jaar wordt, komt te vervallen althans op nihil wordt gesteld, dan wel wijziging van de aanvullende overeenkomst met betrekking tot de verdeling van het ouderdomspensioen, in die zin dat de man, zolang de onderhoudsverplichting van de man ongewijzigd voortduurt, niet gehouden zal zijn het aandeel van de vrouw in zijn ouderdomspensioen aan haar uit te keren nu de onderhoudsbijdrage daarvoor in de plaats wordt gesteld.

4.2 De man voert aan dat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, als gevolg waarvan het ouderdomspensioen dat hij heeft opgebouwd bij de PGGM en het SPMS tot uitkering is gekomen. Voorts stelt hij dat partijen de regeling zoals opgenomen in het echtscheidingsconvenant en het aanvullende echtscheidingsconvenant zijn aangegaan vanuit de gedachte en de overtuiging dat de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw zou vervallen met ingang van de datum dat de man aanspraak zou kunnen maken op zijn ouderdomspensioen en de vrouw dus aanspraak zou kunnen gaan maken op haar gedeelte van het ouderdomspensioen. Mocht de voornoemde afspraak niet vaststaan dan stelt de man dat hij heeft gedwaald over de inhoud en de strekking van de overeenkomsten. De man verwijst daarbij naar de inhoud van het destijds aanhangige Wetsvoorstel Wet Limitering Alimentatie, waarin aanvankelijk was opgenomen dat de onderhoudsverplichting zou eindigen op het moment van het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd. Dit vormde de aanleiding tot het maken van voormelde afspraken met de vrouw. Verder heeft de man aangevoerd dat wanneer de vrouw naast haar alimentatie ook nog eens een aandeel in de pensioenrechten van de man ontvangt dit tot een onredelijk resultaat leidt omdat dit enerzijds hogere inkomsten aan de zijde van de vrouw tot gevolg heeft, anderzijds inkomensverlies bij de man, dit alles meer dan vijftien jaar nadat het huwelijk is geëindigd.

4.3 De vrouw heeft de door de man in 4.2 gestelde tussen partijen gemaakte afspraken betwist. Zij voert aan dat tussen partijen een beding van niet-wijziging is overeengekomen en voorts dat de pensioenbetaling voortvloeit uit de verdeling van het huwelijksvermogen van partijen. Doordat partijen een beding van niet-wijziging zijn overeengekomen heeft dat met zich gebracht dat de man nimmer vermindering van de overeengekomen alimentatie heeft kunnen verzoeken, maar daar staat tegenover dat de vrouw ook nimmer verhoging van de alimentatie heeft kunnen verzoeken toen de man naar verwachting wel voldoende draagkracht had om te voorzien in het gat in haar huwelijksgerelateerde behoefte. Haar behoefte was immers hoger dan de overeengekomen alimentatie. De vrouw heeft destijds ingestemd met fixering van de overeengekomen onderhoudsbijdrage, waarbij de vrouw het vooruitzicht had dat haar aandeel in het pensioen op termijn tot uitkering zou komen.

4.5 Het hof stelt voorop dat geen grieven zijn aangevoerd tegen de volgorde waarin de rechtbank de stellingen van de man en de daaruit voortvloeiende geschilpunten heeft behandeld en beoordeeld zodat ook het hof deze volgorde hanteert.

Allereerst is in geschil de uitleg van de tussen partijen gesloten convenanten (convenant en aanvullend convenant). Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel dient te worden beantwoord aan de hand van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van de overeenkomsten, maar het tevens aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad, 13 maart 1981, NJ 1981, 635 Haviltex, LJN AG4158).

Met grief 1 komt de man op tegen het oordeel van de rechtbank, weergegeven in rechtsoverweging 3 van de tussenbeschikking, waarin de rechtbank, kort samengevat, oordeelt dat de tekst van beide convenanten geen aanleiding geeft om te veronderstellen dat partijen beoogd hebben de onderhoudsplicht van de man jegens de vrouw te laten eindigen op het moment dat de man aanspraak kan maken op zijn ouderdomspensioen en de vrouw op haar aandeel daarin. De rechtbank heeft er daarbij op gewezen dat artikel 2 van het convenant ziet op alimentatie en artikel 4 op de vermogensrechtelijke afwikkeling van de echtscheiding, waarbij de in het aanvullend convenant opgenomen regeling inzake de pensioenrechten een uitwerking van dat laatste was en dus louter zag op een vermogenrechtelijke regeling. Het hof verenigt zich, anders dan de man betoogt, met deze taalkundige uitleg en met dit oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In rechtsoverweging 4 heeft de rechtbank vervolgens, naast voormelde taalkundige uitleg, overeenkomstig voormelde Haviltexmaatstaf geoordeeld hoe de overeenkomst van partijen moet worden uitgelegd en heeft daartoe overwogen dat de man tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw op geen enkele wijze aannemelijk heeft kunnen maken dat de vermogensrechtelijke regeling inzake de pensioenrechten gevolgen zou hebben voor de duur van zijn onderhoudsplicht jegens de vrouw. De man heeft tegen deze overweging niet gegriefd, zodat het hof aan deze uitleg en dit oordeel van de rechtbank is gebonden, nog daargelaten dat de man ook in hoger beroep geen feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die tot een ander oordeel zouden hebben moeten leiden. De slotsom is aldus dat een eindtermijn voor betaling van partneralimentatie tussen partijen niet is overeengekomen, waarmee grief 1 faalt. In het vorenstaande ligt tevens besloten dat voor zover grief 9 zich zou richten tegen rechtsoverweging 3 van de tussenbe-schikking, deze grief in zoverre eveneens faalt.

4.5 Ter zake van het beroep van de man op dwaling overweegt het hof als volgt. De rechtbank heeft de door de man aangevoerde gronden als onvoldoende onderbouwd geoor-deeld, alsook geoordeeld dat zijn verzoek feitelijke grondslag mist. Daarbij heeft de recht-bank overwogen dat het afzien van rechtsbijstand een eigen en bewuste keuze van de man is geweest, waarvan de risico’s voor zijn rekening behoren te blijven en dat niet gesteld of gebleken is dat, gezien de bij de man aanwezige kennis, enig onderdeel van de overeenkomst een zodanige toelichting vereiste dat de advocaat van de vrouw de man daaromtrent had behoren in te lichten. Daarmee verenigt het hof zich. In hoger beroep heeft de man geen nieuwe of andere omstandigheden aan zijn beroep op dwaling ten grondslag gelegd, nog daargelaten dat de man zich niet uitdrukkelijk beroepen heeft op vernietiging van de over-eenkomst door een daartoe strekkende buitengerechtelijke verklaring en evenmin de rechter heeft verzocht de vernietiging uit te spreken, terwijl het hof geen reden ziet voor wijziging van de overeenkomsten op grond van artikel 6:230 lid 2 BW. Zelfs indien het betoog van de man moet worden gelezen als een beroep op artikel 6:228 lid 1 sub b BW is het hof van oordeel dat het afzien van rechtsbijstand door de man in dit geval voor zijn rekening behoort te blijven, zoals bedoeld in artikel 6:228 lid 2 BW. De grieven 3 en 9 falen, in zoverre deze zien op het beroep van de man op dwaling.

4.6 Nu uit het voorgaande volgt dat de door de man aangevoerde grieven, die betrekking hebben op hetgeen de man primair heeft verzocht, falen komt het hof overeenkomstig de door de rechtbank gehanteerde volgorde van beoordeling toe aan het subsidiaire verzoek van de man tot limitering van de alimentatie. De man heeft in eerste aanleg en in hoger beroep verzocht zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw definitief te beëindigen met ingang van 1 maart 2008, althans met ingang van 1 juli 2009, althans met ingang van een zodanige datum als de rechtbank redelijk acht.

4.7 De man heeft slechts gegriefd tegen rechtsoverweging 8 van de eindbeschikking van de rechtbank, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat limitering per 1 juli 2009 (eveneens) een ingrijpende inkomensdaling voor de vrouw betekent, immers een inkomensdaling van circa 39%. Tegen rechtsoverweging 7 van de eindbeschikking van de rechtbank, dat indien de onderhoudsverplichting wordt beëindigd per de door de man verzochte datum 1 maart 2008 de vrouw voor haar inkomen is aangewezen op haar aandeel in het pensioen van € 1.264,- bruto per maand, in welk geval naar het oordeel van de rechtbank sprake is van een ingrijpende inkomensdaling, heeft de man niet gegriefd. Het hof is daarom aan dat oordeel gebonden. Thans ligt dan ook uitsluitend voor de vraag of beëindiging van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud per 1 juli 2009 van de vrouw kan worden gevergd.

4.8 Ingevolge artikel II Overgangsrecht van de Wet van 28 april 1994, Staatsblad 324, zoals gewijzigd bij de Wet van 28 april 1994, Staatsblad 325 (Wet limitering alimentatie na echtscheiding), verder “het overgangsrecht bij de WLA”, beëindigt de rechter op verzoek van degene, die op grond van een voor de inwerkingtreding van deze wet gewezen rechterlijke uitspraak verplicht is een uitkering tot levensonderhoud te verstrekken, de verplichting indien deze op of na dat tijdstip vijftien of meer jaren heeft geduurd, tenzij hij van oordeel is dat de beëindiging van deze uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van degene die tot uitkering is gerechtigd kan worden gevergd. In dat geval stelt de rechter op verzoek van de alimentatiegerechtigde alsnog een termijn vast.

4.9 Tussen partijen is niet in geschil dat de man meer dan vijftien jaar bijdraagt in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Dit heeft tot gevolg dat het verzoek van de man tot beëindiging in beginsel toewijsbaar is.

4.10 Nu de vrouw stelt dat beëindiging van de uitkering per 1 juli 2009 zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd dient het hof eerst te beoordelen of beëindiging voor de vrouw ingrijpend is. Beëindiging van de uitkering zou volgens de vrouw tot gevolg hebben dat zij geen inkomen meer heeft. Zij beschouwt immers de uitbetaling in het kader van de pensioenrechten als een betaling uit hoofde van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Indien het hof de pensioenuitkering als relevant inkomen zou aanmerken, is er volgens de vrouw sprake van een gigantische inkomensachteruitgang.

4.11 Met de rechtbank is het hof van oordeel dat, anders dan de man heeft betoogd, mede gelet op hetgeen onder 4.7 is overwogen, de situatie (direct) voor 1 juli 2009 moet worden vergeleken met de situatie na 1 juli 2009. Beëindiging van de alimentatie per 1 juli 2009 zou tot gevolg hebben dat het inkomen van de vrouw in juli 2009 zou bestaan uit haar aandeel in de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten van € 1.264,- bruto per maand, te vermeerderen met de AOW-uitkering van € 1.094,89 bruto per maand, in totaal € 2.358,89 bruto per maand. Rekeninghoudend met de omstandigheid dat de vrouw op [datum] 2009 65 jaar is geworden hetgeen een andere belastingdruk tot gevolg heeft, bedraagt haar inkomen dan netto € 2.140,- per maand. Tot 1 juli 2009 had de vrouw recht op alimentatie die geindexeerd met ingang van 1 januari 2009 € 2.996,34 per maand bedroeg naast haar aandeel in het pensioen van € 1.264,- bruto per maand, in totaal € 4.260,34 bruto per maand, € 2.862,- netto per maand, zodat er sprake zou zijn van een daling van € 1.990,45 bruto per maand,

€ 722,- netto per maand. Deze daling acht het hof substantieel en ingrijpend. De omstandigheid dat partijen in het licht van onderhavige procedure zijn overeengekomen dat betaling van het aandeel van de vrouw in het pensioen van de man wordt opgeschort, doet niet af aan die aanspraak van de vrouw en leidt er aldus niet toe, anders dan de man heeft betoogd, dat dit aandeel bij deze beoordeling buiten beschouwing moet worden gelaten.

4.12 Dan komt het hof toe aan de vraag of beëindiging zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. Bij de beoordeling van die vraag dient de rechter in ieder geval rekening te houden met:

a. de leeftijd van de vrouw;

b. de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren;

c. de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de betrokkenen heeft beïnvloed;

d. de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man.

Voorts dient de rechter rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, niet alleen aan de zijde van de vrouw maar ook aan die van de man, waarbij op de vrouw alleen de stelplicht en de bewijslast rust van de omstandigheden aan haar zijde.

4.13 Het hof gaat uit van de navolgende omstandigheden. De vrouw is op [datum] 2009 65 jaar geworden. Er zijn twee kinderen uit het huwelijk geboren. Tijdens het huwelijk van partijen, dat 22 jaar geduurd heeft, werkte de vrouw de eerste twee jaar van het huwelijk als secretaresse en de man was bezig met het afronden van zijn opleiding. Na die twee jaar is de man buitenshuis gaan werken en verzorgde de vrouw de huishouding en was zij belast met de opvoeding en verzorging van de kinderen. Voor het huwelijk heeft de vrouw de opleiding tot secretaresse/doktersassistente gevolgd. De vrouw heeft een trimester kunstgeschiedenis aan de Open Universiteit gevolgd en een trimester, gedurende een dagdeel per week, een cursus binnenhuisarchitectuur. Dat heeft niet geleid tot een afgeronde opleiding. Na de echtscheiding heeft de vrouw een opleiding natuurgeneeskunde gevolgd.

4.14 Na de scheiding heeft de vrouw volgens haar verklaring in verband met fysieke- en psychische beperkingen nimmer kunnen werken en dus ook geen praktijk in natuurgeneeskunde kunnen opbouwen. Zij stelt dat zij aan het begin van de relatie van partijen een zwaar auto-ongeluk heeft gehad en dat zij daarbij een doorsnijding van links tot rechts onder en door de wenkbrauwgrens heeft gehad. Zij had glas in beide ogen als gevolg waarvan een deel van de iris van het linkeroog verwijderd moest worden en ternauwernood blijvende blindheid voorkomen kon worden. Voorts zijn er luxaties van de wervelkolom opgetreden. Als gevolg daarvan heeft zij levenslang hoofdpijn, toename van sinusklachten, verminderd zicht aan het linkeroog, problemen met accommoderen van de ogen, vermoeidheid van langdurig focussen, nek- en rugklachten, resulterend in een bekkenscheefstand, waardoor zij ook beenlengteverschil heeft, hetgeen geleid heeft tot coxigodynie. In verband met haar klachten volgde en volgt zij diverse therapieën waaronder yoga, antroposofische- en algemene fysiotherapie, orthomanuele- en caesartherapie. Verder heeft de vrouw allergieën, zeer gevoelige slijmvliezen van maag en luchtwegen, ernstige hooikoorts, sinusitis en bronchitis. In 2001 overleed de oudste zoon van partijen plotseling door zelfdoding. Dit heeft de vrouw in psychisch opzicht een enorme klap gegeven die tot heden voortduurt, aldus de vrouw.

4.15 De man stelt dat van de vrouw verwacht en gevergd had mogen worden dat zij na de echtscheiding initiatieven had ontplooid ter verwerving van eigen inkomsten uit arbeid. De vrouw was immers pas 48 jaar oud, ondervond geen lichamelijke beperking(en), had een goede vooropleiding en goede contacten, had niet langer de zorg voor de kinderen, heeft een aantal opleidingen gevolgd en had op basis van de regeling die partijen destijds troffen alle vrijheid om naast alimentatie inkomsten uit arbeid te verwerven tot een bedrag van f 3.000,- per maand. Dat al deze omstandigheden niet hebben geleid tot een situatie waarin de vrouw (deels) kon voorzien in haar eigen levensonderhoud door middel van het verrichten van arbeid, is een omstandigheid die voor haar rekening dient te blijven. In ieder geval dient het feit dat de vrouw zich onvoldoende heeft ingespannen om in de periode na de echtscheiding door middel van arbeid (deels) in haar eigen levensonderhoud te voorzien, als gevolg waarvan zij thans geen zelfstandige inkomsten uit arbeid verwerft, thans voor risico van de vrouw te komen en mag met betrekking tot het oordeel over het verzoek tot limitering van alimentatie niet ten faveure van de vrouw worden meegewogen. De vrouw heeft deze situatie aan zichzelf te wijten. De huidige situatie van de vrouw is niet (meer) huwelijksgerelateerd, aldus de man. De man stelt voorts dat bij de beoordeling meegewogen dient te worden dat hij na echtscheiding een schuld die resteerde na verkoop van de echtelijke woning ad f 255.000,- voor zijn rekening heeft genomen.

4.16 Het hof is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de vrouw sedert 1972 niet meer heeft gewerkt. De vrouw was op 1 juli 2009 (bijna) 65 jaar oud. Het is dan ook niet reëel te verwachten dat zij nog inkomsten uit arbeid kan verwerven. Gelet op het voormelde oordeel van het hof waaruit voortvloeit dat uit de convenanten geen einddatum voor de alimentatie viel af te leiden, kan de vrouw niet worden verweten dat zij niet eerder getracht heeft inkomsten uit arbeid te verwerven, mede gelet op haar beperkte arbeidsverleden en tegen de achtergrond van de door haar aangevoerde fysieke en psychische klachten die in elk geval een zekere beperking opleveren. Hetgeen de man in dit verband heeft aangevoerd stuit hierop af. De vrouw is dan ook, naast haar aandeel in de pensioenrechten en een AOW-uitkering, aangewezen op een onderhoudsbijdrage van de man. Beëindiging daarvan is zo ingrijpend dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw gevergd kan worden. De omstandigheid dat de man ingevolge het convenant de schuld van f 225.000,- voor zijn rekening nam, maakt dit oordeel niet anders. Dat de man niet in staat zou zijn tot betaling van de bijdrage is niet komen vast te staan. De man becijfert zijn draagkracht zelf op € 2.418,- bruto per maand. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 4 en 6 falen en het subsidiaire verzoek van de man zal worden afgewezen.

4.17 Het hof is evenwel, anders dan de vrouw heeft aangevoerd en zoals is weergegeven onder 4.10, met de rechtbank van oordeel dat het door haar te ontvangen aandeel in het pensioen is aan te merken als inkomen. Dit is immers een uitkering die men ontvangt vanaf het moment dat de gerechtigde 65 jaar wordt. Dit is opgebouwd gedurende het werkzame leven. In dit geval heeft de vrouw recht op een aandeel daarin, opgebouwd door de man gedurende het huwelijk van partijen. Bij de beoordeling van de behoefte van de vrouw aan een aanvullende bijdrage van de man in haar levensonderhoud is het door haar ontvangen aandeel in het pensioen aan te merken als relevant inkomen, waarmee rekening dient te worden gehouden, hetgeen ook het uitgangspunt is van de aanbevelingen van de Werkgroep Alimentatienormen in het rapport Alimentatienormen. Hierna, vanaf rechtsoverweging 4.25, zal het hof ingaan op de consequenties die dat heeft voor de door de man te betalen bijdrage.

4.18 De man voert met grief 7 aan dat de rechtbank heeft verzuimd een termijn vast te stellen naar aanleiding van het verzoek tot limitering. In het geval immers de beëindiging van de verplichting wordt geweigerd omdat zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de uitkeringsgerechtigde gevergd kan worden, behoort de rechter altijd –op verzoek of ambtshalve– een termijn vast te stellen. In hoger beroep heeft de vrouw erkend dat de rechtbank verzuimd heeft een termijn te bepalen. In haar incidenteel hoger beroep verzoekt zij het hof een termijn te bepalen voor de duur van het leven van de man, althans 15 jaar, en te bepalen dat deze verlengd kan worden voor zover de termijn wordt bepaald op 15 jaar of korter.

4.19 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en de omstandigheden en de belangen van partijen afwegende is het hof met inachtneming van de onder 4.12 weergegeven maatstaf tevens van oordeel dat het belang van de vrouw bij voortzetting van de onderhoudsbijdrage groter is dan het belang van de man bij limitering van zijn bijdrage zodat het hof overeenkomstig het verzoek van de vrouw de alimentatiebijdrage van de man zal verlengen voor een periode van 15 jaar, welke termijn verlengbaar zal zijn.

4.20 De man heeft in eerste aanleg meer subsidiair verzocht zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te verminderen wegens, kort gezegd, gewijzigde omstandigheden. De rechtbank heeft dit verzoek inhoudelijk beoordeeld. Met incidentele grief 1 klaagt de vrouw erover dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de man niet gehouden was aan het beding van niet-wijziging en de man in zijn verzoek tot wijziging ontvankelijk heeft verklaard.

4.21 Het hof overweegt als volgt. In de alimentatieovereenkomst is een alimentatiebijdrage en een niet-wijzigingsbeding als bedoeld in artikel 1:159 lid 1 BW met betrekking tot de overeengekomen alimentatie opgenomen. Op grond van artikel 1:159 lid 3 BW kan op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij de echtscheidingsbeschikking of bij latere beschikking worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden.

4.22 Bij het onderzoek of zich een wijziging van de aard als bedoeld in artikel 1:159 lid 3 BW heeft voorgedaan, kan weliswaar van belang zijn of ten tijde van de uitspraak op het verzoek een “wanverhouding” bestaat, doch daarbij zal het erop aankomen of zulks een gevolg is van een door de toepassing van artikel 1:159 lid 3 BW voldoende ingrijpende wijziging ten opzichte van de omstandigheden die ten tijde van het sluiten van de overeenkomst bestonden, terwijl voorts in aanmerking zal moeten worden genomen wat partijen toen aan mogelijke toekomstige omstandigheden voor ogen hebben gehad. Eveneens is van belang in hoeverre de overeengekomen onderhoudsbijdrage samenhangt met de getroffen regeling inzake de boedelscheiding en wat van die samenhang de consequenties zijn.

4.23 Het hof verenigt zich met rechtsoverweging 18 van de rechtbank, samengevat inhoudende dat zonder onderbouwing, die ontbreekt, bij vergelijking van de situatie in februari 2008 (alleen alimentatie) met de situatie per 1 juli 2009 (alimentatie, pensioen en AOW) een netto inkomenstoename van 50% zonder gevolgen voor de alimentatieafspraken niet te verklaren is. Deze onderbouwing is ook in hoger beroep niet verstrekt. De vrouw heeft de rekenkundige benadering van de rechtbank niet ontzenuwd. Voor zover de vrouw in dit verband een beroep wenst te doen op haar stelling dat de alimentatie destijds op grond van de draagkracht van de man is vastgesteld op een lager bedrag dan haar behoefte was, over welke behoefte het hof hierna zal oordelen, kan dit, wat er overigens van zij, niet genoegzaam het genoemde verschil van 50% verklaren. Met de rechtbank oordeelt het hof dat sprake is van een wanverhouding, zowel in feitelijke zin, als in de zin wat partijen voor ogen stond, waarbij het hof betrekt zijn oordeel als weergegeven onder 4.17 dat, anders dan de vrouw aanvoert, het pensioen als inkomen dient te worden aangemerkt. Incidentele grief 1 van de vrouw faalt hiermee.

4.24 De man heeft in eerste aanleg meer subsidiair verzocht zijn bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te verminderen met het bruto bedrag dat de vrouw uit hoofde van de AOW-uitkering ontvangt, met ingang van de dag waarop zij aanspraak maakt op die uitkering en in hoger beroep heeft hij meer subsidiair verzocht om de bijdrage op nihil te stellen. De man voert aan dat de vrouw per 1 juli 2009 de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en sedertdien, naast partneralimentatie en haar aanspraak in het pensioen van de man, een AOW-uitkering ontvangt. Naar het oordeel van het hof is, gelet op hetgeen hiervoor onder 4.23 en tegen de achtergrond van hetgeen onder 4.11 is overwogen, per 1 juli 2009 sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die maakt dat een onderzoek naar de behoefte en de draagkracht gerechtvaardigd is. Grief 8 faalt in zoverre.

4.25 Voor de bepaling van de hoogte van de mede aan de welstand tijdens het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw dient het hof rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgavenpatroon in dezelfde periode. De behoefte dient daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud te worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de vrouw redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door het hof op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

4.26 Volgens de vrouw zou haar behoefte thans geïndexeerd € 4.348,- per maand bedragen. Zij heeft dat onderbouwd met een alimentatieberekening van 24 april 1992 (bijlage 7 van het verweerschrift, tevens houdende incidenteel hoger beroep). Uit die, door de man niet (voldoende) weersproken, berekening blijkt dat het bruto jaarinkomen van de man van f 225.607,36 een netto maandinkomen opleverde van f 11.276,-. Daarop dient in mindering te worden gebracht de kosten van de twee kinderen van partijen. Het hof stelt die kosten, anders dan de vrouw, in redelijkheid op f 1.100,- per maand, zodat het netto gezinsinkomen f 10.176,- per maand bedroeg. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte van de vrouw gesteld worden op 60% van dit bedrag, ofwel f 6.105,- per maand netto. De bezwaren van de man tegen toepassing van de 60% formule verwerpt het hof nu dit ook naar de stand van zaken van destijds een aanvaardbare methode is de behoefte vast te stellen, temeer nu de man heeft nagelaten aan te geven en te onderbouwen welke systematiek passender zou zijn. Geïndexeerd zou voormeld bedrag met ingang van 1 januari 2009 een behoefte opleveren van € 4.333,19 netto per maand. De incidentele grief 2 slaagt daarmee in zoverre deels, hetgeen evenwel, zoals hierna zal worden overwogen, niet tot een ander resultaat zal leiden.

4.27 Het hof is met de rechtbank van oordeel dat eveneens rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat de relatie tussen de welstand tijdens het huwelijk en de behoefte van de vrouw gedurende de loop van tijd afneemt. Daarbij zijn van belang het tijdsverloop sinds de echtscheiding, voorts de omstandigheid dat de vrouw al vanaf 1993 haar uitgavenpatroon heeft aangepast aan de haar ter beschikking staande middelen en aldus voor de vrouw al geruime tijd een zekere mate van financiële onafhankelijkheid heeft bestaan, dat de vrouw een toename van haar behoefte in verhouding tot hetgeen zij aan bijdrage heeft ontvangen op geen enkele wijze inzichtelijk heeft gemaakt en zij evenmin heeft gemotiveerd dat zij zich sedert 1993 het nodige heeft moeten ontzeggen, is het hof van oordeel dat de behoefte van de vrouw niet langer in overwegende mate dient te worden gerelateerd aan de stand die partijen tijdens hun huwelijk hebben gevoerd, maar mede aan de mate van welstand waarin de vrouw de laatste jaren heeft geleefd. Gezien de inmiddels verstreken periode van 17 jaar stelt het hof per 1 juli 2009 de behoefte in redelijkheid vast op het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 2.600,- netto per maand, ondanks dat het hof de geïndexeerde behoefte van destijds op een hoger bedrag heeft berekend dan de rechtbank. Voor een vaststelling op een hoger bedrag dan het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 2.600,- per maand ziet het hof geen aanleiding gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. In dit oordeel ligt besloten dat grieven 10 en 11 aan de zijde van de man falen. Het deels slagen van de incidentele grief 2 aan de zijde van de vrouw leidt daarmee niet tot een ander resultaat.

4.28 Zoals onder 4.17 is overwogen is het hof van oordeel dat het door de vrouw te ontvangen aandeel in het pensioen is aan te merken als inkomen, hetgeen betekent dat de incidentele grief 3 faalt. Met een bruto AOW-uitkering van € 13.139,- en een bruto pensioen van € 15.168,-, beide op jaarbasis, heeft de vrouw, met inachtneming van de onder 4.27 berekende behoefte van € 2.600,- netto per maand, nog behoefte aan een aanvullende bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van € 7.475,- bruto op jaarbasis, te weten afgerond € 623,- bruto per maand. Geen rekening houdt het hof met inkomen uit vermogen, omdat de vrouw feitelijk heeft onderbouwd dat zij geen inkomen uit vermogen heeft. Bij de berekening van de aanvullende bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw heeft het hof, evenals partijen, rekening gehouden met het fiscaal voordeel dat de vrouw heeft uit de eigen woning.

4.29 De man heeft geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat hij beschikt over voldoende draagkracht om de door de rechtbank becijferde onderhoudsbijdrage aan de vrouw te voldoen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat hij voldoende draagkracht heeft voor betaling van de door het hof berekende bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 623,- per maand. Het hof komt dan ook niet toe aan een inhoudelijk oordeel of de door de man te ontvangen vergoeding van de Stichting Katholieke Univer-siteit Nijmegen van € 13.500,- per jaar is aan te merken als inkomen, dan wel als onkostenvergoeding, omdat deze inkomenscomponent in eerste aanleg niet aan de orde is geweest.

5. De slotsom

De slotsom is dat de principale grief 7 en de incidentele grief 2 deels slaagt. De overige grieven falen. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te vernietigen en te beslissen als na te melden.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 24 februari 2009 en opnieuw beschikkende:

verlengt de termijn gedurende welke de onderhoudsverplichting van de man voortduurt voor een termijn van 15 jaar, welke termijn na ommekomst daarvan verlengbaar is;

wijzigt het echtscheidingsconvenant van 16 februari 1993 en bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 1 juli 2009 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 623,- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.F.J.N. van Osch, B.M. Mens en S.M. Evers, bijgestaan door G.J. Heuvelink als griffier, en is op 13 april 2010 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.