Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL4986

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
09-02-2010
Datum publicatie
22-02-2010
Zaaknummer
08-00590
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BP5707, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BP5707
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasing.

Muziekactiviteiten vormen geen bron van inkomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingadvies 2010/7.5
FutD 2010-0542
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 08/00590

uitspraakdatum: 9 februari 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 21 oktober 2008, nummer AWB 08/782, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/P (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2005 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 27.153.

1.2. De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 21 december 2007 de aanslag gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. De rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 21 oktober 2008 ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft bij brief van 28 november 2008, ingekomen bij het Hof op 1 december 2008, tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010 te Arnhem. Belanghebbendes gemachtigde en de Inspecteur zijn aldaar verschenen.

1.6. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende, geboren in 1947, is het onderhavige jaar 2005 arbeidsongeschikt en geniet een arbeidsongeschiktheidsuitkering.

2.2. Belanghebbende is in 2005 onder de naam A aangevangen met het verzorgen van muzikale optredens. Belanghebbende maakt hierbij gebruik van zijn eigen muzikale vaardigheden en het door hemzelf ingespeelde b-orkest, een digitaal orkest dat zorgt voor de begeleiding bij belanghebbendes optredens. Belanghebbende was al vóór 2005 begonnen met het op peil brengen van zijn muzikale vaardigheden en met het inspelen van het b-orkest.

2.3. Belanghebbende heeft zich ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel. Tevens voert hij een boekhouding.

2.4. In het jaar 2005 heeft belanghebbende, na gerichte acquisitie, drie betaalde optredens verzorgd. Hij heeft daarmee een omzet (exclusief BTW) behaald van € 724. Belanghebbende heeft in dat jaar € 1.646 aan kosten gemaakt.

2.5. In het jaar 2006 heeft belanghebbende vijf betaalde optredens verzorgd. Hij heeft daarmee een omzet (exclusief BTW) behaald van € 1.519. Belanghebbende heeft in dat jaar € 2.067 aan kosten gemaakt.

2.6. In het jaar 2007 heeft belanghebbende twee betaalde optredens verzorgd. Hij heeft daarmee een omzet behaald van € 677. Het resultaat bedroeg in dat jaar per saldo ongeveer € 1.000 negatief.

2.7. In het jaar 2008 heeft belanghebbende één optreden verzorgd, namelijk op 21 september 2008 in het Rabotheater te Hengelo. Hij heeft daarmee een omzet behaald van ongeveer € 900, terwijl de kosten ongeveer € 2.500 hebben bedragen.

2.8. In het jaar 2009 heeft belanghebbende geen optredens verzorgd.

2.9. Belanghebbende heeft voor het jaar 2005 een bedrag van € 922 als verlies uit onder¬neming aangegeven. Voorts heeft hij voor een bedrag van € 10.355 aan zelfstandigenaftrek geclaimd. Belanghebbende heeft de aangifte op 6 maart 2006 ingediend.

2.10. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling beide voornoemde bedragen gecorrigeerd. De aanslag is opgelegd met dagtekening 5 oktober 2007.

2.11. De Inspecteur heeft voor de jaren 2006, 2007 en 2008 op de voet van artikel 3.156 van de Wet inkomstenbelasting 2001 een verklaring arbeidsrelatie (VAR) aan belanghebbende afgegeven waarin is vermeld dat belanghebbende winst uit onderneming geniet.

2.12. Voornoemde verklaringen zijn gebaseerd op de feiten en omstandigheden die belanghebbende op de aanvraagformulieren heeft ingevuld. Belanghebbende heeft op de formulieren onder meer ingevuld dat zijn geschatte jaarinkomen voor de VAR-werkzaamheden minder dan € 10.000 bedraagt.

3. Geschil

In geschil is of een bedrag van € 922 als verlies uit onderneming in aanmerking kan worden genomen, en of belanghebbende recht heeft op de zelfstandigenaftrek. Het geschil spitst zich toe op de vraag of belanghebbendes muzikale activiteiten als een bron van inkomen kunnen worden aangemerkt. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Een voordeel is alleen aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen indien het is genoten uit een bepaalde bron van inkomen. Volgens vaste jurisprudentie (o.a. HR 3 maart 1954, LJN AY2826, en HR 1 februari 2002, LJN AD8763) worden als uitgangspunt drie algemene voorwaarden gesteld aan een zodanige bron: deelname aan het economische verkeer, het (subjectieve) oogmerk om voordeel te behalen en de (objectieve) verwachting dat het voordeel redelijkerwijs – in de toekomst – kan worden behaald.

4.2. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of sprake is van een (objectieve) voordeel¬verwachting. De Inspecteur heeft de vanaf 2005 verrichte muzikale activiteiten van belanghebbende niet als een bron van inkomen aangemerkt, omdat naar zijn mening redelijkerwijs niet kan worden verwacht dat deze activiteiten belanghebbende – in de toekomst – positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Belanghebbende heeft daaren¬tegen betoogd dat hij met deze activiteiten redelijkerwijs wel voordeel kon verwachten.

4.3. Feitelijk is komen vast te staan dat in de jaren 2005 tot en met 2008 de kosten die verband houden met de muzikale activiteiten van belanghebbende, telkens de daarmee in die jaren behaalde opbrengsten hebben overtroffen, en dat in het jaar 2009 in het geheel geen optredens zijn verzorgd. Verder heeft belanghebbende in zijn hogerberoepschrift verklaard dat het niet erg waarschijnlijk is dat zijn muzikale activiteiten reeds op korte termijn tot positieve resultaten zullen leiden. Gelet daarop acht het Hof aannemelijk dat in het onderhavige jaar redelijkerwijs niet kon worden verwacht dat de muzikale activiteiten van belanghebbende in de toekomst positieve zuivere opbrengsten zullen opleveren. Die activiteiten kunnen derhalve niet worden aangemerkt als een bron van inkomen. De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling terecht de aangegeven bedragen aan ondernemingsverlies en zelfstandigenaftrek gecorrigeerd.

4.4. Verder heeft belanghebbende betoogd dat hij blijkens de in 2.11 vermelde verklaringen voor de jaren 2006 tot en met 2008 als ondernemer wordt aangemerkt, dat de Inspecteur bij de aanslagregeling voor het jaar 2005 zich op het standpunt stelt dat hij geen ondernemer is, dat deze beoordelingen niet consistent zijn en dat de Inspecteur daarmee onzorgvuldig te werk is gegaan. Het Hof begrijpt dit betoog aldus dat de Inspecteur bij het afgeven van de voormelde verklaringen, anders dan bij de aanslagregeling voor het jaar 2005, onvoldoende kennis omtrent de relevante feiten heeft vergaard, en dat zulks onzorgvuldig is. Indien dit betoog van belanghebbende al zou worden gevolgd, brengt dit mee dat de Inspecteur bij het afgeven van de verklaringen onzorgvuldig heeft gehandeld. Dit betekent echter niet dat de Inspecteur bij het vaststellen van de onderhavige aanslag onzorgvuldig heeft gehandeld door op grond van de gegevens uit de aangifte tot een andere fiscale kwalificatie te komen van belanghebbendes muzikale activiteiten dan volgens de afgegeven verklaringen. Dit betoog van belanghebbende faalt derhalve.

4.5. In verband met het overwogene onder 4.4 heeft het Hof vastgesteld dat belanghebbendes gemachtigde ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij zich niet erop wil beroepen dat gelet op de afgegeven verklaringen, bij belanghebbende het vertrouwen is gewekt dat hij ook voor de onderhavige belastingaanslag als ondernemer zou worden aangemerkt. Het Hof komt daarom niet toe aan een beoordeling hiervan.

4.6. Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

5. Proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. A.J.H. van Suilen, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2010.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (A.J.H. van Suilen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 11 februari 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

postbus 20303, 2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 – bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.