Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL3064

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
TBS2009-360
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling afgewezen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel eist. Het hof verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en beëindigt de dwangverpleging voorwaardelijk.

Uitspraak 8 februari 2010

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P09/0360

Beslissing d.d. 8 februari 2010

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[Terbeschikkinggestelde]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2009, houdende afwijzing van de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Overwegingen:

- Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, gelet op artikel 509t, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, aangezien de rechtbank niet binnen twee maanden na het indienen van de verlengingsvordering van de officier van justitie haar beslissing heeft genomen, daar het hof recht doet mede op grond van nieuwe stukken en hetgeen de getuige-deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep hebben verklaard en omdat het hof tot een andere beslissing komt.

- In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de terbeschikkingstelling eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

- In het verlengingsadvies van 28 november 2008 concludeert de kliniek dat betrokkene lijdt aan de stoornis van Asperger en een persoonlijkheidsstoornis NAO met narcistische trekken. De onafhankelijke deskundigen Pauw en Van der Woerdt onderschrijven de conclusie van de kliniek dat er bij betrokkene sprake is van de stoornis van Asperger en narcistische trekken, maar zij stellen geen persoonlijkheidsstoornis bij hem vast.

- In hun rapportages verwijzen de onafhankelijke deskundigen naar de risicotaxatie van 27 oktober 2007. In deze risicotaxatie wordt het risico op recidive in een gewelddelict als laag ingeschat. Volgens Pauw is de kans op herhaling van een vergelijkbaar delict als het indexdelict nihil. Naar het oordeel van Van der Woerdt is de kans op herhaling zeer klein. Van der Woerdt vindt de overgang van betrokkene, die destijds nog in een transmurale voorziening van de kliniek verbleef, naar een situatie zonder begeleiding te groot. Naar zijn mening is langdurige ambulante behandeling gewenst en begeleiding naar zelfstandig wonen aangewezen. De overgang van betrokkene naar een zelfstandige woning en ambulante behandeling kan volgens hem het beste plaatsvinden vanuit de borging van de kliniek in het kader van een proefverlof. Na een jaar kan worden bezien of de dwangverpleging voorwaardelijk kan worden beëindigd. Van der Woerdt adviseert de terbeschikkingstelling te verlengen voor de duur van één jaar met continuering van het bevel tot verpleging. Dit advies wordt onderschreven door Pauw.

- Uit het verlengingsadvies van de kliniek van 30 november 2009 valt op te maken dat betrokkene, na de tussenbeslissing van de rechtbank van 30 juni 2009, is ondergebracht in een zelfstandige woning. Hij wordt sindsdien begeleid door de reclassering en AFPN. Hij houdt zich aan de behandel- en verlofafspraken, hoewel hij zelf vindt dat hij geen behandeling nodig heeft. In de risicotaxatie van 10 november 2009 wordt de afwijzende houding van betrokkene ten opzichte van de behandeling als een van de risicofactoren beschouwd. Het risico op recidive in een geweldsdelict wordt laag tot matig ingeschat. In de beschouwing van de delictsrisico’s wordt gesteld dat betrokkene snel in een voor hem uitzichtloze situatie komt, zoals die ook bestond ten tijde van het indexdelict, en zijn wanhoop en paniek dan zo groot worden dat hij, in zijn beleving, wel moet handelen om zijn bestaan te redden. Gezien de delictsrisico’s is het volgens de kliniek van belang dat betrokkene in een geleidelijk en zorgvuldig vormgegeven traject zijn leven buiten de kliniek verder vorm gaat geven. De kliniek verwacht dat dit traject nog geruime tijd in beslag zal nemen en adviseert de terbeschikkingstelling te verlengen. In de toelichting op het verlengingsadvies door de getuige-deskundige de Jonge komt naar voren dat de voorzetting van de maatregel volgens haar langer dan een jaar na de huidige expiratiedatum noodzakelijk is.

- Het hof constateert dat alle deskundigen concluderen dat betrokkene in ieder geval lijdt aan de stoornis van Asperger en maakt die conclusie tot de zijne. De deskundigen schatten delictgevaarlijkheid van betrokkene verschillend in. Het hof zal de conclusie van de onafhankelijke deskundigen ten aanzien van de delictgevaarlijkheid niet volgen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hun conclusie dat betrokkene niet delictgevaarlijk is, zich niet verdraagt met hun conclusie dat de terbeschikkingstelling verlengd dient te worden. In zoverre is de conclusie van de onafhankelijke deskundigen niet ondubbelzinnig. Daarbij komt dat de onafhankelijke deskundigen bij de inschatting van het delictgevaar zijn uitgegaan van een oudere risicotaxatie dan de deskundigen van de kliniek. Op grond van de meest recente risicotaxatie, waarin sprake is van een laag tot matig recidiverisico, concludeert het hof dat het delictgevaar nog altijd aanwezig is. Naar het oordeel van het hof kan het aanwezige delictgevaar niet tot een aanvaardbaar niveau worden teruggebracht buiten een dwingend kader. Daartoe wordt overwogen dat betrokkene nog (ambulante) behandeling en begeleiding nodig heeft, en hij zelf heeft verklaard dat hij hieraan alleen zal meewerken als hij daartoe wordt verplicht. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de terbeschikkingstelling aangewezen is. Het primaire verweer van betrokkene en zijn raadsman om de terbeschikkingstelling onvoorwaardelijk te beëindigen wordt derhalve verworpen.

- De raadsman van betrokkene heeft subsidiair bepleit de terbeschikkingstelling met één jaar te verlengen. Het uitgangspunt van het hof is dat, wanneer aannemelijk is geworden dat behandeling meer tijd in beslag zal nemen dan de tijd die resteert bij een verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar, de terbeschikkingstelling in principe verlengd dient te worden met een termijn van twee jaren. Het hof stelt vast dat het niet te verwachten is dat binnen een jaar gronden aanwezig zijn die een beëindiging van de terbeschikkingstelling rechtvaardigen, nu betrokkene gedurende langere tijd behandeling en begeleiding behoeft. Het hof is derhalve van oordeel dat een verlenging met een termijn van twee jaar is geïndiceerd.

- Het hof zal wel tegemoet komen aan de wens van betrokkene de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat hij ongeveer een half jaar geleden een zelfstandige woning heeft betrokken en hij zich sindsdien heeft gehouden aan de voorwaarden, die worden genoemd in het maatregelrapport van 12 mei 2009. Tevens acht het hof van belang dat de getuige-deskundige Sijstma heeft verklaard dat deze voorwaarden gehandhaafd kunnen worden en betrokkene heeft verklaard dat hij de opgelegde voorwaarden zal nakomen. Het hof zal de voorwaarden in het maatregelrapport, voor zover deze nog van toepassing zijn, dan ook overnemen in na te melden beslissing. Het hof acht het wenselijk dat wordt getracht betrokkene de komende periode geleidelijk toe te leiden naar vrijwillige hulpverlening.

Beslissing

Het hof:

- Vernietigt de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 8 oktober 2009 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [terbeschikkinggestelde].

- Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar en beëindigt de verpleging van overheidswege en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

- Betrokkene zal zich niet schuldig maken aan enig strafbaar feit; mocht hij daaraan wel schuldig maken, dan zullen het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Justitie door de reclassering terstond op de hoogte worden gesteld.

- Voorts stelt betrokkene stelt zich onder toezicht van Reclassering Nederland en gedraagt zich naar de aanwijzingen van de door of namens deze instelling aan hem te geven aanwijzingen. In ieder geval maakt deel uit van de aanwijzingen:

1. Aanwijzingen met betrekking tot zijn huisvesting, ook als dit inhoudt de betaling van vaste lasten/huur of het veranderen van woonadres;

2. Betrokkene geeft inzicht in zijn financiën;

3. Betrokkene houdt zich aan de behandelafspraken van de Ambulante Forensische Psychiatrie Noord-Nederland, die hem in het kader van de behandeling worden gegeven, ook als dit inhoudt begeleiding door de Forensisch Psychiatrische ThuisZorg. Hij stelt zich daarbij begeleidbaar op;

4. Betrokkene heeft overleg met de reclassering aangaande familie contacten, die pas na toestemming van de reclassering plaats kunnen vinden. Tevens geeft hij inzicht en openheid betreffende relaties die onderdeel uitmaken van zijn sociale netwerk;

5. Betrokkene gaat akkoord met uitwisseling van gegevens tussen de instanties die met hem te maken hebben in het kader van de voorwaardelijke beëindiging.

6. Indien noodzakelijk wordt betrokkene voor een time-out teruggeplaatst naar [kliniek]. Deze time-outplaatsing duurt zolang als nodig is om betrokkene op verantwoorde en veilige wijze terug te laten keren naar de omstandigheden voorafgaand aan de time-out. Tijdens de time-out zullen partijen in overleg beslissen of welke wijze voortzetting van het traject al of niet mogelijk en haalbaar is. In het kader van Forensisch Psychiatrisch Toezicht kan ter consultatie een beroep op [kliniek] worden gedaan.

- Het hof draagt aan de reclassering op de terbeschikkinggestelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Aldus gedaan door

mr H.G.W. Stikkelbroeck als voorzitter,

mr G. Mintjes en mr G. de Jonge als raadsheren,

en drs. R. Vecht-van den Bergh en drs. T. van Iersel als raden,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans als griffier,

en op 8 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De raden en mr G. de Jonge zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.