Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL2868

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
08-02-2010
Datum publicatie
08-02-2010
Zaaknummer
24-001667-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZLY:2009:BI2002, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt terzake moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar.

Verdachte is politieagente en heeft met haar dienstwapen haar ex-partner in het hoofd geschoten. Ten tijde van de moord bevond verdachte zich in een dissociatieve toestand. Die dissociatieve toestand had echter niet een zodanige diepgang dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Zij was wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 24-001167-09

Parketnummer eerste aanleg: 07-607408-08

Arrest van 8 februari 2010 van het gerechtshof te Arnhem, nevenzittingsplaats Leeuwarden, meervoudige strafkamer, op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 23 april 2009 in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren op [1962] te [geboorteplaats],

thans verblijvende in PI Noord Holland Noord, Amerswiel te Heerhugowaard,

verschenen in persoon, bijgestaan door haar raadsman mr. M. Pestman, advocaat te Amsterdam en bijgestaan door de raadsvrouw mr. P.M.A.C. van de Wouw, advocaat te Utrecht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank Zwolle-Lelystad heeft de verdachte bij het vonnis wegens moord veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 jaar, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, heeft de vordering van de benadeelde partij deels toegewezen - met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel - , heeft de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaard en heeft beslist over de inbeslaggenomen zaken, zoals in dat vonnis omschreven.

Gebruik van het rechtsmiddel

De verdachte is op de voorgeschreven wijze en tijdig in hoger beroep gekomen.

Het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof

- verdachte terzake moord zal veroordelen tot een gevangenisstraf van 12 jaar, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest;

- de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen voorzover deze betrekking heeft op de materiële schade, zijnde een bedrag van € 3.125,15, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk zal verklaren voor zover de vordering betrekking heeft op de immateriële schade en de kosten van de rechtsbijstand;

- de teruggave aan de politie Flevoland zal gelasten van het inbeslaggenomen wapen;

- de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer] zal gelasten van de inbeslaggenomen kleding van [slachtoffer];

- de teruggave aan verdachte zal gelasten van de inbeslaggenomen kleding van verdachte.

De beslissing op het hoger beroep

Het hof zal het vonnis vernietigen en opnieuw recht doen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd, dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 december 2008 tot en met 11 december 2008 in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, in ieder geval éénmaal, met een pistool (Walther P5), in ieder geval met een vuurwapen, een kogel in het hoofd en/of in de linkerschouder en/of in de linkerbovenarm, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 10 december 2008 tot en met 11 december 2008 in de gemeente [gemeente] en/of in de gemeente [gemeente 2] opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, in ieder geval éénmaal, met een pistool (Walther P5), in ieder geval met een vuurwapen, een kogel in het hoofd en/of in de linkerschouder en/of in de linkerbovenarm, in ieder geval in het lichaam, van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Bewijsoverwegingen

De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat de omstandigheden waaronder verdachte tot het fatale schot is gekomen, zodanig waren dat niet van opzet kan of mag worden gesproken. Volgens de raadsman verkeerde verdachte - doordat zij gedurende maanden bedreigd, mishandeld, verkracht en anderszins vernederd was door [slachtoffer] - in een toestand waarin zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen. Deze gemoedstoestand stond ook in de weg aan het kalm beraad, zonder welk niet voor moord kan worden gekwalificeerd.

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat verdachte derhalve van het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Verdachte heeft vanaf 2004 een relatie met gehad met [slachtoffer]. Na april 2008 was er feitelijk geen sprake meer van een relatie, maar [slachtoffer] is bij verdachte blijven wonen. Op 10 december 2008 ontstond een woordenwisseling tussen verdachte en het slachtoffer [slachtoffer]. Verdachte wilde niet thuis blijven slapen, maar bij een vriendin en pakte daartoe haar spullen. Zij verliet haar woning en reed met de auto richting haar vriendin.

Omdat zij door betraande ogen niet verder kon rijden is zij op de parkeerplaats van de Gamma aan de [straat] in [plaats] gaan staan. Zij kwam daar blijkens camerabeelden aan om 20.08 uur. Zij heeft getracht een vriend en haar vriendin telefonisch te bereiken, maar dat lukte niet. Verdachte heeft wel sms-contact met [slachtoffer] gehad. Om 20.31 uur kreeg en las zij nog een sms-bericht van [slachtoffer], waarna zij om 20.32 uur de parkeerplaats verliet.

Zij reed vervolgens naar het politiebureau aan de [straatnaam] te [gemeente], waar zij werkzaam was. Zij arriveerde daar om 20.46 uur en haalde uit haar kluis een dienstwapen, een Walther P5.

Daarna reed zij terug naar haar woning, ging naar binnen en trof [slachtoffer] daar. Zij schoot vervolgens met haar dienstwapen van dichtbij gericht op het hoofd van [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] op de grond lag, schoot zij nog driemaal op het hoofd van [slachtoffer]. Om 21.08 uur belde verdachte de meldkamer van de politie met de mededeling dat zij [slachtoffer] had neergeschoten.

Verdachte heeft op 11 december 2008 bij de politie, onder meer, verklaard dat zij - toen zij op de parkeerplaats bij de Gamma stond - na het laatste sms-bericht van [slachtoffer] helemaal de weg kwijt was, ze was kapot en had erg veel verdriet. Zij besloot toen om haar dienstpistool te gaan halen. Ter terechtzitting bij de rechtbank op 9 april 2009 heeft verdachte verklaard dat zij [slachtoffer] wilde stoppen met haar pijn te doen.

Het hof is van oordeel dat het dodelijk verwonden van [slachtoffer] door verdachte het gevolg is geweest van een tevoren door verdachte genomen besluit daartoe. Het hof vindt hiervoor niet alleen grond in de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van verdachte vanaf het moment dat zij op de parkeerplaats bij de Gamma het laatste sms-bericht van [slachtoffer] heeft gelezen, zoals hiervoor uitgebreid is beschreven, maar ook in het feit dat verdachte heeft verklaard dat zij [slachtoffer] wilde stoppen met haar pijn te doen.

Omtrent verdachte is door psycholoog F. Koenraadt en psychiater M.A. Westerborg gerapporteerd. Beiden hebben hun bevindingen over de persoon van de verdachte ter terechtzitting van het hof toegelicht.

Psycholoog Koenraadt beschrijft dat verdachte zich in een dissociatieve toestand heeft losgescheurd uit een toenemende verstikkende band met [slachtoffer]. Er was sprake van milde persoonlijkheidsproblematiek, waarbij afhankelijke en vermijdende trekken werden waargenomen. Deze psychische conditie beïnvloedde wel verdachtes gedragskeuzen, maar het aantal gedragsalternatieven dat beschikbaar was voor haar, was voldoende ruim om anders te handelen dan ze uiteindelijk deed. De uiteindelijke keuze voor het plegen van het ten laste gelegde, kan dan ook niet uit deze psychische problematiek worden verklaard.

Psychiater Westerborg beschrijft dat dissociatie een manier is om uit een bepaalde situatie te kunnen komen. Onder invloed van stress en/of spanningen wordt het gevoel dan afgesplitst van het handelen om een bepaald doel te kunnen bereiken. Een gedaald bewustzijn en geheugenverlies zijn geen kenmerken van dissociatie, maar kunnen wel optreden. Hoe langer iemand in een dissociatieve toestand verkeert, hoe moeilijker het voor die persoon wordt om nog met zichzelf te overleggen. Het is mogelijk je zo te gedragen dat er - in dissociatieve toestand - niets meer op je pad komt wat je kan tegenhouden in het handelen gericht op het doel waarvoor de dissociatie nodig is.

Bij verdachte lijkt er sprake te zijn geweest van dissociatie. Op het moment dat verdachte op de parkeerplaats bij Gamma besluit om haar dienstwapen te gaan halen, kon zij evenwel nog steeds "overleggen met zichzelf". Daarna werd het voor haar steeds moeilijker om op haar besluit terug te komen, maar het was niet onmogelijk.

Op grond van deze bevindingen van de psychiater en de psycholoog neemt het hof aan dat er bij verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake is geweest van een dissociatieve toestand. Gelet echter op de conclusie van de deskundigen dat het voor verdachte -na haar besluit om haar dienstwapen op te halen- onderweg nog steeds mogelijk was om keuzes te maken, is het hof van oordeel dat die dissociatieve toestand niet een zodanige diepgang heeft gehad dat zij geen controle meer had over haar handelen en geen inzicht meer had in de draagwijdte en gevolgen van haar handelen.

Er heeft voor verdachte derhalve de tijd en de gelegenheid bestaan na te denken over de betekenis en de gevolgen van haar voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachte raad van het leven heeft beroofd. Het hof verwerpt het gevoerde verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht bewezen dat:

zij in de periode van 10 december 2008 tot en met 11 december 2008 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een pistool (Walther P5), een kogel in het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen.

Kwalificatie

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

moord.

Strafbaarheid

F. Koenraadt, psycholoog, heeft op 30 maart 2009 omtrent de persoon van de verdachte gerapporteerd. Koenraadt concludeert dat ten tijde van het ten laste gelegde bij verdachte sprake was van milde persoonlijkheidsproblematiek waarbij afhankelijke en vermijdende trekken werden waargenomen. Daardoor kan het ten laste gelegde in enigszins verminderde mate aan verdachte worden toegerekend.

De psychiater M.A. Westerborg concludeert in zijn rapport omtrent de persoon van de verdachte d.d. 3 april 2008 dat de persoonlijkheid van verdachte als enigszins afhankelijk kan worden omschreven, maar dat van een persoonlijkheidsstoornis geen sprake is. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte, zoals eerder omschreven, in een dissociatieve toestand. In verband hiermee kan verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Het hof neemt deze conclusie over de toerekeningsvatbaarheid over en maakt die tot de zijne.

Nu niet is gebleken dat verdachte het ten laste gelegde in het geheel niet valt toe te rekenen en er ook anderszins geen strafuitsluitingsgronden aanwezig worden geacht, acht het hof verdachte strafbaar.

Strafmotivering

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Verdachte is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen. De advocaat-generaal heeft ter zitting van het hof - net als de officier van justitie in eerste aanleg - wederom een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren gevorderd. De raadsman van verdachte is van oordeel dat aan verdachte een lagere gevangenisstraf dient te worden opgelegd.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon van verdachte. Daarbij heeft het hof in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen.

[slachtoffer] is van zeer korte afstand meerdere malen in het hoofd geschoten door verdachte nadat zij haar dienstwapen had opgehaald op het politiebureau. [slachtoffer] is overleden als gevolg van de schotletsels. Verdachte heeft door haar handelen [slachtoffer] het recht op leven ontnomen en aan de familieleden en vrienden van [slachtoffer] groot en onherstelbaar leed toegebracht. Dit laatste komt onder meer tot uiting in de verklaring van [naam], de zus van het slachtoffer, zoals zij deze ter zitting van het hof op 25 januari 2010 heeft afgelegd.

Moord, zoals in het onderhavige geval bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent en is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf van twaalf jaren passend bij het bewezen verklaarde feit.

Verdachte had als politieagente de beschikking over een vuurwapen. Door met haar dienstwapen een moord te plegen heeft zij het vertrouwen in de politie en het imago van de politie ernstig geschaad. Men moet er immers op kunnen vertrouwen dat overheidsdienaren geen misbruik maken van de hen voor de uit te oefenen taken ter beschikking gestelde middelen. Het hof acht dit strafverzwarend.

Het hof heeft rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte het als voormalig politieagente extra zwaar heeft in detentie.

Daarnaast is het feit dat de detentie van verdachte grote gevolgen heeft voor de kinderen van verdachte een aspect dat het hof bij de strafbepaling in acht heeft genomen, zij het dat tevens acht is geslagen op het gegeven dat de kinderen goed zijn opgevangen door hun vader en bij hem vast en veilig verblijf hebben gevonden.

Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf is door het hof voorts acht geslagen op de omstandigheid dat er sprake lijkt te zijn geweest van relationeel geweld tussen verdachte en slachtoffer, waarin het slachtoffer een aandeel had.

Het hof heeft deze omstandigheden meegewogen als strafverminderende omstandigheden.

Door de raadsman van verdachte is daarnaast nog aangevoerd dat verdachte lijdt onder de vrees voor represailles van de zijde van de familie van het slachtoffer. Het hof is van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat deze vrees gerechtvaardigd is en heeft bij de strafoplegging hiermee geen rekening gehouden.

Het hof heeft bij zijn overwegingen ten aanzien van de op te leggen straf rekening gehouden met een verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 14 augustus 2009, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Voorts heeft het hof bij zijn oordeel betrokken dat verdachte als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Al het vorenstaande in aanmerking nemende is het hof, met de rechtbank, van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van tien jaren met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden is.

Beslag

Teruggave

Het hof zal de teruggave aan Politie Flevoland bevelen van het inbeslaggenomen pistool, type Walther P5.

Het hof zal de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer] bevelen van de inbeslaggenomen kleding van [slachtoffer].

Beslissing met betrekking tot de inbeslaggenomen overige voorwerpen

Het hof zal met betrekking tot de overige inbeslaggenomen zaken, waarvan de advocaat-generaal de teruggave aan verdachte heeft gevorderd, geen beslissing nemen, omdat verdachte daarvan ter zitting van het hof van 25 januari 2010 afstand heeft gedaan.

Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken, dat de benadeelde partij zich in het geding in eerste aanleg heeft gevoegd, dat haar vordering in eerste aanleg deels wel en deels niet is toegewezen en dat zij zich binnen de grenzen van haar eerste vordering in het geding in hoger beroep opnieuw heeft gevoegd. Derhalve duurt de voeging ter zake van haar in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in het geding in hoger beroep voort.

De benadeelde partij, de erfgenamen van het slachtoffer [slachtoffer], vertegenwoordigd door [benadeelde], vordert, onder meer, de kosten van diens lijkbezorging. Deze schade is rechtstreeks toegebracht door het bewezenverklaarde feit. De hoogte van deze schade ad € 3.125,15 is deugdelijk gesteld en onderbouwd, c.q. niet wezenlijk weersproken. Het hof stelt de schade derhalve vast op dat bedrag. Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is gebleken dat de benadeelde partij voormelde kosten heeft gedragen, zodat ingevolge artikel 51a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering juncto artikel 108, tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De vordering van de benadeelde partij behoort derhalve te worden toegewezen tot een bedrag als hiervoor vermeld.

Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is, dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Gelet op het bepaalde in artikel 361, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, dient de benadeelde partij in haar vordering in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard, met bepaling, dat de benadeelde partij haar vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Toepassing van wetsartikelen

Het hof heeft gelet op de artikelen 27, 33, 33a, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

De uitspraak

HET HOF,

RECHT DOENDE OP HET HOGER BEROEP:

vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en opnieuw recht doende:

verklaart het verdachte primair ten laste gelegde bewezen en kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart dit feit en verdachte strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte als voormeld primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte [verdachte] tot gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;

beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave aan de nabestaanden van [slachtoffer] van de kleding van [slachtoffer];

gelast de teruggave aan Politie Flevoland van het pistool, Walther P5;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij,[benadeelde] p/a Schoemaker Advocaten t.a.v. mr. E.Tas, gevestigd te Deventer, tot een bedrag van drieduizend honderdvijfentwintig euro en vijftien cent;

legt aan verdachte tevens de verplichting op tot betaling aan de Staat van drieduizend honderdvijfentwintig euro en vijftien cent ten behoeve van [benadeelde], verblijf kiezende te Deventer ten kantore van mr. E. Tas;

beveelt dat vervangende hechtenis voor de duur van eenenveertig dagen zal worden toegepast, indien noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt;

bepaalt dat indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat van bovenvermeld bedrag, de verplichting om te voldoen aan de vordering van de benadeelde partij komt te vervallen, alsmede dat, indien veroordeelde aan de vordering van de benadeelde partij heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

bepaalt dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Dit arrest is aldus gewezen door mr. O. Anjewierden, voorzitter, mr. S. Zwerwer en

mr. W.P.M. ter Berg, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier.