Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL5025

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
22-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
TBS P08/0198
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met twee jaar

Voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging lijkt in de onderhavige zaak een reële optie, zodat de (on)mogelijkheden van invulling van concrete voorwaarden die daaraan verbonden zouden moeten worden, onderzocht dienen te worden. De verlengingstermijn van twee jaar die door de rechtbank is uitgesproken, is echter inmiddels bijna geheel verstreken. Het hof acht overschrijding van deze termijn niet wenselijk. Niet gewacht kan worden tot de reclassering een maatregelrapport heeft opgesteld met daarin de (on)mogelijkheden van invulling van concreet te stellen voorwaarden. Wel gaat het hof er vanuit dat voorafgaand aan de volgende verlengingsprocedure bij de rechtbank in ieder geval een begin wordt gemaakt met het in kaart brengen van de (on)mogelijkheden van invulling van concreet te stellen voorwaarden in het kader van een eventueel voorwaardelijke beëindiging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P08/0198

Beslissing d.d. 22 februari 2010

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[terbeschikkinggestelde],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2008, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Overwegingen:

Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen, en daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard.

Het hof is van oordeel dat in casu van een spoedige behandeling van het beroep in de zin van artikel 5, vierde lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden geen sprake is geweest. Immers is op het beroep uiteindelijk twintig maanden na het instellen van het hoger beroep beslist.

Het hof neemt daarbij in ogenschouw dat de eerste behandeling van de zaak vijf maanden na het instellen van het hoger beroep plaatsvond, waarna de behandeling van de zaak -op verzoek van de verdediging- is aangehouden teneinde de delictgevaarlijkheid van betrokkene en de (on)mogelijkheden tot resocialisatie, in het bijzonder de (on)mogelijkheden tot voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging, door het Pieter Baan Centrum te laten onderzoeken. De rapportage van het Pieter Baan Centrum heeft, in verband met ziekte van één van de onderzoekers, lang op zich laten wachten en was uiteindelijk 24 september 2009 gereed. Vervolgens is de zaak op 26 oktober 2009 verder inhoudelijk behandeld, waarna de behandeling van de zaak wederom is aangehouden, nu het hof het noodzakelijk achtte dat de [kliniek] in een rapport zou weergeven wat hun standpunt is over het advies van het Pieter Baan Centrum omtrent de verdere behandeling van betrokkene. Deze reactie van de [kliniek] is op 28 december 2009 binnengekomen bij de griffie van het hof.

Gelet op het bovenstaande oordeelt het hof dat in de voorliggende zaak de beslissing om een verdragsrechtelijke schending aan te nemen in zichzelf voldoende bevrediging van het geschonden rechtsgevoel inhoudt.

Bij de beoordeling van de zaak gaat het hof uit van het volgende:

- In het verlengingsadvies van de [kliniek] van 18 februari 2008 is beschreven dat betrokkene een benedengemiddeld intelligente man is met een forse problematiek. De etiologie van de problemen is onduidelijk. Diagnostische onderzoeken hebben niet geleid tot een verduidelijking van de diagnose. Betrokkene wordt geclassificeerd als een man met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderline trekken, waarbij ook gedacht moet worden aan een pervasieve ontwikkelingsstoornis. In ieder geval kan praktisch gesproken worden van een forse handicap. Het behandelverloop is ongunstig verlopen. Betrokkene is een ontkennende seksuele delinquent. Voor zijn seksueel delictgedrag heeft geen behandeling kunnen plaatsvinden, waardoor delictrisico’s intrinsiek niet verminderd zijn. Getracht is om delictrisico’s middels externe controle te verminderen door middel van een resocialisatietraject met goede begeleiding, observatie, controle en sturing. De benodigde samenwerkingsrelatie voor een succesvol resocialisatietraject heeft echter ontbroken. Betrokkene heeft zich in het verleden in zijn resocialisatietrajecten drie maal onttrokken. Binnen het huidige verloftoetsingskader is het niet gelukt om met betrokkene te voldoen aan de voorwaarden om het traject verder vorm te kunnen geven. Daarop is door de [kliniek] besloten om de resocialisatie stop te zetten. Door de kliniek wordt een aanvraag tot longstay-plaatsing als logische vervolgstap gezien. De kliniek heeft geadviseerd de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van twee jaar.

- In de rapportage van het Pieter Baan Centrum van 24 september 2009 wordt door psycholoog Spangenberg en psychiater Van Ekeren beschreven dat betrokkene een benedengemiddeld intelligente man is, lijdend aan een borderline persoonlijkheidsstoornis en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, waarbij ook sprake is van theatrale trekken. Retrospectief kunnen antisociale trekken worden gezien, deze staan thans echter niet op de voorgrond. In het verleden zou sprake geweest zijn van gokverslaving en alcoholmisbruik. Er zijn echter geen aanwijzingen dat sprake is geweest van een langerdurend verslavingspatroon. Tevens is sprake van 'parafilie niet anders omschreven', waarin verschillende perverse thema's spelen. De seksualiteit van betrokkene is echter nog niet uitgekristalliseerd. Wat betreft de behandeling van betrokkene geldt weliswaar dat deze door zijn ontkenning van het indexdelict al vele jaren onmogelijk is gebleken en in een volledige patstelling is geraakt, toch dient te worden vastgesteld dat betrokkene tijdens het verblijf in het PBC -na vele lange en intensieve gesprekken in diverse samenstellingen- uiteindelijk open heeft gestaan voor confrontaties en nieuwe -zij het nog beperkte- inzichten op zijn persoon en stoornis. Het verzet in de behandeling van betrokkene lijkt, naast de ontkenning van het indexdelict, samen te hangen met zowel individuele factoren (zijn moeite met communiceren, zich conformeren aan autoriteiten en gebrek aan zelfinzicht) als met omgevingsfactoren (het niet goed afgestemde behandelaanbod en bejegeningsproblemen). Na risicoanalyse mede op basis van risicotaxatie -als het beloop van de behandeling niet als uitgangspunt wordt genomen, maar in bredere zin naar 'lifetime risico' wordt gekeken- dient naar de mening van de onderzoekers samenvattend te worden gesteld dat sprake is van een laag tot matig recidiverisico. Onderzoekers zijn van mening dat de recidiverisicofactoren allen af te dekken zijn door een adequaat risicomanagement, dat de volgende aspecten dient te bevatten: een nauw zicht op de verdere socialisatie en seksualiteitsontwikkeling van betrokkene die thans nog niet is uitgekristalliseerd in de vorm van seksuologisch forensisch psychotherapeutische behandeling (bij voorkeur bij een forensisch psychiatrische polikliniek), het invullen van de dagstructuur en vrijetijdsbesteding, monitoring van eventueel alcohol- en middelengebruik middels reclasseringsbegeleiding met toewerken naar een RIBW-woonvorm. Gezien de gebrekkige communicatieve vaardigheden van betrokkene dient de hulpverlenende instantie te anticiperen op het gevaar voor uitputting van de betreffende hulpverleners. Indien aan bovengenoemd risicomanagement kan worden voldaan adviseert het onderzoekend team de tbs voorwaardelijk te beëindigen. Bij voorwaardelijke beëindiging kan de [kliniek] in het kader van forensisch psychiatrisch toezicht (FPT) de behandeling geleidelijk aan overdragen aan de reclassering, aldus de Spangenberg en Van Ekeren.

- In een reactie op voornoemd rapport van het Pieter Baan Centrum heeft de [kliniek] in een brief van 23 december 2009 aangegeven dat het inzetten en volbrengen van een resocialisatietraject voor betrokkene altijd het uitgangspunt van de behandeling is geweest. Indien sprake is van adequaat risicomanagement en aan de voorwaarden, zoals gesteld door het Pieter Baan Centrum, invulling kan worden gegeven, is de [kliniek] bereid de longstay-aanvraag in te trekken en het advies van voorwaardelijke beëindiging van het Pieter Baan Centrum te ondersteunen. Wel is de kliniek van mening dat voorafgaand aan een voorwaardelijke beëindiging de invulling van de voorwaarden concreet moet zijn. Zowel de voorwaarde van de psychotherapeutische behandeling als die van een eventuele woonvorm vereisen nader onderzoek. Er moet tevens geanticipeerd worden op eventuele overtredingen van voorwaarden, die gezien betrokkenes pathologie te verwachten zijn. Aanvullend kan er middels een FSNA-onderzoek duidelijkheid worden verkregen over de rol die de sociale omgeving in het proces zal (kunnen) spelen. De [kliniek] is bereid zich in te zetten om dit resocialisatietraject met betrokkene en de reclassering en andere hulpverlenende instanties tot een goed einde te brengen.

- Ter terechtzitting van het hof van 8 februari 2010 hebben psycholoog Spangenberg en psychiater Van Ekeren verklaard dat begeleiding van betrokkene in het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging gelet op zijn pathologie niet gemakkelijk zal zijn. Betrokkene zal immer de neiging hebben om grenzen op te zoeken en te overschrijden. Van Ekeren heeft verklaard dat, eventueel met een transmurale woonvoorziening als tussenstap, toegewerkt dient te worden naar plaatsing van betrokkene in een RIBW.

- Getuige-deskundige Feringa van de [kliniek] heeft ter zitting van het hof op 8 februari 2010 verklaard dat de kliniek van mening is dat, hoewel niet op de korte termijn, thans nog immer sprake is van recidivegevaar. Betrokkene zal nog langdurig begeleiding nodig hebben. De kliniek is van mening dat voorafgaand aan een eventuele voorwaardelijke beëindiging duidelijk dient te zijn wie betrokkene gaat behandelen en begeleiden, waar deze behandeling en begeleiding uit bestaan, waar betrokkene gaat wonen en wat zijn vrijetijdsbesteding zal zijn. Ook een duidelijk toezicht en controle op alcohol- en druggebruik is belangrijk. Van belang is dat betrokkene zich lieert aan afspraken. Feringa heeft benadrukt dat de voorwaarden concreet ingevuld dienen te zijn voordat naar het oordeel van de kliniek gekomen kan worden tot een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging.

Gelet op de inhoud van bovenstaande rapportages en getuige-deskundigenverklaringen staat naar het oordeel van het hof vast dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen vereist dat de tbs-maatregel wordt verlengd. Hoewel geen sprake is van volledige eenduidigheid omtrent de diagnose en het delictgevaar, staat voor het hof voldoende vast dat bij betrokkene sprake is van een persoonlijkheidsstoornis (in welke vorm dan ook), en dat recidivegevaar nog in een zodanige mate aanwezig is dat dit verlenging van de tbs-maatregel vereist, nu geen van de voornoemde deskundigen heeft geconcludeerd tot beëindiging van de terbeschikkingstelling. Nu sinds de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2008 reeds meer dan een jaar is verstreken, is het hof van oordeel dat de terbeschikkingstelling dient te worden verlengd met een termijn van twee jaren.

De kern van de onderhavige procedure betreft de vraag of de dwangverpleging voorwaardelijk dient te worden beëindigd. Het hof is, hiervoor vermelde rapportages en getuige-deskundigenverklaringen in ogenschouw nemende, van oordeel dat in de onderhavige zaak een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging een reële optie lijkt en derhalve de (on)mogelijkheden van invulling van concrete voorwaarden die daaraan verbonden zouden moeten worden, dienen te worden onderzocht.

Het hof ziet zich echter geconfronteerd met het feit dat de verlengingstermijn van twee jaar, die door de rechtbank Maastricht op 10 juni 2008 is uitgesproken, inmiddels bijna geheel is verstreken. Daargelaten de vraag of het juridisch mogelijk is de behandeling van de zaak aan te houden voor het opmaken van een maatregelrapport en derhalve de behandeling in hoger beroep langer te laten voortduren dan genoemde tweejaarstermijn, acht het hof het niet wenselijk deze termijn te overschrijden. Dit laatste met name nu het hof de indruk heeft gekregen dat het opstellen van een maatregelrapport met concreet ingevulde voorwaarden

-onder meer gelet op de aard van de problematiek van betrokkene- langer zou kunnen gaan duren dan een periode van drie maanden.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat niet meer gewacht kan worden tot de reclassering een maatregelrapport heeft opgesteld met daarin de (on)mogelijkheden van invulling van concreet te stellen voorwaarden in het kader van een eventueel voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging. Het verzoek om aanhouding dient daarom te worden afgewezen. Wel gaat het hof er vanuit dat voorafgaand aan de volgende verlengingsprocedure bij de rechtbank, welke op korte termijn zal aanvangen, in ieder geval een begin wordt gemaakt met het in kaart brengen van de (on)mogelijkheden van invulling van concreet te stellen voorwaarden in het kader van een eventueel voorwaardelijke beëindiging.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot aanhouding.

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Maastricht van 10 juni 2008 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar.

Aldus gedaan door

mr H.G.W. Stikkelbroeck als voorzitter,

mr G. Mintjes en mr G. de Jonge als raadsheren,

en dr. D. Raes en drs. T. van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr N.D. ten Elshof als griffier,

en op 8 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

Mr G. de Jonge en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.