Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL5665

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
11-02-2010
Datum publicatie
02-03-2010
Zaaknummer
24-001456-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een gewapende roofoverval op een medewerker van een benzine-tank-station, waarbij met geweld is gedreigd. De verdachte heeft het slachtoffer aldus geïntimideerd en daarbij aan dat slachtoffer en aan het benzine-tank-station toebehorende goederen afhandig gemaakt.

Het hof acht de verdachte licht verminderd toerekeningsvatbaar en veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van acht maanden, alsmede tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor de duur van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 24-001456-09

parketnummer eerste aanleg: 07-420457-08

Arrest van 11 februari 2010 van het gerechtshof Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 mei 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1991] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

thans verblijvende in de Jeugdinrichting De Rentray te Lelystad,

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.H. Rump, advocaat te Zwolle.

Het vonnis waartegen het beroep is gericht

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het hierboven genoemde vonnis wegens een misdrijf veroordeeld tot een straf, heeft een maatregel aan de verdachte opgelegd en heeft beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen en op een vordering tot tenuitvoerlegging, zoals in dat vonnis is omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 18 november 2009 en 11 februari 2010, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal veroordelen tot jeugdetentie voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, alsmede dat het hof aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen zal opleggen.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] geheel zal toewijzen en daarbij de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling zal afwijzen, onder verlenging van de proeftijd met 1 jaar.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

hij op of omstreeks 19 november 2008 in de gemeente [gemeente], op aan de openbare weg de [straat]en/of een voor publiek toegankelijk plaats te weten [benadeelde 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 969 euro en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of (be)dreigend

- met onder andere bivakmutsen en/of panty's op hun hoofden de shop van het tankstation [benadeelde 2] is/zijn binnengelopen en/of daarbij één of meer mes(sen) zichtbaar heeft/hebben gedragen en/of (vervolgens)

- een van die messen op de balie heeft/hebben gelegd en/of (daarbij) tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd: "Dit is een overval" en/of "Kassa open" en/of "nu kun je de politie niet bellen";

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 19 november 2008 in de gemeente [gemeente] op aan de openbare weg de [straat] en/of een voor publiek toegankelijke plaats te weten [benadeelde 2], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag van 969 euro en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan (respectievelijk) [benadeelde 2] en/of [benadeelde 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij, verdachte en/of zijn mededader(s) opzettelijk gewelddadig en/of (be)dreigend

- met onder andere bivakmutsen en/of panty's op hun hoofden de shop van het tankstation [benadeelde 2] is/zijn binnengelopen en/of daarbij één of meer mes(sen) zichtbaar heeft/hebben gedragen en/of (vervolgens)

- een van die messen op de balie heeft/hebben gelegd en/of (daarbij) tegen die [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd: "Dit is een overval" en/of "Kassa open" en/of "nu kun je de politie niet bellen".

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 19 november 2008 in de gemeente [gemeente], aan de openbare weg, de [straat], en op een voor publiek toegankelijke plaats, te weten [benadeelde 2], tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van 969 euro en een mobiele telefoon, toebehorende aan respectievelijk [benadeelde 2] en [benadeelde 1], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte en zijn mededader opzettelijk bedreigend met bivakmutsen en panty's op hun hoofden de shop van het tankstation [benadeelde 2] zijn binnengelopen en daarbij messen zichtbaar hebben gedragen en vervolgens een van die messen op de balie hebben gelegd en daarbij tegen die [benadeelde 1] hebben gezegd: "Dit is een overval" en "Kassa open" en "Nu kun je de politie niet bellen".

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid

Omtrent de verdachte is door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog / psychotherapeut, een psychologisch rapport van 4 april 2009 uitgebracht. Dit rapport bevat onder meer als conclusie - zakelijk weergegeven - :

Er is sprake van een gedragsstoornis beginnend in de kinderleeftijd, cannabisafhankelijkheid, misbruik van overige middelen bij een jongeman waarbij de gedragsstoornis evolueert in de richting van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde waren bovengenoemde ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens aanwezig.

Betrokkene is ten aanzien van het ten laste gelegde door bovengenoemde factoren licht verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Omtrent de verdachte is daarnaast door C.J.F. Kemperman, psychiater / neuroloog, een psychiatrisch rapport van 30 oktober 2009 uitgebracht. Dit rapport bevat onder meer als conclusie - zakelijk weergegeven - :

Er is bij betrokkene sprake van een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Ten tijde van het ten laste gelegde zou men hebben kunnen spreken over een gedragsstoornis. Deze wordt op het 18e jaar in casu geclassificeerd als een antisociale persoonlijkheidsstoornis.

Op basis van de gedragsstoornis kan men de toerekeningsvatbaarheid als enigszins verminderd zien.

Het hof verenigt zich met voormelde conclusies en maakt die tot de zijne.

Het hof is derhalve van oordeel, dat het hiervoor bewezen verklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend, zij het in licht verminderde mate.

Gelet hierop en voorts in aanmerking genomen dat ten opzichte van de verdachte ook overigens geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof de verdachte strafbaar.

Motivering van de straf en de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

Het hof heeft de in hoger beroep op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat feit is begaan en de persoon van de verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich, samen met zijn mededader, schuldig gemaakt aan een gewapende roofoverval op een medewerker van een benzine-tank-station, waarbij met geweld is gedreigd. De verdachte heeft het slachtoffer aldus ge?ntimideerd en daarbij aan dat slachtoffer en aan het benzine-tank-station toebehorende goederen afhandig gemaakt. Door het plegen van dit delict heeft de verdachte het slachtoffer daarvan financi?le schade, angst en overlast bezorgd. Dergelijke strafbare feiten plegen voorts gevoelens van onveiligheid en onrust te veroorzaken bij hen die kennis nemen van die feiten. De verdachte heeft kennelijk alleen gedacht aan zijn eigen materieel voordeel en heeft zich niet bekommerd om de gevolgen van zijn handelingen voor het slachtoffer.

Het hof hanteert ter zake van soortgelijke delicten landelijke ori?ntatiepunten voor straftoemeting die de oplegging van een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf impliceren.

Naast het delict dat aan hem ten laste is gelegd, heeft het hof tevens rekening gehouden met het bij brief van de officier van justitie van 24 maart 2009 ad informandum gevoegde feit (parketnummer 07-420099-09), dat door de verdachte is erkend en dat hiermee is afgedaan.

Het hof heeft bij het bepalen van de straf tevens rekening gehouden met het de verdachte betreffende uittreksel uit de justiti?le documentatie van 1 december 2009, waaruit ten nadele van de verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke strafbare feiten.

Het hof heeft voorts gelet op hetgeen de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft aangevoerd met betrekking tot zijn persoonlijke omstandigheden en met hetgeen daaromtrent uit de hierna genoemde door de Raad voor de Kinderbescherming en de gedragsdeskundigen over de verdachte opgemaakte rapporten en overigens uit het strafdossier is gebleken.

Het hof is op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving en ter vergelding van het door de verdachte begane strafbare feit van oordeel dat, mede gezien de hierboven genoemde door dit hof gehanteerde landelijke ori?ntatiepunten voor straftoemeting, oplegging van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van hierna te noemen duur noodzakelijk en geboden is.

Het hof heeft voorts in zijn beoordeling betrokken hetgeen de Raad voor de Kinderbescherming in Zwolle (hierna te noemen: de Raad) en de gedragsdeskundigen overigens over de verdachte hebben gerapporteerd.

In het rapport van de Raad van 17 december 2008 is aangegeven dat uit een in oktober 2006 gehouden psycho-diagnostisch onderzoek is geconcludeerd dat de verdachte op zwakbegaafd niveau functioneert.

Voorts is in dat rapport aangegeven dat er vanaf het jaar 2005 sprake is van diverse contacten van de verdachte met politie en justitie. De verdachte is in januari 2006 geplaatst in de justiti?le jeugdinrichting De Sprengen te Wapenveld en Zutphen en is in oktober 2007 vanuit De Sprengen doorgeplaatst naar de Dijkhoek te Borculo, onderdeel van Kwadrant, een besloten behandelinstelling voort licht verstandelijk gehandicapten.

Na een jaar is de verdachte geplaatst in een voorziening voor begeleid op kamers wonen van Kwadrant. Tijdens zijn verblijf in genoemde instellingen heeft de verdachte diverse keren explosief, gewelddadig gedrag getoond, heeft hij zich diverse keren niet gehouden aan regels en afspraken en heeft hij zich door weg te lopen meerdere keren onttrokken aan behandeling en begeleiding.

De Raad constateert in het rapport dat het sinds de doorplaatsing van de verdachte naar het begeleid wonen project bergafwaarts met hem is gegaan en dat hij de vrijheid kennelijk niet aan kan.

Voorts is geconstateerd dat de verdachte op alle levensgebieden zeer zorgelijk functioneert, hetgeen voornamelijk wordt veroorzaakt door zijn verslaving aan drugs. De Raad acht de kans dat de verdachte recidiveert zeer groot en adviseert nader gedragsdeskundig onderzoek.

Omtrent de verdachte is vervolgens door drs. J.P.M. van der Leeuw, klinisch psycholoog / psychotherapeut, een psychologisch rapport van 4 april 2009 uitgebracht. Dit rapport bevat onder meer als inhoud en conclusie - zakelijk weergegeven - :

Betrokkene vertoont een patroon van het zich niet houden aan de regels. Hij blijft van huis weg, houdt zich niet aan de afspraken met hulpverleners, loopt weg uit het internaat, begaat overtredingen en delicten ook tijdens proefperiodes die hem rechtens zijn opgelegd, vertoont gebrek aan schuldgevoel, ontkent sociale angsten, heeft gebrek aan remmingen en legt in sterke mate opportunisme en onverstoorbaarheid aan de dag.

Vanuit het thuismilieu is weinig pedagogische correctie te verwachten en ook de inspanningen van de hulpverlening en begeleiding tot nu toe hebben geen gunstige wending kunnen geven aan de scheefgroei van betrokkene en het daarmee gepaard gaande delictrisico. Er is sprake van een verhoogd recidiverisico.

Gezien alle behandelmodaliteiten die betrokkene tot nu toe, overigens zonder succes, heeft doorlopen, rest slechts het opleggen van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Omtrent de verdachte is daarnaast door C.J.F. Kemperman, psychiater / neuroloog, een psychiatrisch rapport van 30 oktober 2009 uitgebracht. Dit rapport bevat onder meer als inhoud en conclusie - zakelijk weergegeven - :

De HCR-20, een internationale risico-taxatieschaal, levert een hoog recidivegevaar op.

Gelet op de delictcarri?re en de psychiatrische situatie van betrokkene bestaat er reeds jarenlange problematiek met een belasting richting verslavingsgedrag en antisocialiteit. Het zal dan ook niet eenvoudig zijn om het in het verleden ontstane patroon om te buigen. Betrokkene heeft het goed gedaan in De Rentray en hij zou wel weer de maatschappij in willen, na een institutionele fase van inmiddels elf maanden. Daar ligt echter het probleem. Betrokkene zal moeten leren om zich in de maatschappij sociaal en niet-verslavingsgericht te gedragen.

Zowel in geval van resocialisatie in het kader van een voorwaardelijke, als een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel, zal betrokkene zich aan nauwkeurig te omschrijven voorwaarden moeten houden, met het risico op langdurige institutionalisering bij het zich daar niet aan houden.

De reclassering zou gevraagd kunnen worden naar de haalbaarheid van een eventuele voorwaardelijke PIJ-maatregel.

In het hierop volgende rapport van de Raad van 25 januari 2010 is onder meer aangegeven, zakelijk weergegeven:

Afgewogen is of een plaatsing in een open instelling voldoende tegemoet kan komen aan de waarborgen waarbinnen de resocialisatie van [verdachte] moet plaatsvinden. Daarover is gesteld dat [verdachte] vooralsnog de vrijheden binnen een open instelling niet aankan, vanwege de mogelijkheden tot omgang met antisociale vrienden en met name het gemakkelijker in bezit kunnen komen van verslavende middelen. Uit het evaluatieplan van Rentray van 13 oktober 2009 blijkt namelijk dat, hoewel [verdachte] in de eerste periode geen enkele keer positief is bevonden op cannabisgebruik, dat in de afgelopen periode op de meer open groep binnen de gesloten instelling al vier keer het geval is geweest.

Concluderend kan worden gesteld dat de resocialisatie moet plaatsvinden vanuit een gesloten instelling. Dit gesloten kader kan alleen vanuit een strafrechtelijk aanbod worden gerealiseerd, nu gesloten jeugdzorg, gelet op de leeftijd van [verdachte], geen optie is.

Daarnaast verzet artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht zich ertegen dat bij een voorwaardelijke PIJ als bijzondere voorwaarde wordt opgelegd dat de jeugdige zich laat behandelen in een gesloten inrichting.

Een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is daarom aan de orde.

Het hof neemt voormelde conclusies van de gedragsdeskundigen Van der Leeuw voornoemd, Kemperman voornoemd en de Raad over en maakt die tot de zijne.

Het hof acht derhalve een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ) noodzakelijk.

Het hof acht de situatie van de verdachte, gelet op de hierboven aangehaalde rapporten, zeer zorgelijk, mede nu daaruit blijkt dat begeleiding en behandeling van de verdachte in een open setting niet werkt en een duidelijke structuur voor de verdachte niet in de thuissituatie kan worden gerealiseerd. Een duidelijke structuur, indien op andere wijze gewaarborgd, is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Het hof is van oordeel dat eerder een strakkere, meer gedisciplineerde, dan een minder strakke structuur en behandeling aangewezen is voor de verdachte, nu een minder strakke setting te veel het risico in zich draagt dat de verdachte zich aan de behandeling onttrekt en/of tot strafwaardig gedrag komt.

De verdachte en zijn raadsvrouw hebben zich ter terechtzitting van het hof van

11 februari 2010 niet verzet tegen oplegging van de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde feit, de door de gedragsdeskundigen vastgestelde stoornis van de verdachte, het gebrek aan sturing in de thuissituatie en het mede daarmee samenhangende gevaar voor herhaling, alsmede de hulpverleningsgeschiedenis van de verdachte, zal het hof aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen opleggen.

Aan de in artikel 77s van het Wetboek van Strafrecht gestelde criteria voor oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voldaan, nu het bewezen verklaarde strafbare feit een misdrijf betreft waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de oplegging van de maatregel eist en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Vorderingen van de benadeelde partijen

HEMA

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat deze benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat zij in haar vordering niet-ontvankelijk is verklaard en dat zij zich in het geding in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep niet voort en kan het hof niet op die vordering beslissen.

[benadeelde 1]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat deze benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Deze benadeelde partij heeft door het bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en de medeverdachte) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van ? 55,- zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens deze benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover de mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van ? 55,- die door het bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

[benadeelde 2]

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat deze benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd en dat de vordering geheel is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de gehele vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

Deze benadeelde partij heeft door het bewezen verklaarde feit rechtstreekse schade geleden, welke schade aan de verdachte (en de medeverdachte) kan worden toegerekend. Het hof zal de vordering toewijzen nu deze niet is bestreden en deze het hof niet onredelijk of ongegrond voorkomt. De vordering van ? 969,13 zal derhalve worden toegewezen.

Gelet hierop dient de verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de hierboven genoemde benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Hoofdelijkheid

De verdachte is jegens deze benadeelde partij niet tot vergoeding van dit bedrag gehouden, voor zover de mededader het bedrag reeds heeft voldaan.

Schadevergoedingsmaatregel

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade van ? 969,13 die door het bewezen verklaarde strafbaar feit is toegebracht en het belang van het slachtoffer ermee is gediend, zal aan de verdachte de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van dit schadebedrag ten behoeve van het slachtoffer.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij vonnis van 22 maart 2007 heeft de kinderrechter in de rechtbank Zutphen de verdachte onder meer veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren. Deze uitspraak is op 5 april 2007 onherroepelijk geworden. De proeftijd is ingegaan op 6 april 2007. De officier van justitie heeft op 12 mei 2009, derhalve tijdig, de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijke straf gevorderd.

De verdachte heeft het hierboven bewezen verklaarde strafbaar feit begaan binnen de proeftijd. De vordering is derhalve in beginsel voor toewijzing vatbaar.

Het hof acht het echter niet opportuun om - naast de in de thans aan de orde zijnde strafzaak op te leggen onvoorwaardelijke jeugddetentie - de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie thans ten uitvoer te leggen en acht dat evenmin in het belang van de behandeling van de verdachte in het kader van de hierna op te leggen onvoorwaardelijke PIJ maatregel. Het hof zal de vordering daarom afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waartegen het beroep is gericht, en opnieuw recht doende:

verklaart het aan de verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en de verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte [verdachte] tot:

- jeugddetentie voor de duur van acht maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde v??r de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, voor de duur van twee jaren;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 1], wonende te [woonplaats], tot een bedrag van vijfenvijftig euro, met dien verstande dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van vijfenvijftig euro ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1], wonende te [woonplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van één dag zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij, [benadeelde 2], gevestigd te [vestigingsplaats], tot een bedrag van negenhonderdnegenenzestig euro en dertien cent,

met dien verstande dat indien de mededader van de veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt - tot aan deze uitspraak begroot op nihil - en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van negenhonderdnegenenzestig euro en dertien cent ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2], gevestigd te [vestigingsplaats];

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van negentien dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling, noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, met dien verstande dat indien de mededader van veroordeelde dit bedrag of een gedeelte daarvan heeft betaald, de veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd;

bepaalt dat indien de veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien de veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. P.J.M. van den Bergh, voorzitter, mr H. Heins en mr. M.F.H.M. van Haastert, in tegenwoordigheid van H. Kingma als griffier.

Mrs. H. Heins en M.F.H.M. van Haastert zijn buiten staat dit arrest te ondertekenen.