Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL3681

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
12-02-2010
Zaaknummer
104.003.937
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BOSO-quotum. Gelet op de overeenkomsten en de verschillen tussen de systematiek van de Beschikking superheffing en de Beschikking BOSO geldt voor in verband met leegstand toegekend BOSO-quotum het volgende.

a. Voor de berekening van het hectaregemiddelde is bepalend hoeveel grond in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest indien de leegstand wordt weggedacht, behalve voor zover sprake is van een vermindering van het grondoppervlakte in de zin van artikel 8 lid 4 Beschikking BOSO. Waar het eerste lid van artikel 8 de omvang van de leegstand relateert aan het hoogste aantal melk- of kalfkoeien in enig jaar volgens de landbouwtelling van de jaren 1975 tot en met 1982, behoort men de hoeveelheid grond die in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest in de hiervoor bedoelde zin, in het algemeen af te leiden uit het grondgebruik in datzelfde jaar. Dat jaar kan men eventueel in een oneigenlijke zin als het “referentiejaar” duiden.

b. Wat betreft de vraag met welke pachtgronden vervolgens de aldus berekende hoeveelheid quotum is gaan samenhangen, zal men in het geval van het BOSO-quotum niet zonder meer de eis mogen stellen dat de desbetreffende gronden zowel in 1983 (of het onder a bedoelde “referentiejaar”) als in het jaar van toekenning bij de pachter in gebruik waren. Gelet op artikel 8 lid 4 Beschikking BOSO zijn de desbetreffende gronden immers ook als zij na 1983 bij de pachter in gebruik zijn gekomen, mede bepalend voor de productiecapaciteit die de grondslag voor de toekenning van het quotum vormt. Bij regulier melkquotum is dit anders, omdat wat betreft dát quotum de feitelijk in 1983 gerealiseerde melkproductie bepalend is voor de omvang ervan en niet mede de grootte van de ten tijde van de toekenning bestaande productiecapaciteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 104.003.937

(zaaknummer rechtbank 313103)

arrest van de pachtkamer van 2 februari 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. P.M. Wilmink,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. P.C.M. Heinen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 16 januari 2007 (zoals hersteld bij vonnis van 1 februari 2007) en 12 juni 2007, die de pachtkamer van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, tussen appellant in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [appellant]) als gedaagde en geïntimeerde in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser heeft gewezen. Van genoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 10 juli 2007 aan [geïntimeerde] aangezegd van de genoemde vonnissen in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellant] acht grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden vonnissen zal vernietigen, en (naar het hof begrijpt:) opnieuw recht doende de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in beide instanties, daaronder begrepen de kosten van eventuele getuigen en/of deskundigen, alsmede in het nasalaris procureur ad € 131,-.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij zijnerzijds in incidenteel beroep één grief tegen het vonnis van 12 juni 2007 aangevoerd en toegelicht, heeft hij een nieuwe productie in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd:

in het principaal beroep: dat het hof het vonnis van 12 juni 2007 zal bekrachtigen, zo nodig onder verbetering of aanvulling van gronden;

in het incidenteel beroep: dat het hof het vonnis van 12 juni 2007 zal vernietigen, en opnieuw recht doende de tussen partijen gesloten pachtovereenkomst van 16 september 1987 zal ontbinden en [appellant] zal veroordelen om het gepachte te ontruimen;

in het principaal en het incidenteel beroep: dat het hof [appellant] zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Bij memorie van antwoord in het incidenteel beroep heeft [appellant] de grief in het incidenteel beroep bestreden en verweer gevoerd, bewijs aangeboden, een productie overgelegd en geconcludeerd dat het hof, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn hoger beroep, althans zijn hoger beroep en de door hem geformuleerde grieven ongegrond zal verklaren en verwerpen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties, daaronder begrepen de eventuele getuigen en/of deskundigen, alsmede in het nasalaris procureur ad € 131,-.

2.5 Daarna heeft [appellant] akte verzocht van zijn reactie op de memorie van antwoord in het principaal beroep en heeft hij bewijs aangeboden.

2.6 Ter zitting van 8 juni 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellant] door mr. J.T. Fuller, advocaat te Zwolle, en [geïntimeerde] door mr. O.C. Struif, advocaat te Drachten, beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Ter gelegenheid van de pleitzitting hebben partijen beraad gevraagd in verband met onderhandelingen. Het hof heeft de zaak aangehouden.

2.7 Vervolgens hebben partijen alsnog de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Tussen partijen bestaat een pachtovereenkomst, waarbij [geïntimeerde] als verpachter aan zijn zoon [appellant] als pachter enkele percelen grasland ter beschikking heeft gesteld voor de uitoefening van de landbouw. Het betreft de percelen kadastraal bekend gemeente [....], gezamenlijk groot 11.07.36 ha. De pachtovereenkomst is goedgekeurd door de grondkamer voor Overijssel bij beslissing van 22 oktober 1987. Het tweede lid van artikel 8 van de pachtovereenkomst houdt in:

"Slechts de paarden, welke op de hoeve voor het bedrijf nodig zijn mogen op het gepachte worden geweid."

Het tweede lid van artikel 36 van de overeenkomst houdt in:

"De pachter zal het gepachte weiland uitsluitend met eigen vee mogen beweiden; het is hem verboden zonder schriftelijke toestemming van de verpachter vee van anderen daarop toe te laten of dit te gedogen."

3.3 Met de pachtgronden hing melkquotum samen. Dit quotum is verkregen op grond van de beschikking Beschikking bijzondere opvolgingssituaties onderbezetting op aanvraag van [appellant] De bijlage bij zijn aanvraag houdt onder meer het volgende in:

"De vader van de aanvrager heeft per 1 oktober 1980 een niet leveringsregeling met het O en S fonds afgesloten. Het bouwplan was op dat moment als volgt: 26 ha grasland waarvan 11 ha eigendom en 15 ha pacht en 5 ha fabrieksaardappelen welke ook eigendom was en thans nog is. De verpachter is de Stichting "Het Overijssels Landschap". Na de bedrijfsovername, welke geheel door middel van verpachting zal plaatsvinden, zal het bedrijf over de 15 ha pacht grond en gebouwen van het Overijssels Landschap kunnen beschikken, alsmede over 11 ha oude graslanden. De bedrijfsoppervlakte ten dienste van de rundveehouderij keert daarmee op het oude peil terug."

3.4 Bij beschikking van 20 januari 1987 is aan [appellant] een quotum toegekend van 237.260 kg met een vetgehalte van 6,30% vet, dat als gevolg van verminderingen en vermeerderingen uiteindelijk nog 213.070 kg bedroeg.

3.5 De pachter heeft het quotum aanvankelijk zelf benut, maar is op zeker moment gebruik gaan maken van de mogelijkheid het gehele quotum te verleasen. Door gewijzigde regelgeving is dit niet langer mogelijk. Overleg tussen partijen heeft ertoe geleid dat de pachter een heffingvrije hoeveelheid van 35.340 kilogram heeft teruggeleverd aan de verpachter of aan een door deze aangewezen derde.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [geïntimeerde] heeft in dit geding betaling van € 22.176,-, te vermeerderen met wettelijke rente, en ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd. Aan de vordering tot betaling heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd de opvatting dat voor de vraag met hoeveel en met welke grond melkquotum is gaan samenhangen, uit moet worden gegaan van het jaar 1979. Met een beroep op de meitellinggegevens stelt [geïntimeerde] dat in 1979 26.50 ha voor de melkveehouderij in gebruik was. Aan de vordering tot ontbinding heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd: (1) onderverpachting van een deel van het gepachte voor aardappelenteelt en (2) het weiden op het gepachte van paarden van derden. Bij het vonnis van 12 juni 2007 heeft de pachtkamer in eerste aanleg toegewezen de vordering tot betaling van € 22.176,-, vermeerderd met wettelijke rente, en de vordering tot ontbinding afgewezen.

4.2 In het principaal beroep komt [appellant] op tegen de toewijzing van de vordering tot betaling van € 22.176,-. In het incidenteel beroep komt [geïntimeerde] op tegen de afwijzing van de vordering tot ontbinding. Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.3 Tussen partijen is niet langer in geschil dat [geïntimeerde] als verpachter aanspraak kan maken op 50% van (de waarde van) het quotum dat met het gepachte is gaan samenhangen. Tussen hen is slechts in geschil hoeveel quotum met het gepachte samenhing. De pachtkamer in eerste aanleg is in dit verband uitgegaan van de situatie in 1988 als het jaar waarin de melkproductie feitelijk is hervat. Volgens de grieven in het principaal beroep moet worden uitgegaan van 1979 als referentiejaar; [appellant] biedt in dat verband te bewijzen aan dat meer grond ten behoeve van de melkveehouderij in gebruik was dan uit de meitellingsgevens blijkt.

4.4 Het hof stelt wat betreft het op grond van de Beschikking superheffing bedrijfsopvolgingssituaties onderbezetting (Stcrt. 1986, 92; hierna: de Beschikking BOSO) toegekende melkquotum het navolgende voorop.

4.5 Het reguliere melkquotum (oorspronkelijk gegrond op de Beschikking superheffing, Stcrt. 1984, 79) werd in 1984 toegekend naar aanleiding van de in het referentiejaar 1983 feitelijk gerealiseerde melkproductie. Volgens de vaste rechtspraak van dit hof is voor de berekening van de hoeveelheid quotum per hectare (hierna ook kortweg aan te duiden als het hectaregemiddelde) beslissend hoeveel grond in het referentiejaar 1983 dienstbaar was aan de melkproductie. De aldus berekende hoeveelheid quotum gaat samenhangen met pachtgronden die zowel in het referentiejaar 1983 als in het jaar van toekenning 1984 bij de pachter in gebruik waren. Het hof verwijst naar zijn arrest van 28 december 2004 inzake Natuurmonumenten/[X], Agr.r. 2006, 5343.

4.6 De Beschikking BOSO voorziet in de toekenning van (extra) quotum (het BOSO-quotum) in gevallen waarin in verband met een bedrijfsopvolgingssituatie in 1983 sprake was van onderbezetting, hetzij in de zin dat in dat jaar, kort gezegd, sprake was van leegstand (artikel 6), hetzij in de zin dat, eveneens kort gezegd, voor een uitbreiding van het aantal standplaatsen verplichtingen waren aangegaan, maar die uitbreiding nog niet was gerealiseerd (artikel 8). In het onderhavige geval was de aanvraag en toekenning van het BOSO-quotum gegrond op leegstand.

4.7 De strekking van de Beschikking BOSO wat betreft gevallen van leegstand is om het melkveebedrijf zoveel mogelijk in de positie te brengen waarin het zonder de leegstand zou hebben verkeerd. Met dat doel reconstrueert artikel 8 van de Beschikking BOSO de productiecapaciteit in 1983, de leegstand weggedacht. Volgens het derde lid van dat artikel is niet de feitelijk gerealiseerde melkproductie in enig jaar bepalend voor de omvang van het ter zake van de leegstand toe te kennen quotum (zodat in eigenlijke zin geen sprake is van een referentiejaar), maar het aantal niet benutte standplaatsen, verminderd met 10%, vermenigvuldigd met een vast aantal kg (namelijk 5.500 kg), en het geheel vervolgens verminderd met het geldende kortingspercentage. Het vierde lid van artikel 8 bepaalt vervolgens, eenvoudig gezegd, dat het quotum evenredig wordt verminderd voor zover de totale oppervlakte grond in eigendom, pacht of erfpacht, gebezigd voor de melkveehouderij, inmiddels is verminderd. Een vermindering van het grondoppervlak, leidde derhalve tot vermindering van de productiecapaciteit die voor de toekenning van het BOSO-quotum in aanmerking werd genomen.

4.8 Gelet op de overeenkomsten en de verschillen tussen de systematiek van de Beschikking superheffing en de Beschikking BOSO geldt voor in verband met leegstand toegekend BOSO-quotum het volgende.

a. Voor de berekening van het hectaregemiddelde is bepalend hoeveel grond in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest indien de leegstand wordt weggedacht, behalve voor zover sprake is van een vermindering van het grondoppervlakte in de zin van artikel 8 lid 4 Beschikking BOSO. Waar het eerste lid van artikel 8 de omvang van de leegstand relateert aan het hoogste aantal melk- of kalfkoeien in enig jaar volgens de landbouwtelling van de jaren 1975 tot en met 1982, behoort men de hoeveelheid grond die in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest in de hiervoor bedoelde zin, in het algemeen af te leiden uit het grondgebruik in datzelfde jaar. Dat jaar kan men eventueel in een oneigenlijke zin als het "referentiejaar" duiden. In die oneigenlijke betekenis sprak het arrest van deze kamer van 23 juni 1998, Agr.r. 2000, 5008 van 1979 als referentiejaar in het daar besliste geval.

b. Wat betreft de vraag met welke pachtgronden vervolgens de aldus berekende hoeveelheid quotum is gaan samenhangen, zal men in het geval van het BOSO-quotum niet zonder meer de eis mogen stellen dat de desbetreffende gronden zowel in 1983 (of het onder a bedoelde "referentiejaar") als in het jaar van toekenning bij de pachter in gebruik waren. Gelet op artikel 8 lid 4 Beschikking BOSO zijn de desbetreffende gronden immers ook als zij na 1983 bij de pachter in gebruik zijn gekomen, mede bepalend voor de productiecapaciteit die de grondslag voor de toekenning van het quotum vormt. Bij regulier melkquotum is dit anders, omdat wat betreft dát quotum de feitelijk in 1983 gerealiseerde melkproductie bepalend is voor de omvang ervan en niet mede de grootte van de ten tijde van de toekenning bestaande productiecapaciteit.

4.9 De hiervoor onder b aangeduide vraag is tussen partijen niet in geschil. Wat betreft de onder a bedoelde kwestie blijkt uit de bij inleidende dagvaarding overgelegde meitellinggegevens (productie 4) in samenhang met de bij hetzelfde processtuk overgelegde toewijzing van het BOSO-quotum (productie 2), dat uit is gegaan van het aantal melk- en kalfkoeien volgens de meitelling van 1979. Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is vooropgesteld, volgt daaruit dat voor de hoeveelheid grond die in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest indien de leegstand wordt weggedacht, in beginsel bepalend is de hoeveelheid die in 1979 daaraan dienstbaar was.

4.10 Gelet op de meitellinggegevens van 1979 (die als bedrijfsoppervlakte 25.25 ha grasland vermelden) en de inhoud van de bijlage bij de aanvraag van het BOSO-quotum als onder 3.3 weergegeven, acht het hof voorshands bewezen dat de hoeveelheid grond die in 1983 aan de melkproductie dienstbaar zou zijn geweest indien de leegstand wordt weggedacht, niet meer bedraagt dan de 26.50 ha waarvan [geïntimeerde] uitgaat. Overeenkomstig zijn bewijsaanbod zal het hof [appellant] tegenover dit feitelijk vermoeden toelaten tot tegenbewijs. Tegenover eventueel door [appellant] te leveren tegenbewijs, zal [geïntimeerde] bij gelegenheid van contra-enquête desgewenst mede bewijs kunnen leveren van een eventuele vermindering van het grondoppervlakte als bedoeld in artikel 8 lid 4 Beschikking BOSO. De omstandigheid dat bij de toekenning met een zodanige vermindering geen rekening is gehouden, ontneemt daaraan naar het voorlopig oordeel van het hof niet het belang.

4.11 De grieven in het incidenteel beroep falen. Ter gelegenheid van de pleidooizitting in hoger beroep heeft de advocaat van [geïntimeerde] erkend dat [geïntimeerde] in het verleden geen probleem heeft gemaakt van het weiden van paarden van derden en onderverpachting voor de aardappelteelt. Volgens de onbetwiste vaststelling van de pachtkamer in eerste aanleg (vonnis van 12 juni 2007 onder 7) heeft [geïntimeerde] in eerste aanleg bovendien verklaard dat onvrede over afrekening van het melkquotum er de oorzaak van is geweest dat hij de onderverpachting aan de orde heeft gesteld. In verband met een en ander kunnen de gestelde tekortkomingen niet de ontbinding met zijn gevolgen rechtvaardigen.

4.12 De slotsom is dat het lot van het principaal beroep afhankelijk is van bewijslevering en dat het incidenteel beroep faalt. Het hof zal ter gelegenheid van de bewijslevering met partijen compareren, met als doel om (andermaal) een minnelijke regeling te beproeven.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het onder 4.10 bedoelde tegenbewijs;

bepaalt dat, indien [appellant] dat tegenbewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk, in aanwezigheid van het deskundige lid F.J.A. baron van Verschuer, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat [appellant] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de rol van 16 februari 2010, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat [appellant] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt voorts dat, indien er getuigen worden voorgebracht, partijen tezamen met hun advocaten bij het verhoor van de getuigen aanwezig zullen zijn, zulks zowel opdat van de kant van partijen zelf zo nodig nadere inlichtingen zullen kunnen worden gegeven over de punten waarover de getuigen zullen worden gehoord, als opdat eventueel kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, P.H. Veling en J.K.B. van Daalen en de deskundige leden F.J.A. baron van Verschuer en ir. H.K.C. Roelofsen, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 februari 2010.