Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL5279

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
05-02-2010
Datum publicatie
23-02-2010
Zaaknummer
24-001521-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De herhaalde mededelingen van de kant van het openbaar ministerie dat het oproepen van de getuige feitelijk niet mogelijk was, berustten niet op waarheid. Het hof acht het van het grootste belang dat vertrouwd kan worden op de juistheid van mededelingen die gedurende het strafproces door het openbaar ministerie gedaan worden. Dit vertrouwen is door het openbaar ministerie in de onderhavige zaak beschaamd. Niet alleen de verdediging, maar ook de politierechter en het hof zijn door het openbaar ministerie onjuist geïnformeerd. Dit levert een ernstige schending op van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarop naar het oordeel van het hof, mede gelet op de ernst van de zaak, geen andere sanctie past dan de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 348
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010, 138
NBSTRAF 2010/104
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001521-07

Parketnummer eerste aanleg: 07-600281-06

Arrest van 5 februari 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juni 2007 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1986] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

verschenen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman mr. R.I. Takens, advocaat te Amsterdam.

Het vonnis waarvan beroep

De politierechter in de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Gebruik van het rechtsmiddel

De officier van justitie is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen. Hij heeft dit hoger beroep aan verdachte doen betekenen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 5 februari 2010

-kort gezegd- betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van verdachte, omdat het openbaar ministerie op meerdere momenten gedurende het strafproces mededelingen heeft gedaan omtrent de (on)-mogelijkheid van het oproepen van een getuige, terwijl is gebleken dat deze mede-delingen niet op waarheid berustten. Aldus heeft het openbaar ministerie het vertrouwen beschaamd dat niet alleen de verdediging, maar ook de politierechter en het hof in de juistheid van deze mededelingen van het openbaar ministerie moeten kunnen stellen.

Het hof stelt hieromtrent het volgende vast.

Aan verdachte en medeverdachte [medeverdachte] is - na wijziging van de tenlastelegging in hoger beroep - ten laste gelegd dat zij zich op 6 december 2005 hebben schuldig gemaakt aan diefstal in vereniging in/uit een personenauto, althans medeplichtigheid aan diefstal in/uit een personenauto, althans (het medeplegen van) vernieling van de ruit van een personenauto.

Beide verdachten zijn op 6 december 2005 aangehouden op/in de nabijheid van de [adres]te [plaats], alwaar de ruit van een personenauto (Volkswagen Golf) was vernield. De aanhoudingen vonden plaats naar aanleiding van een bij de politie binnengekomen melding van een persoon die in genoemde straat een aantal personen had gezien die veel aandacht hadden voor een aldaar geparkeerd staande Volkswagen Golf.

De raadsman van verdachte heeft op vier verschillende momenten gedurende het strafproces gemotiveerd het verzoek gedaan om de melder - wiens personalia niet uit het dossier bleken - als getuige op te roepen. Het eerste verzoek werd gedaan op 2 mei 2007 en was gericht tot de officier van justitie. Toen dit verzoek werd afgewezen, heeft de raadsman het verzoek herhaald op de zitting van de politierechter d.d. 22 mei 2007, alwaar het verzoek wederom werd afgewezen. Bij vonnis van 5 juni 2007 heeft de politierechter verdachte en diens medeverdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde. De officier van justitie is op 18 juni 2007 van deze vonnissen in hoger beroep gegaan. Bij brief van 19 september 2007 heeft de raadsman voor de derde maal verzocht de melder als getuige op te roepen; ditmaal was het verzoek gericht tot de advocaat-generaal. Nadat deze in februari 2009 negatief op het verzoek had beslist, heeft de raadsman het verzoek voor de vierde en laatste maal gedaan ter zitting van het hof d.d.

5 maart 2009, alwaar het verzoek werd toegewezen.

Het eerste verzoek van de raadsman werd door de officier van justitie (primair) afgewezen omdat het wegens het ontbreken van persoonsgegevens feitelijk onmogelijk was om de melder als getuige op te roepen. Blijkens de verklaring van de raadsman ter terechtzitting van het hof d.d. 5 februari 2010 is de officier van justitie ter zitting van de politierechter bij dit standpunt gebleven. De politierechter heeft het verzoek afgewezen. In de fase van het hoger beroep heeft de advocaat-generaal in reactie op het (derde) verzoek van de raadsman geschreven dat het niet mogelijk was de melder als getuige op te roepen nu de persoonsgegevens ontbraken. Ter zitting van het hof d.d. 5 maart 2009 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het verzoek van de raadsman diende te worden afgewezen omdat het onmogelijk was de persoonsgegevens van de melder te achterhalen.

Naar aanleiding van de beslissing van het hof d.d. 5 maart 2009 is een proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2009 aan het dossier toegevoegd, opgemaakt door buitengewoon opsporingsambtenaar van politie Flevoland [verbalisant]. Uit dit proces-verbaal blijkt dat de verbalisant op 28 april 2009 omstreeks 15:13 uur een onderzoek heeft ingesteld naar de identiteit van de melder. Zij heeft bij de meldkamer van de regio Flevoland een uitdraai opgevraagd van de bij de aangifte behorende melding. Gelet op de sluitingsdatum van het proces-verbaal heeft de verbalisant deze uitdraai dezelfde dag nog ontvangen. Op deze uitdraai werden de naam, het telefoonnummer en het adres van de melder vermeld. De melder is vervolgens als getuige opgeroepen tegen de zitting van het hof d.d. 5 februari 2010.

Aldus is gebleken dat de personalia van de melder in ??n middag achterhaald konden worden. Dit brengt met zich dat de herhaalde mededelingen van de kant van het openbaar ministerie dat het oproepen van de getuige feitelijk niet mogelijk was, niet op waarheid berustten. Het hof acht het van het grootste belang dat vertrouwd kan worden op de juistheid van mededelingen die gedurende het strafproces door het openbaar ministerie gedaan worden. Dit vertrouwen is door het openbaar ministerie in de onder-havige zaak beschaamd. Niet alleen de verdediging, maar ook de politierechter en het hof zijn door het openbaar ministerie onjuist ge?nformeerd. Dit levert een ernstige schending op van de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarop naar het oordeel van het hof, mede gelet op de ernst van de zaak, geen andere sanctie past dan de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. S. Zwerwer en mr. H.K. Elzinga, in tegenwoordigheid van mr. E. Hoekstra als griffier, zijnde mr. H.K. Elzinga buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.