Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL8937

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
25-03-2010
Datum publicatie
25-03-2010
Zaaknummer
24-000466-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van openlijke geweldpleging veroordeeld tot een geldboete van

€ 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 110,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000466-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-602261-07

Arrest van 25 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 13 februari 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

niet ter terechtzitting verschenen.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft beslist op de vordering van de benadeelde partij en heeft de schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Het hof heeft verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte.

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het aan verdachte ten laste gelegde bewezen zal verklaren en hem ter zake zal veroordelen tot een geldboete van € 300,00, subsidiair 6 dagen hechtenis. De advocaat-generaal heeft tevens gevorderd de vordering van de benadeelde partij hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 110,00 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 3 april 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straat], in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen twee, in ieder geval één of meer ruit(en) (van (een) winkel(s)), welk geweld bestond uit het gooien van (een) ste(e)n(en) door voornoemde ruit(en) en/of het meermalen, in ieder geval éénmaal schoppen/trappen tegen voornoemde ruit(en).

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 3 april 2007 te [plaats], in de gemeente [gemeente], met een ander, aan de openbare weg, de [straat], openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen ruiten van winkels, welk geweld bestond uit het gooien van stenen door voornoemde ruiten en het meermalen schoppen tegen voornoemde ruiten.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld tegen goederen door tezamen met een vriend ruiten van verschillende bedrijfspanden in te gooien. Door aldus te handelen hebben verdachte en zijn mededader de openbare orde geschonden en inbreuk gepleegd op het eigendomsrecht van de verschillende winkeliers, die daardoor schade hebben geleden.

Het hof heeft bij de bepaling van de straf rekening gehouden met het uit uittreksel uit de Justiti?le Documentatie, d.d. 11 december 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder met justitie in aanraking is gekomen.

Op grond van het vorenstaande in onderlinge samenhang beschouwd is het hof van oordeel dat een passende bestraffing in dit geval gevonden kan worden in het opleggen van de door de politierechter opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde geldboete.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter 's hofs terechtzitting is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg gedeeltelijk is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd.

Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als direct gevolg van het bewezenverklaarde feit schade heeft geleden. Naar het oordeel van het hof is de schade genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 110,00, zoals ook door de rechtbank is toegewezen. Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in de vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Aangezien verdachte jegens voornoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal het hof voormeld bedrag tevens toewijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP bij verstek:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van driehonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van zes dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats] , tot een bedrag van honderdtien euro;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van honderdtien euro ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twee dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

met dien verstande, dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter en mr. S.J. van der Woude en mr. J.H. Bosch in tegenwoordigheid van H. Pool als griffier, zijnde mr. Van der Woude voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.