Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM0944

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-04-2010
Datum publicatie
13-04-2010
Zaaknummer
24-002753-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OVAR. Het hof komt tot een bewezenverklaring van poging tot doodslag. Naar het oordeel van het hof is het echter aannemelijk geworden dat verdachte uit noodweer heeft gehandeld. Van verdachte kon in redelijkheid niet worden gevergd dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan. Het is aannemelijk geworden dat verdachte niet in de gelegenheid was om te vluchten voor de aanval van de groep personen die hem omringden. Het door verdachte gebruikte geweld (zwaaien met een mes) is - gelet op de getalsmatige overmacht van de groep en het feit dat zij gewapend waren - niet als disproportioneel aan te merken.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht
Wetboek van Strafrecht 41
Wetboek van Strafrecht 45
Wetboek van Strafrecht 287
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2010/436
JIN 2010/394
VA 2011/20 met annotatie van J.H. Janssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002753-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-607210-07

Arrest van 9 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 30 oktober 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1987] te [geboorteplaats],

ingeschreven te [woonplaats], van [adres],

thans verblijvende in PI NH Nrd, Westlinge BB, Zelfmeldinrichting te Heerhugowaard,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.W. Syrier, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 13 juni 2008 en 26 maart 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem onder 1 primair ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met aftrek van de periode die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - als voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

1.

hij op of omstreeks 20 mei 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) met een/twee mes(sen), in ieder geval met (een) dergelijk(e) scherp(e)/puntig(e) voorwerp(en) in de linkerzij, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken/geprikt/gesneden (terwijl die [slachtoffer] zich op de grond bevond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 mei 2007 in de gemeente [gemeente] tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (steekwond in de linkerzij en/of een wondje/gaatje in de linkerlong), heeft toegebracht, door deze opzettelijk meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) met een/twee mes(sen), in ieder geval met (een) dergelijk(e) scherp(e)/puntig(e) voorwerp(en) in de linkerzij, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] te steken/prikken/snijden (terwijl die [slachtoffer] zich op de grond bevond);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 mei 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) met een/twee mes(sen), in ieder geval met (een) dergelijk(e) scherp(e)/puntig(e) voorwerp(en) in de linkerzij, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] heeft gestoken/geprikt/gesneden (terwijl die [slachtoffer] zich op de grond bevond), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 mei 2007 in de gemeente [gemeente] met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat] en/of nabij het '[naam]', in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht)

- maken van een kopstootbeweging in de richting van het hoofd, in ieder geval van het lichaam, van die [slachtoffer] en/of

- tonen van een/twee mes(sen), in ieder geval (een) dergelijk(e) scherp(e)/puntig(e) voorwerp(en) aan die [slachtoffer] en/of

- steken/prikken/snijden met een/twee mes(sen), in ieder geval met (een) dergelijk(e) scherp(e)/puntig(e) voorwerpen, in de linkerzij, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] (terwijl die [slachtoffer] zich op de grond bevond).

Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Door de raadsman is ter terechtzitting van het hof betoogd dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet op de dood van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever [slachtoffer] had. Verdachte heeft met een mes slechts zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van - onder meer - [slachtoffer], waarmee de aanmerkelijke kans op dodelijk of zwaar lichamelijk letsel niet in het leven is geroepen. Daarnaast kan ten aanzien van de meer subsidiair ten laste gelegde openlijke geweldpleging geen bewezenverklaring volgen, nu verdachte niet in vereniging heeft gehandeld. Verdachte dient derhalve te worden vrijgesproken van het hem (onder 1) ten laste gelegde.

Met het oog op dit verweer is het volgende van belang. Uit de processtukken en het verhandelde ter terechtzittingen is gebleken dat er op 20 mei 2007 een confrontatie tussen verdachte en zijn broer, [naam], enerzijds en aangever [slachtoffer] en anderen anderzijds heeft plaatsgevonden. Over de toedracht en het verloop van de confrontatie lopen de verklaringen van deze partijen (sterk) uiteen. Wat hier ook van zij, vast staat dat verdachte op enig moment tijdens de confrontatie een mes in zijn handen heeft gehad. Verdachte heeft zowel ten overstaan van de politie, als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep verklaard dat hij met dit mes in de richting van de anderen - personen door wie hij en zijn broer naar eigen zeggen op dat moment zouden worden belaagd - (krachtige) zwaaiende bewegingen heeft gemaakt, waarbij hij iemand heeft geraakt. Uit een letselbeschrijving is gebleken dat aangever [slachtoffer] een steekverwonding aan zijn rug heeft opgelopen, met een klaplong in de linkerborst tot gevolg.

Nu verdachte in een confrontatie met een (groot) aantal personen heeft rondgezwaaid met een mes, heeft hij naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat een persoon deel uitmakende van deze groep, in dit geval [slachtoffer], ten gevolge van verdachtes handelen zou kunnen overlijden als gevolg van een steekverwonding door hem toegebracht. Het hof verwerpt dan ook het verweer dat verdachtes opzet niet op de dood van het slachtoffer zou zijn gericht.

Gelet op voorgaande behoeven de overige gevoerde (bewijs)verweren geen bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op 20 mei 2007 in de gemeente [gemeente] ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet (met kracht) met een mes in het lichaam van die [slachtoffer] heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid

De verdediging heeft ter zitting van het hof een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweer-exces. Ter onderbouwing van dit betoog is de raadsman uitgegaan van de verklaringen van verdachte en zijn broer omtrent de feiten en omstandigheden zoals die op 20 mei 2007 zouden hebben plaatsgevonden. Verdachte zou in een confrontatie tussen zijn broer en - in beginsel - aangever [slachtoffer] terecht zijn gekomen, waarbij zich op een gegeven moment een (onbekend gebleven) aantal personen bij de groep van aangever heeft gevoegd. Verdachte en zijn broer zouden zijn belaagd door deze groep, waarvan enkele personen bewapend zouden zijn geweest met - onder andere - een stok en een mes. Als verdachte tijdens de confrontatie een mes op de grond ziet liggen, dat kennelijk aan iemand van de andere groep toebehoort, heeft hij deze opgeraapt en hiermee zwaaiende bewegingen gemaakt om de personen die zijn broer en hem belaagden, af te weren. Op deze manier hebben verdachte en zijn broer kans gezien aan de situatie te ontkomen. Verdachte heeft hierbij aangever [slachtoffer] met het mes geraakt.

De rechtbank is bij de beoordeling van het beroep op noodweer(-exces) echter uitgegaan van verklaringen van getuigen die - kort gezegd - behoren bij de groep van aangever [slachtoffer]. Hierbij heeft de rechtbank, zo begrijpt het hof, een grote rol toegedicht aan wat er aan de betreffende confrontatie is voorafgegaan. Verdachte en zijn broer zouden eerder op de dag een bezoek aan de broer van aangever hebben gebracht om te achterhalen waar aangever [slachtoffer] zich op dat moment bevond. De broer van verdachte heeft tevens een sms-bericht naar aangever verzonden maar daarin de boodschap: "Ik kom naar je os, niet om te praten." Het achterliggende conflict is een vermeende geldschuld van aangever aan de broer van verdachte. Uiteindelijk is de afspraak gemaakt elkaar te treffen op het [naam] te [plaats], waarbij verdachtes broer verdachte heeft meegenomen voor het geval de confrontatie zou escaleren en ze zich beiden, in de visie van de rechtbank, hebben voorzien van een wapen. Verdachte en zijn broer hebben aldus de confrontatie opgezocht met als doel het geschil op gewelddadige wijze te beslechten. Op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden is er geen sprake geweest van een noodweersituatie, aldus de rechtbank.

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld welke van vorenuiteengezette versies van datgene wat op 20 mei 2007 zou hebben plaatsgevonden, als het meest aannemelijk moet worden beschouwd. Het hof volgt verdachte en zijn broer in hun verklaringen omtrent hetgeen op 20 mei 2007 is voorgevallen. Verdachte heeft namelijk telkens buitengewoon consistent verklaard ten aanzien van zijn rol en die van zijn broer in het geheel. Daarbij heeft hij - naar het oordeel van het hof - deze rollen niet gebagatelliseerd. Bovendien wordt verdachtes verhaal op essenti?le punten ondersteund door de verklaring van zijn broer, terwijl kan worden vastgesteld dat er in beginsel geen ruimte heeft bestaan voor verdachte en zijn broer om de verklaringen op elkaar af te stemmen.

Daarentegen zijn er in de verklaringen van aangever en de getuigen die - kort gezegd - tot zijn groep behoren, naar het oordeel van het hof, op essenti?le punten vele inconsistenties te ontdekken. Zo zijn er, zo is ter terechtzitting van het hof gebleken, tegenstrijdige verklaringen afgelegd over met hoeveel mensen aangever [slachtoffer] zich naar het [naam] heeft begeven, of hij tijdens de autorit ernaar toe al dan niet mensen heeft gebeld met de vraag zich aldaar bij hen te voegen en hoeveel personen er tijdens de confrontatie deel uitmaakten van de groep. Hierbij verdient opmerking dat de indruk die het hof van de ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2010 gehoorde aangever heeft bekomen, bijdraagt aan dit oordeel van het hof.

Uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzittingen in hoger beroep stelt het hof dan ook de volgende feitelijke gang van zaken vast.

De broer van verdachte heeft een conflict met aangever [slachtoffer] over een vermeende geldschuld van laatstgenoemde aan de broer van verdachte. Op 20 mei 2007 probeert de broer van verdachte dat geld van [slachtoffer] te innen. Daartoe tracht hij hem enkele keren te bellen en te sms'en en brengt hij, samen met zijn broer (verdachte), een bezoek aan de woning van aangever. Aangever [slachtoffer] blijkt echter niet thuis te zijn, zijn jongere broer staat hen te woord. Uiteindelijk wordt de afspraak gemaakt dat verdachtes broer en aangever elkaar zullen treffen op het [naam] te [plaats] om een en ander uit te spreken. De broer van verdachte vraagt daarop verdachte om hem te vergezellen naar het station. Als ze enkele minuten op het station zitten, zien ze aangever [slachtoffer] hun kant op lopen. Hierop loopt de broer van verdachte aangever tegemoet. Op dat moment komen nog een aantal personen op verdachtes broer aflopen, die kennelijk behoren bij aangever [slachtoffer]. Hierop begint [slachtoffer] de broer van verdachte te slaan en de andere personen trekken verschillende wapens, waaronder messen en stokken. Verdachte ziet dat zijn broer wordt aangevallen door in ieder geval zes personen en hij schiet zijn broer te hulp. Tijdens de vechtpartij ziet verdachte op een gegeven moment een mes op de grond liggen. Hij raapt deze op en maakt hiermee krachtige zwaaiende bewegingen in de richting van de personen die zijn broer en hem belagen met als doel hen af te weren. Verdachte heeft hierbij aangever [slachtoffer] met het mes geraakt.

Naar het oordeel van het hof is het aannemelijk geworden dat verdachte ter noodzakelijke verdediging van zijn lijf en dat van zijn broer tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, heeft gehandeld. Van verdachte kon in redelijkheid niet worden gevergd dat hij anders handelde dan hij heeft gedaan. Het is aannemelijk dat verdachte niet in de gelegenheid was om te vluchten voor de aanval van de groep personen die hem en zijn broer op dat moment omringden. Het door verdachte gebruikte geweld is - gelet op de getalsmatige overmacht van de groep van aangever [slachtoffer] en het feit dat zij bewapend waren - niet als disproportioneel aan te merken.

Verdachte is derhalve niet strafbaar voor het bewezenverklaarde feit, zodat hij moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van onder 2 ten laste gelegde;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover aan hoger beroep onderworpen, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte als voormeld onder 1 primair ten laste gelegde bewezen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

kwalificeert hetgeen is bewezen verklaard als hiervoor vermeld en verklaart dit feit strafbaar;

verklaart verdachte echter niet strafbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. J.J. Beswerda en mr. G.N. Roes, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier, zijnde mr. Roes voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.