Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL7123

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-03-2010
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
24-001811-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte is ter zake van het plegen van mishandeling veroordeeld tot een werkstraf van

30 uren. Het beroep op noodweer is verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001811-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-601135-08

Arrest van 10 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 april 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1977] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel opgelegd en heeft op de vordering van de benadeelde partij beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal veroordelen tot een werkstraf voor de duur van 16 dagen, subsidiair 8 dagen hechtenis, de vordering van de benadeelde partij ad € 1.418,= zal toewijzen tot een bedrag van € 1.038,= en tevens een schadevergoedingsmaatregel ter zake van dat bedrag zal opleggen en de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal verklaren in de vordering voor zover betrekking hebbende op de gevorderde gederfde verlofuren van € 380,=.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 17 april 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde]), (met kracht) in het gezicht/tegen het hoofd, in elk geval tegen het lichaam, heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

hij op 17 april 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend een persoon te weten [benadeelde] met kracht in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

mishandeling.

Strafbaarheid

Verdachte heeft aangevoerd dat hij aangever [benadeelde] weliswaar driemaal een vuistslag in het gezicht heeft gegeven, maar dat hij dat deed ter verdediging van zichzelf. Aangever heeft hem als eerste een slag in zijn gezicht gegeven, waarna hij meteen heeft teruggeslagen.

Uit de verklaring van verdachte is gebleken dat hij zich op 16 april 2008 rond 20.00 uur telefonisch heeft gewend tot de Vereniging van Eigenaren (VvE) van het appartementencomplex, waarin hij woont. Verdachte had op dat moment een probleem met zijn riolering. De administrateur van deze vereniging, [betrokkene], vertelde verdachte dat hij de kosten voor herstel zelf diende te betalen, niet de vereniging. Desondanks regelde [betrokkene] een rioleringsbedrijf, dat vervolgens contact opnam met verdachte. Verdachte heeft dat bedrijf laten weten dat het niet langs hoefde te komen, omdat hij geen geld had om de kosten te betalen.

Verdachte heeft [betrokkene] daarna vele malen (40 tot 50 keer) gebeld. 1) Dit duurde tot ongeveer 23.45 uur. Tijdens een van die telefoongesprekken heeft verdachte die [betrokkene] bedreigd. Omstreeks 00.10 uur stond verdachte bij [betrokkene] voor de deur van het appartementencomplex en belde aan. Via de intercom hoorde [betrokkene] dat verdachte wilde dat hij naar buiten zou komen. [betrokkene] wilde dit niet en heeft de politie gebeld. Volgens [betrokkene] hoorde hij via de intercom dat verdachte beneden tegen deur schopte en dat hij schreeuwde. Behalve de politie heeft [betrokkene] ook [benadeelde], de voorzitter van de VvE, gewaarschuwd.

[benadeelde] is gekomen. Volgens verdachte begon [benadeelde] tegen hem te duwen en aan hem te trekken en zei [benadeelde] tegen hem dat hij naar huis moest gaan. Verdachte deed dit niet, maar belde opnieuw aan bij [betrokkene]. Volgens verdachte kreeg hij op dat moment een slag in zijn gezicht van [benadeelde], waarna hij hem met gebalde vuist heeft teruggeslagen. Daarna gaf verdachte hem nog een paar vuistslagen.

Aangever heeft een enigszins andere lezing van de gebeurtenissen gegeven. 2) Hij wilde zorgen dat het de-escaleerde tussen [betrokkene] en verdachte. Verdachte bleef echter aanbellen en schoppen tegen de deur. Daarop heeft hij verdachte met een beweging van zijn arm trachten te bewegen naar zijn eigen woning terug te gaan. Door de beweging die verdachte daarop maakte, acht [benadeelde] het niet onmogelijk dat hij, [benadeelde], het

hoofd of het petje van verdachte heeft geraakt. Meteen daarop voelde aangever een harde klap op zijn rechterslaap. Zijn bril werd van zijn hoofd getrokken en er volgden nog een aantal vuistslagen.

Als al zou moeten worden aangenomen dat aangever [benadeelde] als eerste heeft geslagen, is het de vraag of verdachte een beroep op noodweer toekomt. Verdachte heeft zich gedurende de voorafgaande avond zeer onhebbelijk en in toenemende mate dwingend, overlastbezorgend en agressief gedragen tegenover [betrokkene]. Verdachte wilde op die manier kennelijk afdwingen dat de VvE zijn kosten zou betalen. Nadat het telefonisch niet was gelukt, is hij rond middernacht amok gaan maken bij de woning van [betrokkene]. Hij wilde daar niet weggaan voordat het geregeld was, zo zei hij tegen het hof. [benadeelde] wilde aan de overlastsituatie een einde maken.

Onder de hiervoor beschreven omstandigheden heeft verdachte in zodanige mate aanleiding gegeven tot de door aangever gepleegde handeling (zo al gepleegd) dat dit in de weg staat aan het slagen van het beroep op noodweer van de verdachte.

Het beroep wordt daarom verworpen.

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft - de brildragende - [benadeelde] mishandeld door hem een aantal vuistslagen in het gezicht te geven. Als gevolg daarvan heeft [benadeelde] niet alleen pijn ondervonden, maar heeft hij ook een blauw oog, een zwelling links naast het oog bij de slaap, een hematoom aan het linker onderooglid, een hematoom ter hoogte van de linker slaap en een bloeding opgelopen. Door het plegen van dit feit is de lichamelijk integriteit van het slachtoffer [benadeelde] geschonden.

Op grond van het vorenstaande, en ondanks de omstandigheid, dat verdachte blijkens het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 22 februari 2010 niet eerder is veroordeeld, acht het hof de oplegging van een werkstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, niet alleen gerechtvaardigd, maar ook passend en geboden.

Het hof heeft de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit en de omstandigheden, waaronder dit feit is begaan, onvoldoende teruggezien in de door de advocaat-generaal gevorderde - lagere - werkstraf en in de door de eerste rechter opgelegde geldboete van € 440,=.

Benadeelde partij [benadeelde]

Blijkens het voegingformulier benadeelde partij in het strafproces heeft [benadeelde] de navolgende schadeposten opgevoerd:

a. schade aan bril € 1.038,=

b. gederfde verlofuren € 380,= en

c. emotionele schade p.m.

Het hof leidt uit het proces-verbaal van de zitting van de politierechter d.d. 27 april 2009, op welke zitting [benadeelde] als benadeelde partij is verschenen, af, dat [benadeelde] zijn vordering op die zitting heeft beperkt tot de hiervoor onder a. en b. genoemde posten en derhalve een bedrag van in totaal € 1.418,= heeft gevorderd. De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van - naar het hof begrijpt - € 1.418,=.

De benadeelde partij is in hoger beroep ter terechtzitting verschenen en heeft zijn vordering toegelicht. Hij heeft verklaard bij zijn in eerste aanleg beperkte vordering van € 1.418,= te blijven. Derhalve duurt de voeging ter zake van zijn in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort, voor zover die vordering in eerste aanleg is toegewezen.

Vaststaat dat door het bewezen verklaarde feit door de benadeelde partij rechtstreeks schade is geleden, voor welke schade verdachte jegens genoemd slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij bestreden, stellend, dat hij het ten laste gelegde feit uit zelfverdediging heeft gepleegd. Het hof passeert dit verweer, nu het hof dit beroep heeft verworpen. Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij de hiervoor onder a. vermelde materiële schade heeft geleden. Het hof acht de vordering van de benadeelde partij dan ook toewijsbaar tot € 1.038,=. Het komt het hof gewenst voor om dit bedrag tevens toe te wijzen in de vorm van een schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel, dat de vordering van de benadeelde partij voor wat betreft het hiervoor onder b. gevorderde niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in zijn vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van dertig uren, met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van vijftien dagen zal worden toegepast;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van duizend achtendertig euro;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van duizend achtendertig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van twintig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. Hielkema, voorzitter, mr. Koolschijn en mr. Roes, in tegenwoordigheid van Boersma als griffier, zijnde mr. Koolschijn en mr. Roes buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 proces-verbaal nr. [nummer], op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie Flevoland d.d. 23 april 2008, inhoudende de verklaring van [betrokkene].

2 proces-verbaal nr. [nummer], op ambtsbelofte opgemaakt door [verbalisant 2], buitengewoon opsporingsambtenaar van politie, d.d. 17 april 2008, inhoudende de verklaring van aangever [benadeelde].