Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL3060

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
02-02-2010
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
PIJ 2009-394
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De vordering tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in de vordering tot verlenging van de maatregel van plaatsing van betrokkene in een inrichting voor jeugdigen is weliswaar te laat maar binnen een redelijke termijn ingediend. In tegenstelling tot de rechtbank is het hof van oordeel dat er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen verlenging van de maatregel eist. Het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de verlengingsvordering en verlengt de maatregel met een termijn van een jaar.

Uitspraak 2 februari 2010

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PIJ P09/0394

Beslissing d.d. 2 februari 2010

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[betrokkene]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans verblijvende [verblijfplaats].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2009, houdende de niet ontvankelijk verklaring van de officier van justitie in de vordering tot verlenging van de aan betrokkene opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Overwegingen:

- Het hof zal de beslissing van de rechtbank dienen te vernietigen, daar het recht doet mede op grond van nieuwe stukken.

- De raadsvrouw van betrokkene heeft aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

- De maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is voorwaardelijk opgelegd bij de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 17 mei 2005 ter zake van diefstal vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Het feit is strafbaar gesteld in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht. De vermelding van de artikelen 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht in de verlengingsvordering berust op een kennelijke misslag. De maatregel is derhalve opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meer personen.

- Bij het arrest van het gerechtshof Leeuwarden van 9 oktober 2006 is tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen gelast. Met ingang van 24 oktober 2006 is de maatregel ten uitvoer gelegd voor een termijn van twee jaren. Bij beslissing van 18 november 2008 heeft de rechtbank Leeuwarden de maatregel met een termijn van één jaar verlengd. Met inachtneming van artikel 509q van het Wetboek van Strafvordering, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, betekent dit dat de maatregel op 23 oktober 2009 door tijdsverloop zou verlopen.

Artikel 77t lid 1 Wetboek van Strafrecht bepaalt dat het openbaar ministerie niet later dan één maand voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zal eindigen een vordering tot verlenging van de termijn van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen kan indienen. Ingevolge artikel 509oa van het Wetboek van Strafvordering, dat van overeenkomstige toepassing is verklaard op de onderhavige maatregel, is een verlengingvordering, die later dan een maand vóór het tijdstip waarop de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen door tijdsverloop zal eindigen, doch binnen een redelijke termijn is ingediend, niettemin ontvankelijk, indien er bijzondere omstandigheden aanwezig zijn waardoor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen, ondanks het belang van betrokkene, verlenging van de maatregel eist.

- Het hof stelt vast dat de verlengingsvordering door de officier van justitie te laat is ingediend, namelijk op 13 oktober 2009. Naar het oordeel van het hof is sprake van een redelijke termijn als hierboven bedoeld nu de vordering is ingediend voor het tijdstip waarop de maatregel door tijdsverloop zou eindigen, de vertraging slechts 20 dagen bedroeg en niet is gesteld of gebleken dat die vertraging afbreuk heeft gedaan aan enig belang van betrokkene. In tegenstelling tot de rechtbank en de raadsvrouw van betrokkene oordeelt het hof dat er tevens sprake is van bijzondere omstandigheden als hierboven bedoeld. Daarbij wordt in het bijzonder aanmerking genomen dat de maatregel aan betrokkene is opgelegd voor een gewelddadig vermogensdelict en het recidiverisico nog altijd aanwezig is. Het vorenstaande vormt - naast de overige gronden om de onderhavige maatregel te verlengen, als in het vervolg van deze beslissing te vermelden- een bijzondere omstandigheid die tot verlenging noopt.

- In het bijzonder gelet op de advisering is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist als in de hierna te vermelden beslissing vervat.

- Uit het verlengingsadvies volgt dat de kans op recidive gemiddeld wordt ingeschat, zolang de verslavingsproblematiek van betrokkene niet onder controle is. Onder invloed van alcohol en drugs kan hij controle over zijn daden verliezen en tot criminele handelingen komen. In combinatie met het middelengebruik spelen andere risicofactoren een rol, waaronder de schending van voorwaarden. In de afgelopen periode is betrokkene vijf keer positief getest op cannabisgebruik en drie keer te laat teruggenomen van verlof. Nadat betrokkene de laatste keer te laat en onder invloed van cannabis terugkeerde, heeft hij geen verlof meer gehad. Na een intakegesprek van betrokkene bij Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) is geconstateerd dat een ambulante behandeling van zijn verslavingsproblematiek vooralsnog niet haalbaar is, gelet op het ontbreken van een intrinsieke motivatie en de positieve uitslagen van betrokkene op drugstests. De problematiek van betrokkene kan binnen de inrichting niet verder worden behandeld. In het verlengingsadvies wordt gesteld dat de mogelijkheden voor een verdere behandeling van betrokkene binnen een forensisch kader in een andere instelling, zoals Hoeve Boschoord of de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) in Assen, worden onderzocht. In de aanvulling op het advies komt echter naar voren dat betrokkene, mede vanwege zijn geringe motivatie, is afgewezen voor een opname in Hoeve Bosschoord. Een opname in de FPK is volgens de inrichting nog wel mogelijk.

- Het hof constateert dat de verslavingsproblematiek van betrokkene in het kader van de onderhavige maatregel, die nu al meer dan drie jaren duurt, nog altijd niet is behandeld. Weliswaar heeft de inrichting de noodzaak tot behandeling van de verslaving in een laat stadium aan de orde gesteld, maar uiteindelijk is het aan betrokkene zelf te wijten dat een dergelijke behandeling in het afgelopen jaar niet van de grond is gekomen. Het hof is oordeel dat een verdere behandeling van betrokkene binnen het kader van de maatregel effectief kan zijn. De motivatie van betrokkene voor een verslavingsbehandeling is weliswaar extern bepaald, maar niet afwezig. Het hof acht het dan ook mogelijk dat betrokkene mee zal werken aan een behandeling van zijn verslavingsproblematiek in een FPK, zoals de inrichting thans voorstaat. De behandeling kan eventueel ook ambulant plaatsvinden bij VNN of een soortgelijke instelling in het kader van een verloftraject, waarbij betrokkene in de gelegenheid wordt gesteld te bewijzen dat hij thans wel in staat is zich te houden aan verlofvoorwaarden en af te zien van het gebruik van alcohol en drugs. Met name gelet op het recidiverisico dat het middelengebruik door betrokkene met zich meebrengt, acht het hof de verlenging van de maatregel noodzakelijk. Daarnaast kan betrokkene naar het oordeel van het hof ook de nodige ondersteuning gebruiken op andere gebieden, zoals dagbesteding en huisvesting, voordat hij in staat is zich zelfstandig te handhaven in de maatschappij.

- Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat een verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van een jaar geïndiceerd is en dat een dergelijke verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Leeuwarden van 13 november 2009 met betrekking tot de betrokkene [betrokkene].

Verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de verlenging van de maatregel tot verlening van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Verlengt de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met een termijn van een jaar.

Aldus gedaan door

mr G. Mintjes als voorzitter,

mr H.G.W. Stikkelbroeck, mr J.I.M.W. Bartelds en als raadsheren,

en drs. M. van Weers en drs. E. Harmsen als raden,

in tegenwoordigheid van mr R. Hermans als griffier,

en op 2 februari 2010 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.