Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL7249

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-03-2010
Datum publicatie
11-03-2010
Zaaknummer
24-002787-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

FIR-boer (niet emissiearm aanwenden van dierlijke meststoffen). Het hof verwerpt een verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens een volgens de raadsvrouw ingezette beleidswijziging door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Daarnaast verwerpt het hof een beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid, als ook een beroep op overmacht (noodtoestand). Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 500,-, subsidiair te vervangen door tien dagen hechtenis.

Wetsverwijzingen
Wet bodembescherming 7
Wet op de economische delicten
Besluit gebruik meststoffen 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-002787-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-995016-07

Arrest van 11 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, economische kamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 11 november 2008 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1942] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.F.E. Hoekstra, advocaat te Alkmaar.

Het vonnis waarvan beroep

De economische politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Nu de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) in navolging van zijn brief aan de Vereniging tot Behoud van Boer en Milieu (hierna: VBBM) van 1 juli 2009 ontheffing heeft verleend aan een aantal melkveehouders dat is aangesloten bij de VBBM en dat middels een kringloopsysteem de emissie van ammoniak reduceert, heeft de Minister volgens de raadsvrouw een beleidswijziging ingezet, die gevolgen heeft voor de strafwaardigheid van de gedraging van verdachte, dan wel gevolgen zal hebben voor de beoordeling van de ernst van de feiten en de aard en de hoogte van de straf.

Het hof overweegt hieromtrent dat hetgeen de raadsvrouw stelt, niet de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging regardeert. Overigens is het hof van oordeel dat - anders dan de raadsvrouw stelt - uit voormelde niet blijkt van een beleidswijziging, nu de Minister slechts een beperkt aantal melkveehouders in het kader van een praktijkonderzoek - onder strikte voorwaarden - ontheffing heeft verleend van de wettelijke verplichting om drijfmest op emissiearme wijze aan te wenden. Het hof acht het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte zal veroordelen ter zake het hem ten laste gelegde tot een geldboete van € 500,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door tien dagen hechtenis.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 8 juni 2007 te [plaats], al dan niet opzettelijk, dierlijke meststoffen heeft gebruikt op één of meerdere percelen grasland, althans op een perceel grasland gelegen aan de [straat] in de gemeente [gemeente], terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat:

hij op 8 juni 2007, opzettelijk, dierlijke meststoffen heeft gebruikt op een perceel grasland gelegen aan de [straat] in de gemeente [gemeente], terwijl die dierlijke meststoffen niet emissiearm werden aangewend.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

Overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 7 van de Wet bodembescherming, opzettelijk begaan.

Strafbaarheid

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting een beroep gedaan op het ontbreken van de (materiële) wederrechtelijkheid wegens het bestaan van een buitenwettelijke rechtvaardigingsgrond. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met de methode van aanwenden van mest die hij toepast (de zogenoemde FIR-methode) het belang dat de wetgever met de voorgeschreven methodes voor ogen heeft, beter dient dan boeren die de mest aanwenden conform de door de wetgever voorgeschreven methoden. Hierdoor is volgens de raadsvrouw voldaan aan de vereisten voor het ontbreken van de (materiële) wederrechtelijkheid, zoals door de Hoge Raad neergelegd in het zogenaamde "Veeartsarrest" (NJ 1933, nr. 60) en zou verdachte moeten worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer en wel op grond van het volgende.

Vooropgesteld wordt dat de wijze waarop verdachte dierlijke meststoffen aanwendt niet kan worden aangemerkt als emissiearm, zoals omschreven in Bijlage II bij het Besluit gebruik meststoffen.

Voor het gebruik van een andere methode dan de in Bijlage II van het besluit genoemde methoden is in artikel 64 van de Wet bodembescherming en artikel 7 van het Besluit voorzien in de mogelijkheid van vrijstelling respectievelijk ontheffing van voornoemd verbod in artikel 5 van het Besluit. Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet op grond van feiten en omstandigheden aannemelijk geworden dat verdachte ten tijde van de hem verweten gedraging over een ontheffing c.q. een vrijstelling beschikte. Ook is niet gebleken dat verdachte op dat moment een aanvraag daartoe had ingediend. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat aan het feit de materiële wederrechtelijkheid ontbreekt. Het hof is van oordeel dat reeds daarom het verweer van verdachte niet kan slagen.

Voorts is namens verdachte een beroep gedaan op overmacht (noodtoestand). De raadsvrouw heeft in dit kader - onder meer - naar voren gebracht dat het belang van het reduceren van ammoniak emissie, hetgeen verdachte volgens de raadsvrouw realiseert met de door hem toegepaste FIR-methode, zwaarder moet wegen dan het belang van het handhaven van de wet. Ook om die reden dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt ook dit verweer en wel op grond van het volgende.

Noodtoestand als vorm van overmacht veronderstelt een conflict van plichten of belangen: de plicht om de (straf)wet na te leven, tegenover een maatschappelijke verplichting of veroorlovende norm om in de gegeven omstandigheden de wet te overtreden.

Hetgeen de raadsvrouw op dit punt naar voren heeft gebracht, behelst echter geen conflict van plichten of belangen. De bedoeling van de wetgever met onderhavige wet- en regelgeving is juist het reduceren van de emissie van ammoniak. Ditzelfde belang ligt, blijkens de toelichting van de raadsvrouw, eveneens ten grondslag aan de door verdachte toegepaste FIR-methode. Reeds om die reden slaagt het verweer van de raadsvrouw niet.

Nu ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft opzettelijk niet emissiearm dierlijke meststoffen aangewend op grasland. Hij heeft zich daarmee onttrokken aan de Nederlandse regelgeving op milieugebied, die thans dwingend voorschrijft dat het niet toegestaan is dierlijke meststoffen te gebruiken op grasland, tenzij deze meststoffen emissiearm worden aangewend op de wijze als aangegeven in artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen (Stb. 2001, 479).

Verdachte acht de door hem gehanteerde methode echter beter voor het milieu dan de bemestingsmethoden die zijn voorgeschreven in voormeld Besluit. Ter terechtzitting is aannemelijk geworden, dat het niet verdachtes intentie is geweest om aan de doelen die met de wettelijke normen worden nagestreefd, in het bijzonder de vermindering van de emissie van ammoniak, voorbij te gaan.

Het hof heeft de indruk dat verdachte in zijn bedrijf op gewetensvolle wijze tracht de doelen van de milieubeschermende wettelijke bepalingen na te streven door middel van een samenstel van alternatieve methoden. Verdachte is echter onverminderd gehouden de toepasselijke wettelijke bepalingen na te leven. Gelet hierop ziet het hof geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, zoals door de raadsvrouw is bepleit.

Het hof houdt bij de straftoemeting rekening met een verdachte betreffend uittreksel uit het algemeen justitieel documentatieregister van 9 december 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet recentelijk is veroordeeld wegens (soortgelijke) strafbare feiten.

Gelet op het voorgaande acht het hof, uit het oogpunt van normhandhaving, een geldboete - zoals ook door de advocaat-generaal is gevorderd - passend en geboden. Nu verdachte steeds bekend is geweest met de risico's die gepaard gaan met zijn handelen, zal het hof bij de straftoemeting geen rekening houden met een (eventuele) (substanti?le) korting, op de aan verdachte toegekende subsidie, ten gevolge van het overtreden van onderhavige wet- en regelgeving.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 7 van de Wet bodembescherming en artikel 5 van het Besluit gebruik meststoffen, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een geldboete van vijfhonderd euro;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van tien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. W.M. van Schuijlenburg en mr. J.H. Bosch, in tegenwoordigheid van mr. L. Keekstra als griffier.