Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL7561

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-03-2010
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
24-001892-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet vooropgesteld worden dat van gebruik maken van een vals geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht alleen kan worden gesproken indien het geschrift zelf, als middel tot misleiding, tegenover derden wordt gebruikt.

Kort samengevat is onder 2 primair ten laste gelegd dat de rechtspersoon gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, door deze op te nemen in haar eigen administratie, tot dan wel aan welke verboden gedraging verdachte opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven. Het enkel inbrengen van valse geschriften in de eigen administratie -zoals in het onderhavige geval- is echter nog geen 'gebruik' in de zin van voormeld artikel, nu de valse geschriften, als middel tot misleiding, nog niet tegenover derden zijn gebruikt.

Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden wegens feitelijk leidinggeven aan het indienen van onjuiste/onvolledige belastingaangiften. Undue delay.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001892-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-993034-05

Arrest van 15 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 19 juli 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1948] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R. Zilver, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en tot een werkstraf van 240 uren.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg en na verbeterde lezing, is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1.

[bedrijf 1] op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1], althans in het gerechtelijk arrondissement Zwolle en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over het/de jaar/jaren 2001 en/of 2002 en/of 2003 en/of 2004 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft voornoemde rechtspersoon (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1] en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over het/de jaar/jaren 2001 en/of 2002 en/of 2003 en/of 2004 onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.

[bedrijf 1] op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 2] en/of [plaats 3], althans in het gerechtelijk arrondissement Zwolle en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) zogenoemde werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) (zoals opgenomen in bijlage 44), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat voornoemd(e) werkgever(s)verklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) was/waren opgenomen in bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) valselijk, althans in strijd met de waarheid op voornoemd(e) werkgeversverklaring(en) stond(en) vermeld dat de betreffende werknemer in dienst was bij [bedrijf 1] en/of dat de betreffende werknemer het op de werkgeversverklaring genoemde inkomen had, en/of dat (telkens) valselijk, althans in strijd met de waarheid op voornoemde salarisspecificatie stond(en) vermeld dat genoemde werknemer het op de salarisspecificatie vermelde salaris uitgekeerd/betaald kreeg, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 2] en/of [plaats 3], althans in het gerechtelijk arrondissement Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e) zogenoemde werkgeversverklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) (zoals opgenomen in bijlage 44), - (elk) zijnde (telkens) een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat (telkens) voornoemd(e) werkgever(s)verklaring(en) en/of salarisspecificatie(s) was/waren opgenomen in bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat (telkens) valselijk, althans in strijd met de waarheid op voornoemd(e) werkgeversverklaring(en) stond vermeld dat de betreffende werknemer in dienst was bij [bedrijf 1] en/of dat de betreffende werknemer het op de werkgeversverklaring genoemde inkomen had en/of het op de salarisspecificatie vermelde salaris aan de betreffende werknemer werd uitgekeerd/betaald;

3.

[bedrijf 1] op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1], (althans) in het gerechtelijk arrondissement Zwolle en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting (zoals opgenomen in bijlage 5, 6 ,7 en 8) over het/de jaar/jaren 2001 en/of 2002 en/of 2003 en/of 2004, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/of een aangifte voor de vennootschapsbelasting (zoals opgenomen in bijlage 9) over het/de jaar/jaren 2001en/of 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die [bedrijf 1] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting en/of vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op een of meerdere tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1], (althans) in het gerechtelijk arrondissement Zwolle en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderen of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting (zoals opgenomen in bijlage 5, 6, 7 en 8) over het/de jaar/jaren 2001 en/of 2002 en/of 2003 en/of 2004, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en/of een aangifte voor de vennootschapsbelasting (zoals opgenomen in bijlage 9) over het/de jaar/jaren 2001 en/of 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Lelystad ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting en/of vennootschapsbelasting over genoemd(e) jaar/jaren een te laag belastbaar bedrag, althans een te laag bedrag aan belasting opgegeven.

Vrijspraak van het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad1 moet vooropgesteld worden dat van gebruik maken van een vals geschrift in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht alleen kan worden gesproken indien het geschrift zelf, als middel tot misleiding, tegenover derden wordt gebruikt.

Kort samengevat is onder 2 primair ten laste gelegd dat de rechtspersoon gebruik heeft gemaakt van valse geschriften, door deze op te nemen in haar eigen administratie, tot dan wel aan welke verboden gedraging verdachte opdracht dan wel feitelijk leiding heeft gegeven. Het enkel inbrengen van valse geschriften in de eigen administratie -zoals in het onderhavige geval- is echter nog geen 'gebruik' in de zin van voormeld artikel, nu de valse geschriften, als middel tot misleiding, nog niet tegenover derden zijn gebruikt.

In dezelfde zin is het onder 2 subsidiair ten laste gelegde gebruik niet aan te merken als gebruik, als middel tot misleiding, tegenover een derde.

Op grond van het vorenstaande dient verdachte te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde onder 2 primair en subsidiair.

Voor zover de steller van de tenlastelegging heeft beoogd in het subsidiair ten laste gelegde de rechtspersoon [bedrijf 1] zelf aan te merken als de 'derde' jegens wie in vorenbedoelde zin de valse geschriften zouden zijn gebruikt, oordeelt het hof als volgt: nu de uitvoerder(s) van de verweten gedraging(en) in dit geval vereenzelvigd moet(en) worden met de rechtspersoon in kwestie, is er in het onderhavige geval geen sprake van een 'derde' in de hierboven genoemde zin.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1 primair

en 3 primair

Daderschap van de rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad2 kan een rechtspersoon worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Ofschoon een algemene regel zich bezwaarlijk laat formuleren is een belangrijk ori?ntatiepunt bij de toerekening of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

Verdachte3 heeft met betrekking tot hetgeen hem is ten laste gelegd onder 1 verklaard dat er in 2001 door werknemers is gewerkt is binnen het bedrijf [bedrijf 1], maar dat er geen loonbelasting is afgedragen over dat jaar. Over dit jaar zijn nihil-aangiftes4 ingediend.

Over de jaren 2002 tot en met 2004 is onjuist/onvolledig aangifte5 gedaan van de loonbelasting, aldus verdachte, omdat in die jaren door een aantal werknemers van de BV zwart is gewerkt. Deze verklaring van verdachte wordt ondersteund door verklaringen van werknemers6 die hebben verklaard dat er geheel of gedeeltelijk zwart werd gewerkt in de ten laste gelegde periode.

Met betrekking tot hetgeen verdachte is ten laste gelegd onder 3 heeft medeverdachte [medeverdachte 1]7 verklaard dat niet alle omzet werd verantwoord in de boekhouding, omdat de kas werd afgeroomd. Van die niet verantwoorde omzet werden werknemers zwart uitbetaald. Ook uit de vergelijking van notities8 betreffende de omzet en de in de administratie van de rechtspersoon opgenomen omzet blijkt dat niet alle omzet werd verantwoord.

Nu de omzet niet volledig is verantwoord door de rechtspersoon, is ook de aangifte vennootschapsbelasting onjuist/onvolledig door de rechtspersoon ingediend.

Nu de verweten gedragingen kunnen worden aangemerkt als te hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon, is het hof op grond van het vorenstaande van oordeel dat deze gedragingen in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan [bedrijf 1] en acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de rechtspersoon in de ten laste gelegde periode opzettelijk onjuist/onvolledig aangifte heeft gedaan van de loonbelasting, omzetbelasting9 en vennootschapsbelasting10.

Feitelijk leidinggeven

Volgens vaste jurisprudentie geldt als een minimumeis voor de bewezenverklaring van feitelijk leiding geven dat de verdachte, hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden, maatregelen achterwege laat ter voorkoming dat de verboden gedragingen zich voordoen en hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk bevordert.11

Verdachte heeft verklaard dat hij slechts één van de werknemers was van de BV. Hij was weliswaar het gezicht van de onderneming naar buiten toe, maar verdachte heeft ontkend dat hij zeggenschap had over de administratieve gang van zaken van de onderneming. De leiding was naar zijn zeggen in handen van [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1], die als collectief opereerden. Voordat verdachte een boekhouder voor de administratie van de BV heeft ingeschakeld in oktober 2003, heeft verdachte geen enkele bemoeienis gehad met de boekhouding, aldus verdachte.

Uit de hieronder weergegeven bewijsmiddelen blijkt het volgende omtrent de rol van verdachte binnen de BV.

Getuige [getuige 1]12 heeft verklaard dat hij op verzoek van verdachte de structuur van de BV heeft opgezet en dat de naam van verdachte op diens verzoek niet mocht blijken uit de stukken.

Uit de verklaring van [medeverdachte 1]13 blijkt dat verdachte met het idee kwam om [medeverdachte 1] op papier eigenaar/bestuurder te maken van de BV. De werkelijke situatie was dat verdachte de gehele bedrijfsvoering bepaalde en hij duidelijk de baas was binnen de onderneming. Op voorspraak van verdachte werden nieuwe personeelsleden aangenomen en het was verdachte die de salarissen vaststelde. De kas werd door onder andere verdachte afgeroomd en de buiten de boekhouding gehouden omzet kwam bij verdachte terecht.

[medeverdachte 1] heeft enkele malen het kasboek bijgewerkt, waarbij de omzetgegevens werden verstrekt door verdachte. In 2001 en 2002 zijn aangiften omzetbelasting ingevuld door verdachte, aldus [medeverdachte 1].

De raadsman heeft betoogd dat de verklaringen van [medeverdachte 1] met betrekking tot de rol van verdachte niet voor het bewijs kunnen worden gebruikt, omdat zijn verklaringen ongeloofwaardig zijn, aangezien hij wordt tegengesproken door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] er belang bij zou hebben zijn eigen aandeel te beperken.

Het hof verwerpt dit verweer. [medeverdachte 1] heeft tegenover de rechter-commissaris in strafzaken zijn eerder afgelegde verklaring over de rol van verdachte op hoofdlijnen herhaald. Zijn verklaring vindt voorts steun in de verklaringen van de werknemer [naam]14 Deze heeft verklaard dat verdachte de baas was binnen het bedrijf. De loonafspraken werd met hem gemaakt en [naam] kreeg opdrachten van verdachte. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] waren bedrijfsleiders die opereerden onder verdachte, aldus [naam] Ook de werknemers [naam]15, [naam]16 en [naam]17 hebben verklaard dat verdachte de facto de algehele leiding had binnen het bedrijf.

Uit het dossier is gebleken dat [getuige 3] vanaf oktober 2003 de boekhouding verzorgde. Ter zitting van het hof heeft getuige [getuige 3] verklaard dat zij op verzoek van verdachte de boekhouding van de BV deed en dat zij op grond van de door verdachte aangedragen gegevens de belastingaangiften indiende. Voor vragen over de boekhouding nam zij contact op met verdachte, die zelf de vragen beantwoordde, dan wel er voor zorgde dat de gestelde vraag door een ander werd beantwoord. Uit de boekhouding heeft [getuige 3] afgeleid dat verdachte priv? gelden onttrok uit de onderneming, nu zij voor de door verdachte opgenomen gelden geen tegenposten in de boekhouding heeft aangetroffen.

Gelet op de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen, mede gelet op de verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van het hof, dat hij oogluikend toestond dat er zwart werd gewerkt binnen de onderneming, heeft verdachte feitelijk de touwtjes in handen gehad binnen [bedrijf 1] Dit gold ook voor wat betreft de verplichtingen van de vennootschap jegens de fiscus. Hij was feitelijk degene die voor en namens de vennootschap de -naar is gebleken: onjuiste dan wel onvolledige- gegevens aan de fiscus doorgaf dan wel liet doorgeven. Het verweer van de raadsman dat verdachte een boekhouder heeft ingeschakeld en daarmee een maatregel heeft genomen om de ten laste gelegde gedragingen te voorkomen, wordt verworpen. Er zijn weliswaar gegevens verstrekt aan het externe administratiekantoor van [getuige 3], maar de besloten vennootschap heeft daarmee niet alle benodigde gegevens aan het administratiekantoor doorgegeven, waardoor de belastingaangiften onjuist/onvolledig zijn ingediend.

Op grond van het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de aan [bedrijf 1] ten laste gelegde en bewezen verklaarde gedragingen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1], meermalen, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004 onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft voornoemde rechtspersoon telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] ingeleverde aangiftebiljetten loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemde jaren een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 te [plaats 1], opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over de jaren 2001, 2002, 2003 en 2004, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, en een aangifte voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en 2002, onjuist en onjuist heeft gedaan, immers heeft die [bedrijf 1] telkens opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te [plaats 1] ingeleverde aangiftebiljetten omzetbelasting en vennootschapsbelasting over genoemde jaren een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte telkens feitelijk leiding heeft gegeven.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en

3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

feit 1 primair en 3 primair: telkens: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, terwijl het strafbare feit wordt begaan door een rechtspersoon en verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid

De raadsman heeft een beroep gedaan op afwezigheid van alle schuld, door te stellen dat verdachte mocht vertrouwen op de mededelingen van de ter zake deskundige boekhouder [getuige 3] dat de boekhouding van de BV klopte. Het hof verwerpt dit verweer nu [getuige 3], een externe boekhouder was van de BV die voor een adequate boekhouding volledig afhankelijk was van de door de BV aangeleverde gegevens. Noch uit de stukken uit het strafdossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting, is aannemelijk geworden dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging doordat hij zou zijn afgegaan op het advies van een persoon of een instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van dat advies mocht vertrouwen.

Verdachte is strafbaar, nu ook andere strafuitsluitingsgronden niet aanwezig zijn.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft in de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004 feitelijk leidinggegeven aan het onjuist/onvolledig indienen van aangiften loonbelasting, omzetbelasting en vennootschapsbelasting door het bedrijf [bedrijf 1] Verdachte heeft hiermee zijn plichten tegenover de fiscus verzaakt. Daarnaast heeft hij de werknemers risico laten lopen door hun loon aan hen (deels) zwart uit te betalen. Op deze wijze werden er geen premies afgedragen voor de werknemers.

Ter terechtzitting van het hof heeft verdachte er geen blijk van gegeven verantwoordelijkheid te nemen voor zijn gedragingen.

Uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 oktober 2009 blijkt dat verdachte meerdere malen is veroordeeld ter zake van strafbare feiten, waaronder ook opzettelijke overtreding van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Gelet op het voorgaande, alsmede gelet op de mededeling van de advocaat-generaal dat aan de medeverdachte [medeverdachte 2] een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden en een werkstraf van 240 uren is opgelegd, is het hof van oordeel dat de eis van de advocaat-generaal geen recht doet aan de ernst van de feiten.

Gelet op de vrijspraak voor feit 2 primair en subsidiair en rekening houdend met de inwerkingtreding van de regeling voorwaardelijke invrijheidstelling na het vonnis in eerste aanleg, is het hof van oordeel dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden passend en geboden is.

Vastgesteld is dat de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden. Daarom is het hof van oordeel dat de hiervoor genoemde duur van gevangenisstraf dient te worden verkort met één maand.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en de artikelen 51, 57, 63, en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van de bewezen verklaarde feiten.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het verdachte onder 1 primair en 3 primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 primair en 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van acht maanden;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. G. Dam, voorzitter, mr. L.T. Wemes en mr. W. Foppen, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Mulder als griffier.

1 Zie HR 15 oktober 1985, LJN AC4353 en HR 21 december 2004, LJN AR4886

2 Hoge Raad 21 oktober 2003, LJN AF7938

3 zie bijlage 18

4 zie bijlage 1 en 2

5 zie bijlage 2, 3 en 4

6 zie bijlage 24/[naam], bijlage 23/[naam], bijlage 26/[naam], bijlage 19/[medeverdachte 2] en bijlage 20/[medeverdachte 1].

7 bijlage 20

8 zie bijlage 2002-2a

9 zie bijlage 5 t/m 8

10 zie bijlage 9

11 Hoge Raad 16 december 1986, LJN 9607 resp. 9608, NJ 1987, 321 resp. 322

12 zie het als bijlage gevoegde proces-verbaal achter het aanvullend proces-verbaal van de Fiod, met het dossier nummer 31983a

13 zie bijlage 20

14 zie bijlage 22

15 zie bijlage 23

16 zie bijlage 24

17 zie bijlage 26