Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL6288

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
24-000079-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn partner in één nacht tot tweemaal toe verkracht. Op vernederende wijze heeft hij inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van zijn partner. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling van zijn partner.

Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De duur van het voorwaardelijk strafdeel is met name ingegeven door de omstandigheid dat aangeefster en verdachte hun relatie willen voortzetten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000079-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-607198-07

Arrest van 2 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 27 december 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1974] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.A.C. van den Brink, advocaat te Almere.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens misdrijven veroordeeld tot straffen, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Het hof heeft ter terechtzitting wijziging van de tenlastelegging toegelaten overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal.

Na de door het hof toegelaten wijziging, is aan verdachte ten laste gelegd, dat:

1.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 mei 2007 tot en met 30 mei 2007 in de gemeente [gemeente] (telkens) door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de anus en/of in de vagina en/of in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gestopt/gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin (telkens) dat verdachte meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht)

- die [slachtoffer] bij de haren heeft vastgepakt en/of vervolgens aan de haren heeft (mee)gesleurd/getrokken en/of

- die [slachtoffer] op haar buik en/of rug heeft neergelegd en/of

- in de wang(en) van die [slachtoffer] heeft geknepen (zodat de mond van die [slachtoffer] open ging) en/of

- een/de be(e)n(en) van die [slachtoffer] omhoog heeft geduwd/gedaan en/of gehouden en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2006 tot en met 30 mei 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, althans een persoon, te weten [slachtoffer], (telkens) meermalen, in ieder geval éénmaal, (met kracht) in het gezicht, in ieder geval op/tegen/in het lichaam, heeft gestompt/geslagen en/of bij de haren heeft vastgepakt en/of (vervolgens) aan de haren heeft getrokken en/of bij het lichaam heeft vastgepakt, waardoor deze (telkens) letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Bewijsoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 1

Verdachte ontkent dat hij aangeefster in de nacht van 29 op 30 mei 2007 verkracht heeft. Verdachte verklaart dat de seks die hij met aangeefster had, wederzijds vrijwillig was. Verdachte heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat aangeefster een valse aangifte heeft gedaan en valse belastende verklaringen heeft afgelegd tegenover de politie en de rechtbank. Hieraan zouden verschillende motieven ten grondslag liggen.

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof de betrouwbaarheid van de belastende verklaringen die aangeefster tegenover de politie en de rechtbank heeft afgelegd, betwist vanwege een gebrek aan consistentie.

De raadsman concludeert derhalve tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken.

Aangeefster belt in de nacht van 29 op 30 mei 2007 de meldkamer van de politie en deelt mee dat zij die nacht door haar man is verkracht en mishandeld.

Verbalisant [verbalisant] krijgt de opdracht om naar de woning van aangeefster en verdachte te gaan. Aldaar aangekomen heeft aangeefster - ongevraagd - tegenover verbalisant [verbalisant] op gedetailleerde wijze verklaard dat zij die nacht door haar man, verdachte, tot tweemaal toe verkracht is.

In de ochtend van 30 mei 2007 heeft aangeefster uitgebreid en gedetailleerd aangifte gedaan op het politiebureau.

De door aangeefster afgelegde verklaringen vinden steun in de verklaring van getuige [getuige], aangeefsters buurvrouw. Getuige [getuige] verklaart dat aangeefster haar op 30 mei 2007 heeft verteld dat haar man haar die nacht heeft verkracht.

Voorts vinden de door aangeefster afgelegde verklaringen steun in de resultaten van het onderzoek ("zedenset") dat op 30 mei 2007 bij aangeefster is uitgevoerd door forensisch geneeskundige S. van den Berg. Uit dit onderzoek blijkt dat bij aangeefster sprake was van uitwendig letstel (aan ogen, knie, benen, wang en hoofdhuid) alsmede van inwendig letsel (voorwand vagina rood en bloederig). Dit beeld kan, volgens Van den Berg, passen bij een lokale inwerking van druk of wrijving of een combinatie van beiden.

Het hof acht de door aangeefster bij de politie afgelegde verklaringen in onderlinge samenhang bezien, betrouwbaar en consistent. De verklaringen zijn authentiek en gedetailleerd en vinden steun in de verklaring van getuige [getuige] alsmede in de resultaten van het onderzoek dat door de forensisch geneeskundige is verricht. Dat er in de verklaringen op punten afwijkingen zitten, maakt nog niet dat de verklaringen om die reden als onbetrouwbaar aangemerkt moeten worden.

Bovendien heeft verdachte naar het oordeel van het hof geen afdoende verklaring gegeven voor het ontstaan van het geconstateerde letsel bij aangeefster.

De omstandigheid dat aangeefster haar aangifte op 11 juni 2007, 18 juni 2007 en op 21 juni 2007 heeft willen intrekken, alsmede dat aangeefster ten overstaan van de rechter-commissaris op onderdelen anders heeft verklaard, is voor het hof geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring die aangeefster ten overstaan van de politie heeft afgelegd, nu aangeefster enige tijd later, ten overstaan van de rechtbank op 22 augustus 2008, opnieuw heeft verklaard dat de seks met verdachte niet wederzijds vrijwillig was.

De verklaring die aangeefster ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd waarin zij verklaart dat de seks vrijwillig plaatsvond, legt het hof, mede in het licht van bovenstaande, als ongeloofwaardig ter zijde. Het hof merkt op dat aangeefster ter terechtzitting van het hof de indruk heeft gewekt dat zij met het verstrijken van de tijd meer en meer afstand genomen lijkt te hebben van hetgeen heeft plaatsgevonden in de nacht van 29 op 30 mei 2007 en onder druk lijkt te staan van verdachte.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof derhalve van oordeel dat de verklaringen van aangeefster die zij tegenover de politie en de rechtbank heeft afgelegd, voor het bewijs kunnen worden gebezigd en dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

Bewijsoverweging ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2

Voor zover de ten laste gelegde mishandeling ziet op verdachtes gedragingen in de nacht van 29 op 30 mei 2007, het navolgende.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte uitgeoefende geweld ten tijde van de verkrachting onderdeel is van het uitgeoefende geweld om de verkrachting te realiseren.

Tegen die achtergrond is het hof van oordeel dat het opzet van verdachte op de mishandeling, voor zover de ten laste gelegde mishandeling ziet op verdachtes gedragingen in de nacht van 29 op 30 mei 2007, ontbrak en dientengevolge niet bewezen kan worden verklaard.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op 30 mei 2007 in de gemeente [gemeente] telkens door geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die telkens bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte meermalen zijn penis en /of vinger in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en bestaande dat geweld hierin dat verdachte met kracht

- die [slachtoffer] bij de haren heeft vastgepakt en vervolgens aan de haren heeft getrokken en

- die [slachtoffer] op haar buik heeft neergelegd en

- de benen van die [slachtoffer] omhoog heeft gedaan;

2.

hij in de periode van 1 september 2006 tot 30 mei 2007 in de gemeente [gemeente] opzettelijk mishandelend zijn levensgezel, te weten [slachtoffer], ??nmaal in het gezicht heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert respectievelijk op de misdrijven:

1.

verkrachting, meermalen gepleegd;

2.

mishandeling begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zijn partner, aangeefster, op 30 mei 2007 tot tweemaal toe verkracht. Hij heeft aangeefster gedwongen om seks met hem te hebben en heeft haar hiertoe hardhandig aan haar haren getrokken, op haar buik gelegd en haar benen omhoog gebracht.

Door aldus te handelen heeft verdachte op vernederende wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van aangeefster, kennelijk enkel teneinde zijn eigen lustgevoelens te bevredigen.

Aangeefster was niet bij machte om zich hieraan te ontrekken vanwege de gewelddadige opstelling van haar partner.

Het valt verdachte ernstig kwalijk te nemen dat hij kennelijk zijn eigen lustgevoelens heeft laten prevaleren boven de belangen van aangeefster, te meer nu aangeefster - zo heeft zij ter zitting van het hof verklaard - altijd pijn ondervindt gedurende de geslachtsgemeenschap en zij ten tijde van de bewezen verklaarde feiten een labiele periode doormaakte en daardoor extra kwetsbaar was.

Voorts heeft verdachte zijn partner in de periode eind 2006 begin 2007 mishandeld door haar te slaan waardoor zij pijn heeft ondervonden en letsel heeft opgelopen (blauw oog). Door aldus te handelen heeft verdachte een inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangeefster.

Het hof neemt het verdachte kwalijk dat hij aangeefster heeft geslagen nu zij op dat moment een moeilijke periode doormaakte en verdachte op de hoogte was van het feit dat aangeefster in haar jeugd meerdere keren met geweld is geconfronteerd. Dit heeft verdachte er niet van weerhouden om haar toch te slaan.

Het hof heeft gelet op het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, d.d. 30 november 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Verdachte heeft op 9 januari 2008 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van het hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 2 maart 2010 zijn bijna 26 maanden verstreken. De redelijke termijn van twee jaren is daarmee met ruim anderhalve maand overschreden. Gelet op de geringe omvang van de overschrijding, volstaat het hof met de constatering hiervan en zal het geen consequenties hieraan verbinden, mede gelet op de omstandigheid dat de behandeling van de zaak door de rechtbank en het hof een termijn van 4 jaar niet heeft overschreden.

Het hof heeft tevens in aanmerking genomen de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze door hem en door zijn raadsman ter terechtzitting van het hof naar voren zijn gebracht.

Bij de strafoplegging houdt het hof voorts rekening met de omstandigheid dat verdachte en aangeefster hebben besloten om samen verder door het leven te gaan en zij daartoe ook relatietherapie hebben ondergaan. In deze omstandigheid ziet het hof aanleiding om een substantieel deel van de op te leggen straf op te leggen in voorwaardelijke vorm.

De bewezen verklaarde feiten rechtvaardigen - gelet op de landelijke oriëntatiepunten straftoemeting, die indicatief zijn voor de straffen die het hof in soortgelijke zaken pleegt op te leggen - in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Het hof is van oordeel dat met een andere, lichtere, strafmodaliteit zoals door de rechtbank is opgelegd, onvoldoende recht wordt gedaan aan de ernst van de bewezen verklaarde feiten, meer in het bijzonder het bewezen verklaarde onder 1.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, noodzakelijk is. De voorwaardelijke straf dient als stok achter de deur, teneinde te voorkomen dat verdachte zich nogmaals aan (soortgelijke) strafbare feiten schuldig zal maken.

Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal het hof de proeftijd bepalen op 2 jaar. Het hof komt tot dit oordeel, enerzijds gebaseerd op de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten en anderzijds op de relatief lange periode die gemoeid is geweest met behandeling van de zaak in tweede aanleg.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 57, 242, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart deze feiten en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden;

beveelt, dat van de gevangenisstraf een gedeelte van twaalf maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van het onvoorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. W.M. van Schuijlenburg, voorzitter, mr. H.J. Deuring en mr. H. Heins, in tegenwoordigheid van mr. L.W. van Campen als griffier.

Mr. Deuring en mr. Heins zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.