Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BM0056

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-04-2010
Datum publicatie
06-04-2010
Zaaknummer
24-002455-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2009:BJ8171, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van -in totaal- tien jaar.

Verdachte is schuldig bevonden aan het veroorzaken van een aanrijding waarbij een negenjarig kind is overleden.

Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol en heeft zeer onvoorzichtig en zeer onoplettend over de weg gereden. Het hof acht niet bewezen dat verdachte roekeloos heeft gereden. Na de aanrijding is verdachte zonder zijn snelheid te minderen en af te remmen doorgereden. Daarnaast is bewezenverklaard dat verdachte een jaar tevoren zich eveneens schuldig heeft gemaakt aan doorrijden na aanrijding.

Gelet op de ernst van met name de aanrijding met dodelijke afloop en verdachtes bagatelliserende houding ten aanzien van zijn alcoholgebruik heeft het hof voormelde gevangenisstraf opgelegd in afwijking van de landelijke oriëntatiepunten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2011/56
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002455-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-410047-09

Arrest van 2 april 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 22 september 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans verblijvende in P.I. Veenhuizen, gevangenis Norgerhaven te Veenhuizen,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. W.M. Bierens, advocaat te Assen.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, voor zover vatbaar voor hoger beroep, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, een bijkomende straf en maatregelen, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het hierna onder 3 ten laste gelegde feit, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte, ten aanzien van de feiten 1 primair, 2 en 4 primair, zal veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren alsmede ten aanzien van feit 1 primair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 8 jaren, ten aanzien van feit 2 een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar, ten aanzien van feit 4 primair een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 1 jaar alsmede onttrekking aan het verkeer van een aantal valse bankbiljetten.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover vatbaar voor hoger beroep, vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - ten laste gelegd, dat:

1

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, aangezien hij toen aldaar roekeloos, althans zeer of aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend

- nadat hij een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

- zich slingerend over de weg voortbewoog en

- op enig moment aan de verkeerde kant van de weg reed

- een in of aan de berm van die [straat] staand persoon ([slachtoffer 1]) niet

heeft opgemerkt

- waarna hij met nagenoeg onverminderde snelheid met dat motorrijtuig op die

[straat] tegen die in of aan de berm van die [straat] staand persoon ([slachtoffer 1]) is aangereden,

waardoor die persoon ([slachtoffer 1]) werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

dat hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als

bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd,

terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van alcohol, waarvan hij wist of

redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in

combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon

verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;

en/of

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder

van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, [straat], tegen

een in of aan de berm van die [straat] staand persoon ( [slachtoffer 1]) is

aan gereden, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd

veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd

gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2

hij op of omstreeks 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder

van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens gedraging

een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval

heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of redelijkerwijs moest

vermoeden dat een ander (te weten [slachtoffer 1]) was gedood, dan wel

letsel aan een ander ([slachtoffer 1]) was toegebracht en/of waardoor die

[slachtoffer 1] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3

hij op of omstreeks 24-25 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], in elk

geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk bankbiljetten van vijftig en twintig Euro, die verdachte

en/of zijn mededader(s) zelf heeft nagemaakt of vervalst of waarvan de

valsheid of vervalsing verdachte en/of zijn mededader(s), toen hij en/of zijn

mededader(s) die ontving, bekend was/waren, met het oogmerk om die als echt en

onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad heeft gehad;

4

hij op of omstreeks 25 november 2008 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], als

bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een verkeersongeval of door wiens

gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [straat], de

plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist of

redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 2]) schade was

toegebracht;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij te [plaats 1], gemeente [gemeente 1] en/of [plaats 2], gemeente [gemeente 2], in elk geval in Nederland, als eigenaar of houder van een motorrijtuig, voorzien van het kenteken [kenteken], - waarmee op of omstreeks 25 november 2008 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2] op de [straat] een bij de Wegenverkeerswet 1994 als misdrijf strafbaar gesteld feit, te weten overtreding van artikel 7 van genoemde wet, werd begaan door een bij ontdekking van dat feit onbekend gebleven bestuurder - niet heeft voldaan aan de verplichting om op de hem, op 3 maart 2008 schriftelijke en/of op 17 mei 2009 mondeling gedane daartoe strekkende vordering van de hoofdagent van de Regiopolitie IJsselland, [naam] binnen de door deze daarbij gestelde bestuurder bekend te maken, immers had verdachte, op 4 juni 2009, nog niet aan deze verplichting voldaan.

Salduz-verweer

De raadsman heeft met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde - met een beroep op de zogenoemde Salduz-jurisprudentie van de Hoge Raad - betoogd dat de processen-verbaal van verhoor van verdachte van 25 mei 2009 te 13.45 uur en 26 mei 2009 te 10.25 uur niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, omdat voorafgaande aan deze verhoren aan verdachte niet de gelegenheid is geboden om een advocaat te raadplegen.

Met betrekking tot het verweer dat de eerste twee verhoren van verdachte niet voor het bewijs mogen worden gebruikt, is het hof van oordeel dat de rechtbank ter zake van dat verweer op juiste gronden heeft beslist. Het hof overweegt met aanvulling van die gronden het navolgende.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 30 juni 2009 (LJN BH3079) als uitgangspunt geformuleerd dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 EVRM (Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens) een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. De verdachte dient dan ook, voorafgaande aan zijn eerste verhoor, gewezen te worden op dit recht. Niet-naleving van deze regels zal, ingeval van een verweer terzake, moeten leiden tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen en van het bewijsmateriaal dat is verkregen als rechtstreeks gevolg daarvan.

In de onderhavige zaak is verzuimd verdachte voorafgaande aan de eerste verhoren in de gelegenheid te stellen een advocaat te raadplegen. Het hof zal daarom de door verdachte op 25 mei 2009 om 13.45 uur en 17.50 uur en op 26 mei 2009 om 10.25 uur afgelegde verklaringen niet gebruiken voor het bewijs.

De stelling van de advocaat-generaal dat verdachte zelf telefonisch contact heeft opgenomen met de politie en zich, wetende dat de politie naar hem op zoek is, meldt op het politiebureau en daarmee in de gelegenheid is geweest vooraf een raadsman te consulteren, doet hier naar het oordeel van het hof niet aan af.

Verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen.

Door de raadsman is kort voor de terechtzitting verzocht de ballonvaarders als getuigen te horen.

Gelet op het tijdstip waarop de raadsman zijn verzoek heeft gedaan, is het noodzaakcriterium van toepassing bij de beoordeling van het verzoek.

De advocaat-generaal heeft een kopie van een handgeschreven tekst, klaarblijkelijk geschreven door de familie [getuigen 10] uit [plaats 3], gericht aan de ouders van het slachtoffer [slachtoffer 1], aan het hof overgelegd.

Voornoemde getuigen schrijven onder meer het volgende:

'Wij begrepen dat het ongeluk is gebeurd tijdens het kijken naar de luchtballon. Wij waren degenen die daarin zaten, hebben er niets van ontdekt maar hoorden het later'

Naar het oordeel van het hof kan deze mededeling redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan dat deze getuigen niets hebben gezien van het ongeluk en is derhalve de noodzaak tot het horen van deze getuigen niet gebleken.

Het hof wijst het verzoek af.

Bewijsmotivering

Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde heeft de raadsman zich met betrekking tot het rijgedrag van verdachte op het standpunt gesteld, dat alleen kan worden vastgesteld dat verdachte als bestuurder van de auto onder invloed van alcohol verkeerde, maar dat een causaal verband tussen het rijden onder invloed en het ongeval niet kan worden vastgesteld. Gegeven de mogelijkheid dat het slachtoffer plotseling de straat is opgerend, zou dit ongeval iedere automobilist hebben kunnen overkomen. De raadsman heeft vrijspraak voor het primair tenlastegelegde bepleit.

De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het weggedrag van verdachte voorafgaand aan het door zijn schuld veroorzaakte ongeval dient te worden aangemerkt als roekeloos.

Het hof overweegt het volgende.

Voor de beantwoording van de vraag of verdachte schuld heeft gehad aan een verkeersongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, dient acht te worden geslagen op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst van die gedragingen alsmede de overige omstandigheden van het geval. Met de term roekeloosheid in de zin van artikel 175 van de Wegenverkeerswet wordt gedoeld op de zwaarste vorm van schuld.

In de onderhavige zaak leidt het hof uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feitelijke gang van zaken af.

a. Verdachte heeft op 24 mei 2009 in zijn auto (een Nissan Patrol met kenteken [kenteken]) gereden over de [straat] te [plaats 1].1 Verdachte heeft daar toen een persoon genaamd [slachtoffer 1] aangereden.2 [slachtoffer 1] is als gevolg van die aanrijding opgenomen in het ziekenhuis, waar hij op 25 mei 2009 aan zijn verwondingen is overleden. Uit het verslag van de lijkschouw blijkt dat [slachtoffer 1] is overleden ten gevolge van massaal hersenletsel en inwendige bloedingen na aanrijding door auto.3 Het hof stelt op basis van dat verslag vast dat de dood van [slachtoffer 1] veroorzaakt is door de aanrijding.

b. Vlak voor de aanrijding stond [slachtoffer 1] in de berm, aan de (gezien vanuit

verdachtes rijrichting) linkerkant van de [straat], ter hoogte van de oprit naar de woning van de familie [slachtoffer 1] op nummer 86. Hij stond naar een opstijgende luchtballon te kijken en riep iets in de richting van de mensen in de luchtballon.4

c. Als gevolg van de aanrijding heeft de auto van verdachte (de blauwe Nissan Patrol [kenteken]) schade opgelopen aan de voorzijde, op de grens van de motorkap en het linker spatscherm. De op het voertuig gemonteerde bullbar was in achterwaartse richting ontzet. Op de linkerhelft van de motorkap was een deuk zichtbaar met een diameter van ongeveer 25 cm. De schade was ten tijde van het onderzoek aan de auto op 29 mei 2009 nog recent.5 Op de motorkap ter hoogte van de deuk zijn enkele haren aangetroffen.6 Uit morfologisch haaronderzoek is gebleken dat de haren mogelijk van [slachtoffer 1] afkomstig zijn. Verdachte geeft geen andere verklaring voor de deuk in de motorkap dan de aanrijding op 24 mei 2009 op de [straat].7

Het hof concludeert hieruit dat verdachte het slachtoffer met de linkervoorkant van zijn auto heeft geraakt. Gelet op het feit dat [slachtoffer 1] vlak voor de aanrijding in de berm stond, gezien vanuit verdachtes rijrichting aan de linkerkant van de [straat] (zie onder b), en gelet op de plek van de opgelopen schade aan de linkerkant van de auto, kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat verdachte aan de verkeerde kant van de weg heeft gereden ten tijde van de aanrijding.

d. Na de aanrijding is verdachte zonder snelheid te verminderen doorgereden in de

richting van [plaats 1].8 Op de plaats van het ongeval is geen enkel spoor aangetroffen dat te herleiden is tot het ongeval.9 Verdachte verklaart ter zitting niet te hebben gezien dat hij een kind heeft aangereden. Volgens het hof blijkt hieruit dat verdachte het slachtoffer in het geheel niet, maar in ieder geval niet tijdig heeft opgemerkt en geen poging (meer) heeft gedaan - al dan niet reflexmatig - om het slachtoffer te ontwijken.

Op een foto in het dossier10 en een plattegrond van Google-maps van de [straat]11 heeft het hof waargenomen dat de weg ter hoogte van de uitrit van de woning op nummer 86 vrijwel recht loopt en dat er geen sprake is van zichtbelemmerende bossages langs de weg. De situatie ter plaatse is naar het oordeel van het hof overzichtelijk en meer in het bijzonder is de woning op nummer 86 en bijbehorende uitrit, gezien vanuit de rijrichting van verdachte, goed zichtbaar.

Uit het feit dat verdachte het slachtoffer in de berm van deze overzichtelijke weg niet of niet tijdig heeft opgemerkt, concludeert het hof dat verdachte zijn ogen niet goed op de weg gericht heeft gehouden. De door de raadsman geopperde mogelijkheid dat [slachtoffer 1] plotseling de weg is opgerend behoeft derhalve geen bespreking meer.

Het hof leidt dit tevens af uit de verklaring van verdachte zoals afgelegd ter zitting van het hof, waar hij heeft verklaard:

"Ik keek naar rechts omdat ik meende daar wat te zien. Dat heeft mogelijk enkele

seconden geduurd. Daarna hoorde ik een geluid. Nadat ik dit geluid hoorde keek ik naar voren. Ik heb toen niet geremd en ben met dezelfde snelheid doorgereden."

e. Verdachte is na het ongeval de eerste weg rechts, de [naam], ingeslagen en

kwam op enig moment achter de auto te rijden van getuige [getuige 1]. Verdachte zwalkte daar, aldus getuige [getuige 1], toen van links naar rechts over de weg en daarbij is hij een paar maal met zijn auto half in de berm gekomen.12

Naar het oordeel van het hof kan uit voornoemd weggedrag echter niet worden geconcludeerd dat verdachte ook vóór de aanrijding slingerend rijgedrag heeft vertoond.

Voorts is niet vast komen te staan dat verdachte ten tijde van het ongeval harder heeft gereden dan was toegestaan, dan wel harder dan gelet op de verkeerssituatie verantwoord was.

f. Verdachte verkeerde onder invloed van alcohol. Zelf heeft hij verklaard dat hij

10 tot 13 biertjes heeft gedronken in de loop van hele middag tot ongeveer een uur voor het ongeval.13 Getuigen (te weten bezoekers en organisatoren van de trekkerslep te [plaats 4], waar verdachte die zondagmiddag aanwezig was geweest) omschrijven de kennelijke staat waarin verdachte aan het einde van de 'trekkerslep' verkeerde en aldus, vlak voordat verdachte de trekkerslep verliet om via de [straat] naar huis te rijden, als volgt.

- Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat verdachte niet nuchter op hem overkwam, en dat hij aan de ogen van verdachte kon zien dat verdachte gedronken had;14

- Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte onder invloed was;15

- Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat hij verdachte tijdens de wedstrijden van de trekkerslep wel 10 keer naar de tent heeft zien lopen waar bier te verkrijgen was, en dat verdachte dan met een treetje met 6 bekers bier terug kwam en daarvan uitdeelde en er zelf ook van dronk. Verder heeft deze getuige ook gezien dat verdachte ook wel bier van andere mensen kreeg;16

- Getuige [getuige 5] heeft verklaard, dat hij verdachte de hele middag bier heeft zien innemen, dat hij verdachte regelmatig heen en weer zag lopen met treetjes bier en dat hij daarvan dan uitdeelde en er zelf ook van dronk, alsmede dat verdachte ook van andere mensen dronk die bier hadden gehaald;17

- Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat verdachte met dubbele tong sprak en onvast ter been was. Hij omschrijft verdachte als vervelend, stomdronken en laveloos;18

- Getuige [getuige 7] heeft verklaard, dat verdachte onvast ter been was en wankelde op zijn benen. Hij sprak ook met dubbele tong;19

- Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat hij aan de manier van spreken merkte dat verdachte gedronken had;20

- Getuige [getuige 9] heeft verklaard dat hij aan de ogen en het gedrag van verdachte kon merken dat verdachte gedronken had. Hij omschrijft verdachte als verder heen dan aangeschoten. Hij was dronken.21

Het hof stelt, op basis van deze getuigenverklaringen en die van verdachte zelf, vast dat verdachte ten tijde van het ongeval onder zodanige invloed van alcoholische drank verkeerde dat hij niet meer tot behoorlijk besturen in staat was.

De hiervoor door het hof vastgestelde gedragingen en omstandigheden leveren in onderlinge samenhang bezien naar het oordeel van het hof evenwel geen roekeloos rijgedrag op.

Gelet op voorgaande overwegingen zal het hof verdachte vrijspreken van het roekeloos rijgedrag.

Het hof is voorts van oordeel dat uit de hiervoor door het hof vastgestelde gedragingen en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, wel kan worden afgeleid dat het rijgedrag van verdachte ten tijde van het ongeval zeer onvoorzichtig en zeer onoplettend is geweest.

Het hof zal derhalve het zeer onvoorzichtig en zeer onoplettend rijgedrag bewezen verklaren.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

1 primair

hij op 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de [straat], zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, aangezien hij toen aldaar zeer onvoorzichtig en onoplettend

- nadat hij een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank had genuttigd

- op enig moment aan de verkeerde kant van de weg reed

- een in de berm van die [straat] staand persoon ([slachtoffer 1]) niet heeft

opgemerkt

- waarna hij met nagenoeg onverminderde snelheid met dat motorrijtuig op die [straat] tegen die in de berm van die [straat] staand persoon ([slachtoffer 1] [slachtoffer 1]) is aangereden, waardoor die persoon ([slachtoffer 1]) werd gedood, terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2

hij op 24 mei 2009 te [plaats 1], gemeente [gemeente 1], als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op de [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden een ander (te weten [slachtoffer 1]) was gedood, dan wel letsel aan een ander ([slachtoffer 1]) was toegebracht waardoor die [slachtoffer 1] in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

4 primair

hij op 25 november 2008 te [plaats 2], gemeente [gemeente 2], als bestuurder van een motorrijtuig door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt op [straat], de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [slachtoffer 2]) schade was toegebracht;

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair, 2 en 4 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1 primair: Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van deze wet,

2 en 4 primair telkens: Overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 24 mei 2009 schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij de negenjarige [slachtoffer 1] om het leven is gekomen.

Het hof rekent het verdachte zwaar aan dat hij, na gebruik van een aanzienlijke hoeveelheid alcohol en wetende dat hem de bevoegdheid tot het besturen van motorvoertuigen was ontzegd en dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, heeft deelgenomen aan het verkeer. Voorts heeft verdachte niet voortdurend zijn aandacht op de weg gehad.

Vervolgens is verdachte na de aanrijding doorgereden zonder zijn identiteit bekend te maken. Verdachte heeft zelfs alles in het werk gesteld om te verbergen dat hij degene was geweest die het ongeval had veroorzaakt.

Het overlijden van [slachtoffer 1] heeft onnoemelijk veel leed veroorzaakt bij de ouders van [slachtoffer 1] en andere familieleden, hetgeen door de moeder van [slachtoffer 1] tot uitdrukking is gebracht in de slachtofferverklaring, die zij ter zitting van het hof heeft voorgelezen.

Daarnaast heeft het hof het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 25 november 2008 ook schuldig gemaakt aan het doorrijden na een aanrijding. Ook die dag verkeerde verdachte onder invloed van alcohol.

Voorts heeft verdachte, zoals hij ter terechtzitting heeft erkend, zich schuldig gemaakt aan de ad informandum gevoegde strafbare feiten, vermeld op de inleidende dagvaarding. Deze ad informandum gevoegde strafbare feiten zullen door het hof worden meegewogen in na te melden straf en zijn daarmee afgedaan.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 januari 2010, waaruit blijkt dat verdachte meerdere malen ter zake van het rijden onder invloed van alcohol en andere verkeersmisdrijven en -overtredingen is veroordeeld en desondanks blijft recidiveren.

Verdachte is zelfs kort voor het fatale verkeersongeval van 24 mei 2009 veroordeeld door de Politierechter Zwolle van 15 mei 2009 ter zake van het rijden onder invloed, maar ook dat heeft hem niet weerhouden om aan het verkeer deel te blijven nemen.

Het hof heeft voorts in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen uit de over verdachte opgemaakte rapporten van de gedragsdeskundigen Sterk en Bruijns.

Beide gedragsdeskundigen concluderen dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een persoonlijkheidsproblematiek met antisociale en narcistische trekken, die bij verdachte worden gekenmerkt door een egocentrische houding, waarbij sprake is van een lacunaire gewetensfunctie en afweervorm waarbij hij pijnlijke gevoelens van kwetsbaarheid afweert door te externaliseren en bagatelliseren.

Als gevolg van de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens is verdachte minder goed in staat om zijn wil dienovereenkomstig in vrijheid te bepalen. beide gedragsdeskundigen adviseren verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Vanuit forensisch oogpunt is behandeling geïndiceerd maar de kans op een succesvol verloop lijkt beperkt omdat verdachte zelf weinig problemen en lijdensdruk ervaart.

Tevens is er een voorlichtingsrapport over verdachte uitgebracht door verslavingszorg Tactus d.d. 17 maart 2010, waaruit blijkt dat er sprake is van een jarenlang zorgelijk patroon van alcoholgebruik, voortkomend uit een bepaalde houding en leefwijze van verdachte. Er is geen inzicht bij verdachte in zijn alcoholproblematiek en hij meet zich in de visie van de reclassering een bagatelliserende houding ten opzichte van zijn strafblad en het onderhavige, zeer ernstige delict. Verdachte ontkent een probleem met alcoholgebruik te hebben en is van mening dat hij er makkelijk van af zou kunnen blijven als hij dit zou willen. Mocht verdachte zonder enige behandeling of begeleiding over een aantal jaren de gevangenis verlaten, dan zal de kans op recidive onverminderd hoog zijn.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat slechts een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

Het hof heeft bij de bepaling van de hoogte van de op te leggen straf gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Het hof is evenwel van oordeel dat gezien de mate van recidive van verdachte, alsmede zijn bagatelliserende houding ten aanzien van zijn alcoholgebruik, in samenhang met de ernst van het feit, in afwijking van die oriëntatiepunten, oplegging van een aanmerkelijk hogere gevangenisstraf passend en geboden is. De enigszins verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte ten tijde van de aanrijding met [slachtoffer 1], waartoe de gedragsdeskundigen concluderen, heeft het hof niet anders doen beslissen.

Het hof overweegt ten overvloede dat verdachte, indien hij daaraan wenst mee te werken, binnen de detentiefasering optimaal gebruik kan maken van een Penitentiair Programma of het traject Terugdringen Recidive.

Het hof ziet in bovenstaande voorts aanleiding om aan verdachte een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen op te leggen.

Onttrekking aan het verkeer

De door het hof aan het verkeer te onttrekken voorwerpen zijn daarvoor vatbaar.

Het in bezit hebben van valse bankbiljetten, welke zijn aangetroffen in verdachtes woning,

is een strafbaar feit en het ongecontroleerde bezit daarvan is in strijd met de wet en het

algemeen belang.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 36b, 36c, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 7, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, voor zover voor hoger beroep vatbaar, en in zoverre opnieuw recht doende:

verklaart de verdachte niet ontvankelijk in zijn hoger beroep, voor zover dit is gericht tegen de vrijspraak ter zake van het onder 3 tenlastegelegde;

verklaart het verdachte onder 1 primair, 2 en 4 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1, 2 en 4 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van vier jaar en zes maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder het onder 1 primair bewezen verklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van acht jaren;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar;

ontzegt aan de veroordeelde ter zake van het onder 4 primair bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar;

verklaart onttrokken aan het verkeer:

6 valse bankbiljetten van € 20,--,

6 valse bankbiljetten van € 50,--.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. J.F. Aalders, in tegenwoordigheid van G.G. Eisma als griffier, zijnde mr. J.F. Aalders buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 40, laatste alinea, en 40a, 4e alinea;

2 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 40a, vanaf 6e alinea en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11] (vader), pag. 19, alinea 1 t/m 3;

3 Verslag van de gemeentelijke lijkschouwer, pag. 17;

4 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11] (vader), pag. 19, 2e alinea;

5 (separaat) Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse onder BVH-nummer 2009010504, op 14 juli 2009 op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt door J.F. Martens en A.W. Stukker, beiden brigadier van politie, par. 1.4. onder C en par. 3.2.3.

6 (separaat) Proces-verbaal van Forensische Opsporing, op 1 september 2009 op ambtseed opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie, pagina 3, 16e regel van onder en verder;

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 40f, voorlaatste alinea;

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 11] (vader), pag. 19, 3e alinea en proces-verbaal van verhoor verdachte, pag. 40b, 7e alinea.

9 (separaat) Verkort Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse onder nummer 24050921401112, op 27 mei 2009 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, pag. 3 laatste zin.

10 (separaat) Verkort Proces-verbaal VerkeersOngevalsAnalyse onder nummer 24050921401112, op 27 mei 2009 op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], brigadier van politie, pag. 4

11 Plattegrond, pag. 21c

12 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1], pag 20, vanaf regel 4 en proces-verbaal van verhoor verdachte, pag 42b 8e alinea;

13 Verklaring verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting alsmede het proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag 40b, 3e alinea en pag. 42a laatste alinea;

14 Proces-verbaal van getuigenverhoor van B.J. [getuige 2], pag. 26a, regel 6 - 9;

15 Proces-verbaal van getuigenverhoor van A. [getuige 3], pag 27a laatste alinea;

16 Proces-verbaal van getuigenverhoor van G. [getuige 4], pag 29a, 2e en 4e alinea;

17 Proces-verbaal van getuigenverhoor van L.J. van der Linde, pag 30

18 Proces-verbaal van getuigenverhoor van R. [getuige 6], pag 31a, 2e alinea;

19 Proces-verbaal van getuigenverhoor van A. [getuige 7], pag. 32 regel 13 een 14 en pag 32a

20 Proces-verbaal van getuigenverhoor van R. [getuige 8], pag 33, laatste 4 regels;

21 Proces-verbaal van getuigenverhoor van R. [getuige 9], 1e alinea