Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM1856

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
21-003157-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

"Horen van een in Turkije gedetineerde verdachte als getuige".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003157-08

Uitspraak d.d.: 22 april 2010

TEGENSPRAAK

Tussenarrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, van 11 juli 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-963004-07 en 08-960000-07, tegen

[verdachte 3],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1976,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van onderscheidenlijk 23 maart 2009, 6 oktober 2009, 16 maart 2010 en 8 april 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van hetgeen door de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte, door zijn raadsman mr J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

Vordering toevoeging processen-verbaal van getuigenverhoren

Op 15 maart 2010 heeft het openbaar ministerie een brief gestuurd aan het gerechtshof (en in afschrift aan de raadslieden van de verdachten [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 3], [verdachte 4], [verdachte 5] en [verdachte 6]), met als bijlagen 28 kopieën van getuigenverklaringen, afgelegd door getuigen in de Sneep-2 zaak. Deze zaak, tegen een groot aantal verdachten, is aanhangig bij de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo.

Het openbaar ministerie heeft gevorderd dat de processen-verbaal van de getuigenverhoren worden gevoegd in de strafdossier van de zes hiervoor vermelde verdachten in de onderhavige strafzaak, die Sneep-1 wordt genoemd. Aan de vordering wordt ten grondslag gelegd dat de zaken Sneep-1 en Sneep-2 grotendeels hetzelfde feitencomplex betreffen en dat er een grote verwevenheid van de beide zaken is. Er moet voor worden gezorgd dat wat bij elkaar hoort, ook bij elkaar blijft, aldus het openbaar ministerie. Voor de waarheidsvinding is het van groot belang dat deze processen-verbaal aan het dossier in de zaak Sneep-1 worden toegevoegd. De verklaringen van de getuigen betreffen zowel belastende als ontlastende verklaringen. Het is van belang voor zowel het hof als de raadslieden dat zij van de inhoud van deze verklaringen op de hoogte zijn, waarbij opgemerkt wordt dat een aantal raadslieden uit de zaak Sneep-1 ook optreedt voor verdachten in de zaak Sneep-2 en zij uit dien hoofde (anders dan het hof) al van de inhoud van de getuigenverklaringen kennis hebben genomen. Het openbaar ministerie wijst op het zogenaamde “relevantiecriterium” van het EHRM en is van mening dat toepassing van dit criterium ertoe moet leiden dat de onderhavige processen-verbaal aan de dossiers van de verdachten in de Sneep 1 zaak worden toegevoegd. Het openbaar ministerie beseft dat de vordering op een laat stadium plaats vindt, maar wijst er daarbij op dat de verklaringen pas begin maart 2010 door het landelijk parket aan de advocaten-generaal ter beschikking zijn gesteld en dat de belangen van de waarheidsvinding dienen te prevaleren boven de mogelijke procedurele gevolgen van deze late toevoeging van stukken aan het dossier. Van strijdigheid met beginselen van goede procesorde is naar de mening van het openbaar ministerie geen sprake.

Door de verdediging van de diverse verdachten is verschillend gereageerd op voormelde vordering van het openbaar ministerie. De raadslieden van de verdachten [verdachte 1], [verdachte 2], [verdachte 4] en [verdachte 5] hebben - onder verwijzing naar HR 16november 1999 NJ 2000, 214 - betoogd, zakelijk weergegeven, dat de vordering van het openbaar ministerie in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Als belangrijkste argumenten worden daartoe aangevoerd dat de vordering te laat komt, dat toewijzing van de vordering tot ontoelaatbare vertraging van de procedure zal leiden (omdat tal van verzoeken tot het horen van getuigen uit de Sneep-2 zaak zullen volgen en toegewezen zullen worden) en dat er geen sprake meer zal zijn van afdoening van deze strafzaken binnen een redelijke termijn.

De raadsman van de verdachte [verdachte 3] heeft bij de behandeling van de zaak gesteld geen bezwaar te hebben tegen voeging van de door het openbaar ministerie overgelegde processen-verbaal, met uitzondering van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. De raadsman van [verdachte 6] heeft geen bezwaar tegen toewijzing van de vordering. Beide raadslieden stellen wel dat zij bij toewijzing wel de mogelijkheid willen hebben tot het nader doen horen van getuigen.

Het hof zal de vordering van het openbaar ministerie tot voeging van de processen-verbaal aan de procesdossier van de zes hiervoor genoemde verdachten afwijzen. Het in dit stadium van de procedure voegen van de stukken aan het dossier oordeelt het hof per saldo strijdig met de beginselen van een behoorlijke procesorde.

Het hof overweegt daartoe het volgende.

- In onderling overleg met de raadslieden en het openbaar ministerie is begin 2009 een planning gemaakt voor de behandeling ter terechtzitting van de zaken tegen de zes verdachten uit Sneep-1. Daarbij is, rekening houdend met het groot aantal nog te verrichten onderzoekshandelingen, waaronder het horen door een uit de zittingcombinatie afkomstige raadsheer-commissaris van een aantal aangeefsters en andere mogelijke slachtoffers van - onder meer - mensenhandel en het horen van vele getuigen door de rechter-commissaris van de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, de datum van 8 april 2010 vastgesteld als datum waarop de inhoudelijke behandeling van de strafzaken van start zou gaan. Medio juni 2010 zou het hof in Sneep-1 uitspraak hebben gedaan.

- In de periode tussen de eerste regiezitting op 23 maart 2009 en 15 maart 2010 heeft het openbaar ministerie nimmer te kennen gegeven dat het na 23 maart 2009 afgelegde getuigenverklaringen uit Sneep-2 in Sneep-1 gevoegd wilde zien. Pas op 15 maart 2010, dus ongeveer drie weken voor de afgesproken datum voor de inhoudelijke behandeling van Sneep-1 en bijna één jaar na de eerste regiezitting in Sneep-1, is het hof van deze wens in kennis gesteld.

- Het is het hof gebleken dat een aanzienlijk deel van de processen-verbaal, waarop de vordering betrekking heeft, al geruime tijd geleden is opgesteld en in het bezit van het openbaar ministerie (in de zaak Sneep-2) moet zijn geweest. De getuigenverklaringen dateren kennelijk veelal van minstens vijf maanden geleden en een aantal verklaringen is kennelijk zelfs van eerdere datum (tot negen maanden en twaalf maanden toe). Een vordering tot voeging in het dossier Sneep-1 had aldus veel eerder kunnen (en moeten) geschieden. Dat de advocaten-generaal, zoals zij hebben aangevoerd, niet eerder dan op begin maart 2010 de beschikking hebben gehad over de processen-verbaal van getuigenverhoren in Sneep-2 doet hieraan niet af. Niet aannemelijk is dat bedoelde verklaringen niet eerder door het openbaar ministerie aan het hof en de verdediging bekend hadden kunnen worden gemaakt. In elk geval ligt het feit dat de verklaringen niet eerder (en tijdig) zijn geproduceerd in de risicosfeer van het openbaar ministerie als geheel.

- Relevant acht het hof verder dat niet gebleken is dat de betreffende stukken waarvan voeging wordt gevorderd van bijzonder belang zijn voor de beoordeling door het hof van de zaken tegen de verdachten in Sneep-1. Het openbaar ministerie heeft dat ook niet gespecificeerd aangevoerd, doch heeft ermee volstaan in algemene termen aan te geven dat er zowel belastende als ontlastende verklaringen zouden zijn. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat het dossier, zoals dat nu is samengesteld, al een aanzienlijke hoeveelheid materiaal (60 ordners aan onder andere processen-verbaal, tapverslagen, fotoboeken, financiële overzichten en vele getuigenverklaringen) omvat en dat een aantal van de processen-verbaal, waarvan voeging wordt gevorderd, kennelijk getuigen betreft die al meerdere keren, onder andere door de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris in Sneep-1, zijn gehoord terwijl niet onderbouwd is waarom de in de zaak Sneep-2 door deze getuigen nadien afgelegde verklaringen nu nog een wezenlijke aanvullende bijdrage aan de waarheidsvinding zouden kunnen leveren in de zaken tegen alle verdachten in Sneep-1 (het openbaar ministerie heeft immers geen onderscheid gemaakt voor wat betreft de vraag welke processen-verbaal van getuigenverhoor in het dossier van welke afzonderlijke verdachte zouden moeten worden gevoegd).

- Bij de beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie betrekt het hof ook de mogelijke consequenties van toewijzing van de vordering voor het verdere verloop van de procedure en voor de daarbij betrokken getuigen.

Voor wat betreft het eerste aspect overweegt het hof dat zeer aannemelijk is (een aantal raadslieden heeft dit ook al voorwaardelijk aangekondigd), dat voeging van de stukken zal leiden tot een groot aantal verzoeken tot het horen in Sneep-1 van de getuigen die in Sneep-2 de betreffende (en te voegen) verklaringen hebben afgelegd en tot het verrichten van andere onderzoekshandelingen. Aannemelijk is evenzeer dat een groot deel van die verzoeken zou moeten worden toegewezen, gelet op de geldende regelgeving en jurisprudentie. Niet onwaarschijnlijk is dat deze gang van zaken zou leiden tot het in feite incorporeren van veel van het in Sneep-2 geproduceerde en nog te produceren materiaal in Sneep-1 (de advocaten-generaal hebben al aangegeven dat de door hen overgelegde bundel processen-verbaal een selectie betreft van de in Sneep-2 afgelegde getuigenverklaringen terwijl onduidelijk is hoeveel andere getuigenverklaringen er nog zijn en eventueel ook voor voeging in aanmerking zouden moeten/kunnen komen). Daarbij dient te worden bedacht dat – naar het hof ook ambtshalve bekend is – de rechtbank in Sneep-2 onlangs heeft bepaald dat nog een aantal personen als getuigen zouden moeten worden gehoord. Dit alles zou vervolgens leiden tot een aanzienlijke vertraging in de afdoening van Sneep-1 (het gaat om vele getuigen die in binnen- en buitenland verblijven), waardoor afdoening binnen een aanvaardbare termijn niet meer tot de mogelijkheden zou behoren. Dit maakt voeging van de processen-verbaal zoals verzocht onacceptabel. Bedacht dient te worden dat de Sneep-1 zaak al ongeveer drie jaar “loopt”.

Voor wat betreft het tweede aspect overweegt het hof dat het in een aantal gevallen getuigen betreft, die al vele malen bij politie en justitie zijn gehoord, al dan niet in de zaken tegen de zes in Sneep-1 terecht staande verdachten. Bij deze getuigenverhoren gaat het deels om getuigen die ook aangifte van mensenhandel hebben gedaan tegen een of meer verdachten in Sneep-1. Niet ondenkbaar is dat deze getuigen wederom zich zouden moeten blootstellen aan een voor hen in psychisch opzicht belastend getuigenverhoor over zaken, waarmee zij mogelijk thans niet nogmaals geconfronteerd willen worden. Het hof heeft in de processen-verbaal en opnamen van de verhoren geconstateerd dat een aantal getuigen het verhoor over de betrokkenheid van de getuigen bij prostitutie en over de door hen daarin opgedane ervaringen, zoals door hen verteld, als zeer zwaar en belastend ervoer. Bij de beoordeling van de vordering van het openbaar ministerie laat het hof de belangen van die getuigen daarom meewegen in die zin, dat onnodige en herhaalde blootstelling aan nieuwe verhoren zo veel mogelijk dient te worden voorkomen.

- De advocaten-generaal hebben ter zitting van het hof van 8 april 2010 ter onderbouwing van hun vordering onder meer gewezen op de (complexe) aard van de onderhavige strafzaak, waarbij met name geduid is op de omstandigheid dat het hier om een grote mensenhandelzaak gaat. Het hof constateert dat het openbaar ministerie de complexiteit van de zaak verder niet heeft geëxpliciteerd. Het betreft weliswaar een omvangrijk dossier (ongeveer 60 ordners, processen-verbaal van getuigenverhoren bij de rechter-commissaris en de raadsheer-commissaris en nog een aanzienlijke hoeveelheid cd-roms met tapgesprekken), maar, zoals ook door het openbaar ministerie zelf aangegeven, het betreft één relatief samenhangend feitencomplex waarin veelal dezelfde actoren figureren als verdachte of getuige. Van meet af aan moet, mede gelet hierop en het gegeven dat in veel zaken ook artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht ten laste is gelegd, daarom duidelijk zijn geweest dat de diverse getuigenverklaringen van belang zouden kunnen zijn in de meeste zaken. Daarmee had, nog afgezien van de relatieve complexiteit van de zaak, rekening gehouden moeten en kunnen worden.

De complexiteit van de zaak is naar het oordeel van het hof daarom niet zodanig, dat die verklaart en rechtvaardigt, mede gelet op de eerder genoemde consequenties daarvan, dat in een zo laat stadium de onderhavige stukken zouden moeten worden toegevoegd. Evenmin verklaart die complexiteit, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, waarom dit in een zo laat stadium van de procedure pas wordt verzocht.

Gezien het voorgaande is het hof, rekening houdend met de aard van de stukken, de aard van de zaak en het stadium waarin de procedure zich bevindt, van oordeel dat de vordering van het openbaar ministerie tot het bij de stukken van de zes verdachten in Sneep-1 voegen van de op 15 maart 2010 overgelegde bundel getuigenverklaringen uit Sneep-2 (28 stuks) in strijd is met de beginselen van de goede procesorde en dat de vordering daarom moet worden afgewezen.

Het oordeel van het hof wordt niet anders nu het thans andermaal heeft moeten beslissen tot aanhouding van de zaak met name in verband met de omstandigheid dat een aantal getuigenverhoren niet is kunnen worden afgerond. Immers, als het hof de visie van het openbaar ministerie doortrekt zouden sinds de toezending van de onderhavige stukken ingezonden en in te zenden processen-verbaal van afgelegde en nog af te leggen verklaringen in Sneep-2 ook moeten worden toegevoegd aan de processtukken zodat de behandeling van de onderhavige zaken zou moeten worden opgeschort tot de afronding van de Sneep-2 zaken. Die consequentie is onaanvaardbaar.

Het hof zal de stukken niet bij de processtukken voegen. Dit leidt tot het oordeel dat het hof niet toekomt aan de door de diverse raadslieden voorwaardelijk (voor het geval de stukken wel aan de processtukken zouden zijn toegevoegd) gedane verzoeken tot het horen van getuigen.

Overigens overweegt het hof dat de vorm waarin de door het openbaar ministerie aangeleverde processen-verbaal zijn aangeleverd evenzeer aan voeging aan de processtukken in de weg zou hebben gestaan, nu het niet ondertekende kopieën van processen-verbaal van getuigenverhoren betreft die evenmin voor “kopie conform” zijn getekend.

Voortgang/verzoek tot het horen van getuigen

Door de verdediging is verzocht om een (nieuw) verhoor van [verdachte 1] als getuige. Het hof begrijpt dat de grond voor het verhoor dezelfde is als die waarop het eerdere, door het hof toegewezen verzoek om [verdachte 1] als getuige te horen, berustte.

Maatstaf voor de beoordeling van het verzoek is het noodzakelijkheidsvereiste. Naar aanleiding van de verwijzingsopdracht van het hof is [verdachte 1] immers door de rechter-commissaris - in Turkije – als getuige gehoord. Daaraan doet niet af dat hij zich op zijn verschoningsrecht heeft beroepen.

Door de verdediging is aangevoerd dat de getuige heeft verklaard wel een verklaring te zullen afleggen als zijn raadslieden bij zijn verhoor als getuige aanwezig zijn, hetgeen bij het in Turkije gehouden verhoor niet het geval is geweest.

Het hof stelt voorop dat het de handelwijze van de rechter-commissaris in de rechtbank Utrecht, zitting houdende te Almelo, zoals zij deze in haar e-mail schrijven van 7 april 2010 uitvoerig uiteen heeft gezet, volkomen begrijpelijk acht. De inhoudelijke behandeling van de zaak stond gepland voor 8 april 2010. Toen de aanhouding van [verdachte 1] in Turkije bekend werd in Nederland, is met grote spoed een rechtshulpverzoek gemaakt, waarin kennelijk niet de naam van de raadsman van de getuige is vermeld, welke overigens wel bij eerdere verhoren van zijn cliënt als getuige aanwezig was geweest. Het bericht van de Turkse autoriteiten omtrent het tijdstip van verhoor bereikte de rechter-commissaris eerst op vrijdag 19 maart 2010. Het bericht van de raadsman van [verdachte 1] dat hij aanwezig wenste te zijn bij het verhoor, bereikte haar eerst op de derde werkdag voor het verhoor, toen de rechter-commissaris in het buitenland verbleef voor de uitvoering van rechtshulpverzoeken. Bij de beoordeling van de – door haar uiteindelijk in ontkennende zin beantwoorde - vraag of zij de Turkse autoriteiten in dat late stadium nog zou verzoeken om de aanwezigheid van de raadsman van [verdachte 1] is zij afgegaan op eerdere ervaringen bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken en op het advies van de liaison ambtenaar.

Ten opzichte van het eerdere verzoek om [verdachte 1] als getuige te (doen) horen blijft enerzijds onveranderd dat een inhoudelijke verklaring van de getuige [verdachte 1] van belang kan zijn in de strafzaak tegen verdachte. Met betrekking tot de kans dat [verdachte 1] bij een volgende gelegenheid wel een inhoudelijke verklaring over de feiten zal afleggen overweegt het hof dat [verdachte 1] bij zijn verhoor op 29 maart 2010 onder meer heeft verklaard na zijn afwijzing van het voorstel dat hij zich kon laten bijstaan door de advocaten die hem bij zijn strafzaak in Turkije bijstaan: “Wel wil ik U mededelen dat ik niet weiger een verklaring af te leggen. Ik wil wel een verklaring afleggen als mijn advocaten, die mij in Nederland bij mijn strafzaak bijstaan, aanwezig zijn”. Het zal – nadat [verdachte 1] eerder ten opzichte van het hof geen woord heeft gehouden door zich niet aan de schorsingsvoorwaarden te houden - geen verwondering wekken dat het hof twijfels heeft over de “toezegging” van [verdachte 1] om wel een inhoudelijke verklaring af te leggen als zijn raadslieden wel bij het verhoor aanwezig zouden zijn. Voorts is onbekend hetgeen de raadslieden van [verdachte 1] hem zullen adviseren. Dat advies kan immers inhouden dat hij er als getuige beter aan doet zich (opnieuw) van meet af aan op zijn verschoningsrecht te beroepen. Voor zover bij het verhoor op 29 maart 2010 de indruk is gevestigd dat de raadsman van de getuige zonder meer toelating zal verkrijgen bij een nieuw verhoor, merkt het hof op dat het voor het hof niet vast staat dat Nederlandse raadslieden van een getuige door de Turkse autoriteiten zullen worden toegelaten tot het verhoor; het is het hof ambtshalve bekend dat niet alle Turkse autoriteiten in alle gevallen op dezelfde wijze te werk gaan bij de uitvoering van rechtshulpverzoeken. Overigens is onbekend hoe lang de getuige nog in Turkije in detentie zal verblijven. Deze onzekerheden en reserves staan uiteindelijk echter niet in de weg aan het oordeel van het hof dat er, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, op grond van de in artikel 316 van het Wetboek van Strafvordering vermelde grond een nieuw verhoor aangewezen is.

Met betrekking tot het horen van de mede-verdachte [verdachte 4] als getuige stelt het hof vast dat van deze getuige inmiddels een bekend woonadres in Turkije bekend is. Deze getuige is in het kader van de verwijzing van 23 maart 2009 nog niet gehoord. Het hof is van oordeel dat deze getuige alsnog moet worden gehoord.

Het is het hof ambtshalve bekend dat mw.mr. M.A.C. van Overmeire-de Vilder, advocaat te Amsterdam, raadsvrouw van [verdachte 4] heeft verzocht om aanwezig te mogen zijn bij het verhoor van haar cliënt als getuige.

De getuige [getuige 8] is in het kader van deze zaak (nog) niet in aanwezigheid van de verdediging en de rechter-commissaris als getuige gehoord. Het hof verzoekt de rechter-commissaris alsnog pogingen te ondernemen om een verhoor van deze getuige in de onderhavige strafzaak te realiseren.

Met betrekking tot de getuige [getuige 9] is het hof van oordeel dat er nog mogelijkheden zijn voor de rechter-commissaris om het verhoor te realiseren. Het hof verzoekt derhalve de rechter-commissaris nieuwe pogingen te doen om dit verhoor te kunnen realiseren.

Het hof verzoekt de rechter-commissaris de getuige(n) in de zaken Sneep-1 en Sneep-2 apart te horen c.q. een apart proces-verbaal van verhoor daarvan op te maken.

BESLISSING

Het hof:

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot voeging in het onderhavige strafdossier van een aantal processen-verbaal van getuigenverhoren.

Stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Utrecht, nevenzittingsplaats Almelo, met voormeld doel en met dien verstande dat het horen van deze getuigen eventueel ook kan geschieden door één van de leden van de zittingscombinatie, als raadsheer-commissaris.

Verstaat dat het onderzoek na onderbreking zal worden voortgezet ter terechtzitting van dinsdag 25 mei 2010 te 09.30 uur.

Aldus gewezen door

mr J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr J.I.M.W. Bartelds en mr P.H.A.J. Cremers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G. Heeres, griffier,

en op 22 april 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.