Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM0550

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
31-03-2010
Datum publicatie
09-04-2010
Zaaknummer
21-001039-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

verweer art 5 EVRM

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

pkn: 21-001039-10

Het gerechtshof heeft te beslissen op een verzoek, vervat in een verzoekschrift van 26 maart 2010, ingekomen ter griffie van het hof op 26 maart 2010, namens de verdachte,

{ verdachte},

geboren te { geboorteplaats} op { geboortedatum} ,

verblijvende in het huis van bewaring te { verblijfplaats},

tot opheffing dan wel schorsing van het tegen die verdachte rechtens gegeven en nog van kracht zijnde bevel tot voortduren van de voorlopige hechtenis.

Het hof heeft gehoord in raadkamer van heden de advocaat-generaal en verdachte, bijgestaan door S Koster, advocate te Amsterdam.

OVERWEGINGEN:

In raadkamer van heden heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte een hem opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf onderging, waarvan de tenuitvoerlegging is geschorst door het ingaan van de huidige voorlopige hechtenis en dat de voorlopige hechtenis opgeheven dan wel geschorst zou moeten worden om verdachte verder de hiervoor opgelegde vrijheidsstraf te laten ondergaan. In dat verband heeft zij verwezen naar artikel 5 EVRM, aangezien een alternatief voor de voorlopige hechtenis aanwezig is en daaraan de voorkeur gegeven moet worden. Het hof is echter van oordeel dat het enkele feit dat de vrijheidsontneming op een andere plaats of wijze zou kunnen worden tenuitvoergelegd geen grond oplevert voor opheffing of schorsing van de voorlopige hechtenis. Uit artikel 5 EVRM kan zulks niet worden afgeleid, aangezien ook in de bepleite variant de vrijheidsontneming zou worden gecontinueerd.

De gronden waarop het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte berust, zijn nog steeds aanwezig, zodat het primaire verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte moet worden afgewezen.

Het hof is na onderzoek gebleken dat geen redenen aanwezig zijn tot enige schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, zodat het subsidiaire verzoek moet worden afgewezen.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in de artikelen 69, 80 e.v. van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof wijst het primaire en subsidiaire verzoek af.

Aldus gegeven op 31 maart 2010 door mr A.E. Harteveld, voorzitter, mr H. Abbink en mr A.W.M. Elders, raadsheren, in tegenwoordigheid van J. Jansen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.