Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL9342

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2010
Datum publicatie
29-03-2010
Zaaknummer
200.037.418/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opdracht tot verrichten notariële werkzaamheden buitengerechtelijke ontbinding gesteld noch gebleken. In deze procedure evenmin ontbinding gevorderd wegens toerekenbare tekortkoming, betalingsverplichting in stand gebleven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Arrest d.d. 23-03-2010

Zaaknummer 200.037.418/01

HET GERECHTSHOF TE ARNHEM

Nevenzittingsplaats Leeuwarden

Arrest van de derde kamer voor burgerlijke zaken in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna te noemen: [appellant],

toevoeging,

advocaat: mr. Ph. J. N. Aarnoudse, kantoorhoudende te Deventer,

tegen

[geïntimeerde],

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna te noemen: de Notarispraktijk,

advocaat: mr. J.L. Souman, kantoorhoudende te Epe.

Het geding in eerste instantie

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis uitgesproken op 2 april 2009 door de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Deventer, verder aan te duiden als de kantonrechter.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 30 juni 2009 is door [appellant] hoger beroep ingesteld van genoemd vonnis met dagvaarding van de Notarispraktijk tegen de zitting van

14 juli 2009.

De conclusie van de memorie van grieven luidt:

"1. het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector Kanton, locatie Deventer, met nummer 439406/CV EXPL 09-630 van 2 april 2009 te vernietigen;

2. opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vorderingen van geïntimeerde geheel af te wijzen ofwel geïntimeerde alsnog in haar vordering(en) niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar deze te ontzeggen;

3. geïntimeerde te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan appellant te vergoeden de kosten van het geding in eerste aanleg en appèl;

4. het vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren."

Het hof constateert dat productie 2 bij de "conclusie van eis in hoger beroep" in beide procesdossiers ontbreekt en niet is nagezonden.

Bij memorie van antwoord is door de Notarispraktijk verweer gevoerd met als conclusie:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven van appellant af te wijzen, met veroordeling van appellant in de kosten van de procedure in beide instanties."

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

De grieven

[appellant] heeft bij conclusie van eis in hoger beroep twee grieven opgeworpen. De eerste grief kwam ook reeds voor in de dagvaarding in hoger beroep. Het hof merkt op dat de grieven (kennelijk abusievelijk) zijn genummerd als grief 1 en grief 4. Het hof zal daarbij de nummering als gehanteerd door [appellant] volgen.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1. Tussen partijen staan in hoger beroep de volgende feiten vast als enerzijds gesteld en anderzijds onvoldoende weersproken:

[appellant] heeft zich tot de Notarispraktijk gewend met de opdracht werkzaamheden voor hem te verrichten. Het betrof notariële werkzaamheden met betrekking tot de aankoop va het appartementsrecht [adres], alsmede met betrekking tot de verdeling van het woonhuis aan [adres]. De Notarispraktijk heeft de kosten hiervan bij [appellant] in rekening gebracht.

Met betrekking tot grief 1

2. Deze grief richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat de vordering hem niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt.

3. [appellant] is in eerste aanleg wel verschenen, maar heeft blijkens het bestreden vonnis niet geconcludeerd voor antwoord. [appellant] stelt zich op het standpunt niet te hoeven betalen omdat de Notarispraktijk de werkzaamheden volgens hem niet naar behoren heeft uitgevoerd.

4. Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Vaststaat dat [appellant] zich tot de Notarispraktijk heeft gewend met de opdracht werkzaamheden voor hem te verrichten. Uit de bij de inleidende dagvaarding overgelegde producties 4 en 5 blijkt dat er inderdaad werkzaamheden zijn verricht door de Notarispraktijk.

4.1. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] de overeenkomst(en) met de notarispraktijk buitengerechtelijk heeft ontbonden. Hij heeft evenmin in deze procedure ontbinding gevorderd wegens de door hem gestelde toerekenbare tekortkomingen van de Notarispraktijk. Gesteld noch gebleken is dat de Notarispraktijk haar werkzaamheden nog niet heeft afgerond of de beweerde fouten nog kan herstellen, in afwachting waarvan [appellant] betaling zou hebben opschort. Onder die omstandigheden is de uit de overeenkomst van opdracht voortvloeiende betalingsverplichting van [appellant] in stand gebleven en is hij gehouden de overeengekomen vergoeding voor de door de Notarispraktijk verrichte werkzaamheden te voldoen. Nu [appellant] de hoogte van de vordering niet heeft bestreden, acht het hof deze toewijsbaar.

Met betrekking tot grief 4

5. Middels deze grief stelt [appellant] dat de kantonrechter ten onrechte heeft beslist zoals hij heeft geoordeeld en beslist. In de toelichting op deze grief stelt [appellant] te beogen dat het gehele vonnis aan het oordeel van het hof wordt onderworpen.

6. Ook deze grief faalt. In de toelichting op deze grief heeft [appellant] weliswaar vermeld dat hij hiermee de zaak in volle omvang door het hof wil laten beoordelen, maar aan deze "veeggrief" kunnen niet die gevolgen worden verbonden, die [appellant] daaraan gehecht wenst te zien, nu [appellant] - afgezien van de grief die hiervoor reeds is besproken - in dit geding niet op behoorlijke wijze gronden naar voren heeft gebracht, op grond waarvan het beroepen vonnis naar zijn mening behoort te worden vernietigd (vgl. HR 5 december 2003, RvdW 2003, 190 en HR 3 februari 2006, NJ 2006, 120).

De slotsom.

7. Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (1 procespunt, tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van de Notarispraktijk tot aan deze uitspraak op € 262,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mrs. Streppel, voorzitter, Verschuur en Breemhaar, raden,

en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 23 maart 2010 in bijzijn van de griffier.