Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL6281

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-03-2010
Datum publicatie
03-03-2010
Zaaknummer
24-000306-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld ter zake van diefstal met geweld tot een gevangenisstraf van 33 dagen. Het hof bepaalt de straf in de niet aan het hoger beroep onderworpen zaak B. Gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tweehonderdzes uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-000306-08

Parketnummer eerste aanleg: 07-460343-07 en 07-400245-07 en 07-490473-05 (tul)

Arrest van 1 maart 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 17 januari 2008 in de oorspronkelijk onder de parketnummers 07-460343-07 en 07-400245-07 afzonderlijk aangebrachte, maar ter terechtzitting in eerste aanleg gevoegde strafzaken, hierna te noemen respectievelijk zaak A en zaak B, tegen:

[verdachte],

geboren op [1980] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. T.H. Dijkstra, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis, in de gevoegde zaken, wegens misdrijven veroordeeld tot een straf en heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging beslist, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep d.d. 28 november 2008 en 15 februari 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg d.d. 26 oktober 2007 en 17 januari 2008.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De raadsvrouw van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard, geen hoger beroep te hebben willen instellen tegen de veroordeling ter zake van het in zaak B ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft daarop verklaard daartegen geen bezwaar te hebben. Nu verdachte geen belang heeft bij het door hem tegen zaak B ingestelde hoger beroep, dient verdachte in zoverre niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het in zaak A ten laste gelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 66 dagen en voor zaak B een straf zal bepalen, opleverend een gevangenisstraf voor de duur van 33 dagen. Voorts heeft hij de tenuitvoerlegging van een aan verdachte voorwaardelijk opgelegde straf gevorderd.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis, voor zover aan hoger beroep onderworpen, vernietigen en opnieuw recht doen.

Het hof zal tevens op grond van het bepaalde in artikel 423, vierde lid, van het Wetboek de Strafvordering de straf voor het feit, opgelegd bij het vonnis, voor zover niet aan hoger beroep onderworpen, bepalen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - als voor dit hoger beroep van belang - ten laste gelegd, dat:

Zaak A

hij op of omstreeks 05 april 2007 in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen reinigingsgel en/of reinigingslotion en/of tandpasta en/of odol, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] (op of aan het [straat]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte, toen daar opzettelijk gewelddadig heeft geduwd en/of geslagen en/of gestompt en/of geschopt en/of getrapt tegen en/of in de richting van het/de hoofd(en) en/of licha(a)m(en) van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4].

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Zaak A

hij op 05 april 2007 in de gemeente [gemeente], met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen reinigingsgel en reinigingslotion en tandpasta toebehorende aan [slachtoffer 1] (op of aan het [straat]), welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte, toen daar opzettelijk gewelddadig heeft geduwd en geslagen en geschopt en/of getrapt tegen en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4].

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken.

Strafbaarheid

Het hof acht verdachte strafbaar. Strafuitsluitingsgronden worden niet aanwezig geacht.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 5 april 2007 schuldig gemaakt aan diefstal met geweld. Hij heeft zich diverse verzorgingsproducten - toebehorende aan [slachtoffer 1] - toegeëigend. Toen verdachte werd aangehouden sloeg en schopte hij om zich heen.

Winkeldiefstal is een ergerlijke vorm van criminaliteit die voor winkeliers hinder en schade oplevert.

Het hof houdt bij de strafoplegging rekening met een verdachte betreffend Uittreksel uit het Justitiële Documentatieregister d.d. 2 december 2009, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld wegens het plegen van soortgelijke strafbare feiten. Bovendien heeft hij het onderhavige misdrijf begaan in een proeftijd van een hem eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op de ernst van het feit en de specifieke recidive betreffende verdachte, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof acht de in eerste aanleg opgelegde en door de advocaat-generaal gevorderde straf passend en geboden.

Daartegenover staan de persoonlijke omstandigheden zoals deze ter zitting van het hof door verdachte en zijn raadsvrouw naar voren zijn gebracht. Deze zouden aanleiding geweest zijn om een deel van de straf in voorwaardelijke vorm op te leggen. Nu deze straf (en de op te leggen straf in zaak B) reeds geheel zijn ondergaan zal het hof deze omstandigheden in aanmerking nemen bij de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.

Het hof zal de straf in de - niet aan hoger beroep onderworpen - zaak B bepalen.

Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging (07-490473-05)

Bij vonnis van de politierechter te Zwolle-Lelystad van 26 januari 2007 is veroordeelde (onder meer) 103 dagen gevangenisstraf voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaren. Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden op 10 februari 2007. De proeftijd is ingegaan op 10 februari 2007. De officier van justitie heeft d.d. 24 april 2007 gevorderd dat last tot tenuitvoerlegging zal worden gegeven van voormelde gevangenisstraf, omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit in zaak A.

Nu gebleken is dat veroordeelde het bewezenverklaarde feit heeft begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd, is het hof van oordeel dat in beginsel de tenuitvoerlegging kan worden gelast van voormelde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen hiervoor in de strafmotivering is overwogen acht het hof echter termen aanwezig om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging te geven, een werkstraf voor de duur van 206 uren, subsidiair 103 dagen vervangende hechtenis te gelasten.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 22c, 22d, 63 en 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep ten aanzien van zaak B;

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte in zaak A ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als hiervoor vermeld in zaak A meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van drieëndertig dagen;

bepaalt de straf in zaak B op: gevangenisstraf voor de duur van zesenzestig dagen;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de in zaak A en B opgelegde gevangenisstraffen geheel in mindering wordt gebracht;

gelast (in plaats van het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf de veroordeelde voorwaardelijk opgelegd bij van vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad d.d. 26 januari 2007) taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van tweehonderdzes uren met bevel voor het geval dat de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis voor de duur van honderddrie dagen zal worden toegepast.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. A.J. Rietveld, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. D.V.E.M. van der Wiel-Rammeloo, in tegenwoordigheid van mr. J. Brink als griffier, zijnde mr. Brink voornoemd buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.