Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL1905

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
03-02-2010
Zaaknummer
21-004443-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van bedrieglijke bankbreuk en onttrekking van zaken aan een gelegd beslag en veroordeeld voor eenvoudige bankbreuk (art. 350 Sr.) en oplichting (art. 326 Sr.),(meermalen gepleegd), tot een gevangenisstraf van acht maanden en twee weken onvoorwaardelijk. en toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. Het hof heeft wegens overschrijding van de redelijke termijn de gevangenisstraf met ongeveer 5% gematigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004443-08

Uitspraak d.d.: 27 januari 2010

TEGENSPRAAK

PROMIS

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] in 1970,

thans uit anderen hoofde verblijvende in [penitentiair inrichting].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 8 juli 2009, 2 december 2009 en 13 januari 2010 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens bedrieglijke bankbreuk (feit 1 primair), oplichting, meermalen gepleegd (feit 2), oplichting (feit 3) en medeplegen van oplichting (feit 4) tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden. Voorts heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1] en [bank 1], met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. S.D. Kurz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

(Zie voor de inhoud van de oorspronkelijke tenlastelegging en de wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg bijlage Ia en Ib en voor de inhoud van de wijzigingen van de tenlastelegging in hoger beroep bijlage Ic en Id)

Aan verdachte is met inachtneming van voormelde wijzigingen zoals deze zijn toegestaan tenlastegelegd, dat:

1.

Primair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2005

tot en met 28 februari 2006, in ieder geval in de periode van 01 december 2005 tot en met 20 februari 2006 te [pleegplaats 1], althans in Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] van 1 februari 2006, in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeiser(s) een of meer van de navolgende goederen, te weten de (gehele dan wel gedeeltelijke) inboedel (waaronder meubels en/of wastafels en/of sierhekken) aan de boedel heeft onttrokken;

Subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2005 tot en met 28 februari 2006, in ieder geval in de periode van 01 december

2005 tot en met 20 februari 2006 te [pleegplaats 1], gemeente [pleegplaats 2], althans in het arrondissement [plaats], opzettelijk de (gehele dan wel gedeeltelijke) inboedel (waaronder meubels en/of wastafels en/of sierhekken), waarop door de Rechtbank [plaats], op grond van artikel 94a Wetboek van Strafvordering, in elk geval krachtens de wet, beslag was gelegd, aan dat beslag heeft onttrokken;

Meer subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2005 tot en met 28 februari 2006, in ieder geval in de periode van 17 augustus 2005 tot en met 20 februari 2006 te [pleegplaats 1], gemeente [pleegplaats 2], althans in

Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] van 1 februari 2006, in staat van faillissement was verklaard,

ter eenvoudige bankbreuk, buitensporige verteringen heeft gepleegd, immers in de hiervoor genoemde periode staan de uitgaven (ongeveer euro 272.296,87) niet in verhouding tot de ontvangsten (ongeveer euro 83.063,84);

Feit 2

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode 01 oktober 2005 tot

en met 31 maart 2006 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of'[pleegplaats 4], althans in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en / of door een(of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel van verdichtsels, een kredietverstrekker ([bank 1]) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 90.000 Euro), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en / of zijn mededader(s) met voren omschreven oogmerk-zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid,

- (als tussenpersoon

tussen [bank 1] en een of meer van de hierna te noemen aangever(s)) een of meer (doorlopende) krediet(en) voor/namens dan wel op naam van de hierna te noemen aangever(s) afgesloten en/of (vervolgens) - (waarbij) een deel van het afgesloten krediet op een rekening van de/ten behoeve van een of meer van de hierna te noemen aangever(s) gestort / doen storten en/of (vervolgens)

- een ander deel van het afgesloten krediet overgemaakt naar

[bankbankrekeningnummer 1](op naam van [echtgenote], zijn, verdachte's echtgenote) en/of [girorekening 1] (op naam van dan wel in gebruik bij verdachte) (terwijl hij, verdachte, met de/een of meer van de hierna te noemen aangever (s) had afgesproken dat een deel van het afgesloten krediet gereserveerd zou blijven bij de kredietverstrekker ten behoeve van de aangever(s) en/ of

- tegen een of meer van de hierna te noemen aangever(s) gezegd dat ze geen rente hoefden te betalen omdat dit een actie dan wel een cadeau was van de bank en/ of

- (zonder toestemming/ medeweten van een of meer van de hierna te noemen aangever(s) voor/ namens de een of meer van de hierna te noemen aangever(s)

* een of meer contract(en) voor (een) (doorlopend(e)) krediet(en) dan wel

* een of meer kredietaanvra(a) g(en) dan wel

* een kredietsom (van dergelijke hoogte) en/ of

* een of meer betalingsopdracht(en) en/ of

* een of meer tijdelijke geldlenings-overeenkomst (en)

ondertekend dan wel van een handtekening voorzien welke moest doorgaan voor de

handtekening van een of meer van de hierna te noemen aangever(s) en/of opzettelijk (ter ondersteuning van een kredietaanvraag) gebruikt, als ware het/ zij echt en onvervalst, welk(e) voormeld(e) geschrift(en) door verdachte en/of een van zijn mededader(s) was/ waren vervalst,

te weten:

1. [aangever 1] en/ of [aangever 2];

* een kredietovereenkomst nummer: ………4, d.d. 08-11-2005, limiet euro 35.000,- en/ of

* een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer …….4, om euro 20.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en/ of

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 20.000,- zouden hebben geleend van [echtgenote] en/ of

2. [aangever 3] en/ of [aangever 4]:

*een kredietovereenkomst nummer: .......6 d.d. 17-10-2005, limiet euro 30.000,

* een doorlopend krediet nummer; .......7 d.d. 11-01-2006, limiet euro 50.000,- en/ of

* een betalingsopdracht [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......6 , om euro 20.000,- over te boeken naar [girorekening 1] (ten name van [verdachte]) en/ of

* een betalingsopdracht [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......7, om euro 10.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en/ of

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 20.000 zouden hebben geleend van [verdachte]en/ of

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 10.000 zouden hebben geleend van [echtgenote] en / of

3. [aangever 5] en/ of [aangever 6]:

* een kredietovereenkomst nummer: …….4 d.d. 30-11-2005, limiet euro 30.000,- en/ of

* een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer ……..4, om euro 15.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en/ of

4. [aangever 7] en/ of [aangever 8]:

* een kredietovereenkomst nummer: ……..3 d.d. 06-12-2005, limiet euro

40.000,- en/ of

* een betalingsopdracht aan [bank 1] aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer …….3, om euro 30.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]),

waardoor genoemde kredietverstrekker ([bank 1]) werd bewogen tot

bovenomschreven afgifte;

Feit 3

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 1 december 2005 te [pleegplaats 3], althans in het arrondissement [plaats], telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en / of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangever 9] en/of [aangever 10] en/of een kredietverstrekker ([kredietverstrekker 1]) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer euro 15.000,-), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en / of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon bemiddeld bij de totstandkoming van een

kredietovereenkomst tussen [kredietverstrekker 1] en de aangevers [aangever 9] en/of [aangever 10] en/of (daarbij)

- tegen de aangevers gezegd dat hij, verdachte hun doorlopend krediet (bij [bank 1] van euro 12.600,-) goedkoper kon overzetten op een andere bank (waardoor zij geen/mindermaandlasten zouden hebben) en/of (vervolgens)

- zonder toestemming/medeweten van de aangevers voor/namens de aangevers een krediet afgesloten (bij [kredietverstrekker 1]) van euro 30.000,- in plaats van de afgesproken euro 12.600,- en/of (vervolgens)

- een deel van het afgesloten krediet (euro 17.400,-) op rekening van aangevers gestort/ (laten) storten en daarbij tegen de aangevers gezegd dat zij zelf euro 2400,- mochten houden (dit zou een cadeau van de bank zijn) en/ of (vervolgens)

- een ander deel van het afgesloten krediet (euro 15.000 ,- ) laten overmaken op [bankbankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote], zijn, verdachte's echtgenote en/ of daarbij tegen aangevers gezegd dat dit bedrag (euro 15.000,-) een bouwdepot was van waaruit hun maandlasten zouden worden betaald en/ of- (zonder toestemming/medeweten van aangevers) voor/ namens de aangevers

* een kredietovereenkomst (plus de voorwaarden) tussen [kredietverstrekker 1] en aangevers nummer: .......9 d.d. 02-12-2005, limiet euro 30.000,- en/ of

* een afrekeningsnota (zonder contractnummer en ongedateerd) betreffende een kredietbedrag van euro 30.000,- gericht aan de kredietnemers (te weten de aangevers) inhoudende:

een storting van euro 2400,- op rekeningnummer van aangevers en/ of een storting (aflossing van het contract bij [bank 1]) van euro 12.600,- op rekeningnummer van [bank 1] en/ of

een storting van euro 15.000 op [bankbankrekeningnummer 1](ten name van

[echtgenote]), ondertekend dan wel van een handtekening voorzien welke moet doorgaan voor de handtekening van de aangevers, en/of opzettelijk (ter ondersteuning van een kredietaanvraag) gebruikt, als ware het/zij echt en onvervalst, welk(e) voormeld(e) geschrift(en) door verdachte en/of een van zijn mededader(s) was/ waren vervalst,

waardoor genoemde kredietverstrekker ([kredietverstrekker 1]) en/of [aangever 9] en/of

[aangever 10] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 4:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 08 maart 2007 tot en met 13 april 2007 te [pleegplaats 2], althans in het arrondissement [plaats],

telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,met het

oogmerk om zich en / of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en / of van een valse hoedanigheid en / of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en / of door een samenweefsel van verdichtsels, [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 317.000,-voor een hypothecaire geldlening), in elk geval van enig goed, hebbende verdachte en / of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon bemiddeld bij de verkrijging van een hypotheek voor [mededader] en/of

- zich heeft voorgedaan als (een) bonafide aanvrager(s) bij de aanvraag voor een hypothecaire geldlening en/of

- bij die hypotheekaanvraag een valse werkgeversverklaring (van het zogenaamde dienstverband van [mededader] bij [werkgever]) en/of een salarisstrook (van [werkgever]) overlegd (teneinde voor [mededader]een hypotheek te verkrijgen), bestaande de valsheid hierin dat

- de aangeleverde salarisstrook niet is opgemaakt door [opmaker] en/of

- het op de werkgeversverklaring vermelde bedrijf [werkgever] in het geheel niet bestaat,

waardoor genoemde [bank 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 primair tenlastegelegde bedrieglijk bankbreuk.

De advocaat-generaal stelt daartoe onder meer dat het aan verdachte door de beslagleggingen op zijn diverse woningen medio 2005, welke beslagen aan verdachte moeten zijn betekend, en zijn uitgavenpatroon in de tweede helft van 2005, dat zijn inkomsten in ruime mate overtrof, duidelijk moet zijn geweest dat er een faillissement dreigde. Door in het zicht van het faillissement zijn inboedel te verkopen, heeft verdachte de inboedel aan het faillissement onttrokken waardoor de rechten van de schuldeisers opzettelijk benadeeld zijn.

Verdachte heeft dit feit ontkend.

De raadsman heeft betoogd dat verdachte de inboedel van de woning/het kantoor aan [straat] in [pleegplaats 1] geruime tijd voor zijn faillissement dat op 1 februari 2006 is uitgesproken, te weten op 16 december 2005, voor € 20.000,- heeft verkocht aan de heer [X]. Nu dit reeds voor de faillissementsverklaring is geschied, was er geen reden om de curator in het faillissement hiervan op de hoogte te stellen. Nu verdachte ook een reëel geldbedrag voor zijn inboedel heeft ontvangen kan volgens de raadsman niet wettig en overtuigend worden bewezen dat door deze transactie de boedel is benadeeld.

Daarnaast stelt verdachte dat enkele goederen buiten zijn medeweten zijn weggehaald, terwijl deze niet verkocht waren. Hij wijst er daarbij op dat enkele andere personen een sleutel van het pand hadden en op de hoogte waren van de alarmcode. Dit kan verklaren dat de woning geen sporen van braakschade vertoonde.

Het oordeel van het hof

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 primair dan wel

1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt hiertoe het navolgende.

Het sierhek en de wastafels dienen door hun nagelvaste verbondenheid met de woning en het erf op grond van artikel 3:4 van Burgerlijk Wetboek aangemerkt te worden als bestanddeel van de onroerende zaak, waardoor zij niet tot het begrip “inboedel” gerekend kunnen worden. Van dit onderdeel van de tenlastelegging onder feit 1 primair en subsidiair dient verdachte reeds hierom vrijgesproken te worden.

Daarnaast acht het hof ten aanzien van feit 1 primair de benadeling van de boedel niet bewezen. Verdachte heeft aangegeven de keuken en een deel van de inboedel van zijn woning aan de [straat] te [pleegplaats 1] in december 2005 voor € 20.000,- te hebben verkocht aan [X] en met deze te hebben afgesproken dat deze begin 2006 de goederen uit de woning zou halen. In het dossier ontbreekt een opgave van de door verdachte verkochte goederen uit de inboedel en de waarde van deze goederen. Bij het ontbreken hiervan moet worden uitgegaan van de niet onaannemelijke stelling van verdachte dat de verkoopprijs van de inboedel overeenkwam met de werkelijke waarde. Daarnaast is het hof onvoldoende duidelijke geworden wat er met de opbrengst van de verkoop is geschied. Het hof zal derhalve verdachte van feit 1 primair vrijspreken.

Dit geldt ook voor feit 1 subsidiair. Hierbij is aan verdachte tenlastegelegd dat hij inboedel aan het door de rechtbank [plaats] op grond van artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering, in elk geval krachtens de wet, gelegde beslag heeft onttrokken. Het is het hof ambtshalve bekend dat door een rechtbank niet zelfstandig beslag wordt gelegd. Maar ook indien het hof de tenlastelegging welwillend zou lezen, staat een beslaglegging met inachtneming van alle wettelijke formaliteiten op basis van de voorhanden hebbende stukken onvoldoende vast. Uit het bij de stukken aanwezige proces-verbaal van de politie [pleegplaats 2] blijkt niet voldoende duidelijk of, en zo ja wanneer en waarop beslag is gelegd. Verdachte wordt daarom ook van feit 1 subsidiair vrijgesproken.

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde wordt weersproken door de volgende bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Het hof acht bewezen dat verdachte feit 1 meer subsidiair heeft begaan. Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.

De rechtbank te [plaats] heeft verdachte, die handelde onder de namen [naam 1] en [naam 2] beide gevestigd te [pleegplaats 1] met als nevenvestiging [straat] te [pleegplaats 1], op 1 februari 2006 in staat van faillissement verklaard.

Verdachte heeft aangegeven dat er op een gegeven moment veel meer geld uitging dan er binnenkwam. Verdachte heeft hierover ook verklaard dat het uiteindelijk zijn fout is geweest dat hij teveel geld heeft uitgegeven. Verdachte heeft in de periode van 17 augustus 2005 tot 1 februari 2006 € 272.296,87 uitgegeven terwijl er volgens verklaring van verdachte ter zitting maar ongeveer € 80.000,- aan inkomsten over die periode tegenover stond. Verdachte was op de hoogte van zijn liquiditeitsproblemen en heeft deze naar eigen zeggen geprobeerd op te lossen door zakelijke relaties te vragen ten behoeve van hem een hogere lening af te sluiten dan zij voor zichzelf nodig hadden. Verdachte heeft ondanks de evidente financiële nood niet de tering naar de nering gezet. Gesteld noch gebleken is dat verdachte heeft geprobeerd zijn uitgavenpatroon aan te passen aan zijn gedaalde inkomsten. Zo heeft hij zijn huurhuis in Spanje met een huurprijs van € 3.500,- tot € 4.000 per maand en zijn twee dure leaseauto's, waarvan in ieder geval de leaseprijs van de Porsche ongeveer € 4.000,- per maand bedroeg, aangehouden en bleven zijn kinderen onderwijs volgen op een internationale school .

Verdachte heeft nog aangevoerd dat zijn hoge uitgaven goeddeels werden veroorzaakt door de hoge vaste lasten verbonden aan de hypotheken van onroerende goederen. Het hof is echter niet gebleken dat verdachte, ter vermindering van deze lasten heeft getracht een of meer van zijn panden te verkopen. De stelling van verdachte dat zijn vrouw nogal veeleisend is op financieel gebied en dat hij daaraan heeft toegegeven, is anders dan verdachte meent, eerder een onderbouwing van dan een excuus voor zijn bewuste dure uitgavenpatroon.

Gelet op het bovenstaande is het hof van oordeel dat verdacht door zijn buitensporige verteringen onverantwoorde niet-zakelijke uitgaven heeft gepleegd, die gegeven de voor verdachte bekende financiële situatie door het hof worden geduid als eenvoudige bankbreuk

Met betrekking tot het onder 2 en 3 tenlastegelegde

De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [bank 1]. Verdachte heeft kredieten aangevraagd met schriftelijke bescheiden waarvan de aangevers verklaren dat zij de op die bescheiden voorkomende handtekeningen niet zelf hebben gezet. Het rapport van het NFI ondersteunt hun verklaringen. Niet duidelijk is wie de handtekeningen wel heeft gezet, maar nu verdachte degene is geweest die de bescheiden heeft ingediend bij [bank 1] kan het niet anders zijn dan dat deze handtekeningen door of namens verdachte zijn vervalst.

Verdachte ontkent dit feit en stelt daartoe -kort weergegeven- dat de aangevers uit vrije wil hebben meegewerkt om hem te helpen met zijn financiële problemen. Zij hebben de aanvraag voor het krediet, de contracten en de overboekingsformulieren zelf ondertekend en voorts recente financiële informatie aan hem aangeleverd.

De extra kredietsom die aangevers ontvingen werd op rekening van of verdachte of diens echtgenote gestort. Als tegenprestatie vergoedde verdachte de door aangevers te betalen rente, ook voor zover het de eigen lening betrof. De aangevers zijn hiermee akkoord gegaan en eerst nadat verdachte failliet is gegaan, hebben zij, vermoedelijk op advies van [bank 1], aangifte gedaan.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde onder feit 2 en 3 wordt weersproken door de volgende bewijsmiddelen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Uit die bewijsmiddelen blijkt het volgende.

Ten aanzien van feit 2.

[Aangever 1], wonende te [pleegplaats 4], heeft verklaard dat verdachte in het verleden tussenpersoon is geweest van hem en zijn vrouw [aangever 2] bij het kopen van hun huis. [Aangever 1] wilde in oktober 2005 zijn huis verbouwen en vroeg verdachte naar de financiële mogelijkheden om €10.000,- te lenen. Op 14 november 2005 kwam verdachte bij [aangever 1] langs en zei dat er €10.000,- op zijn rekening was bijgeschreven. Verdachte had een doorlopend krediet van €35.000,- voor [aangever 1] geregeld waarvan

€ 10.000,- op hun rekening was gestort. Ze konden hiervan ook nog € 5.000,- per direct opnemen. De overige € 20.000,-zou voor hen gereserveerd zijn bij de bank. Verdachte kwam eigener beweging met het bedrag van € 35.000,-. [Aangever 1] en zijn vrouw hadden niets ondertekend. In januari 2006 kreeg [aangever 1] een bankafschrift. De kredietlimiet betrof €35.000,-. Hiervan was € 10.000,- naar het rekeningnummer van [aangever 1] overgemaakt. Tevens was € 20.000,- naar [bankbankrekeningnummer 1] overgemaakt. [Aangever 1] kende dit rekeningnummer niet. Bij navraag bleek dit rekeningnummer van ene "xxxx" (het hof begrijpt: [echtgenote]) te zijn. [Aangever 1] heeft geen enkel contract ondertekend voor een doorlopend krediet van €35.000,-.

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een kredietovereenkomst met nummer …….4 ten name van [aangever 1] en [aangever 2], d.d. 08-11-2005, limiet € 35.000,-;

- een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst met nummer

……..4 om € 20.000,- over te maken op [bankbankrekeningnummer 1]ten name van [echtgenote];

- een overeenkomst tijdelijke lening inhoudende dat [aangever 1] en [aangever 2]

€20.000,- van [echtenote] hebben geleend.

[Aangever 1]en [aangever 2]hebben beiden verklaard dat zij deze stukken niet hebben getekend, hoewel deze documenten voorzien zijn van handtekeningen die voor die van hen zouden moeten doorgaan.

[Aangever 3], wonende te [pleegplaats 2], heeft als volgt verklaard. Zij heeft op 7 oktober 2005 een contract getekend van [bank 1]. Het betrof een doorlopend krediet van € 10.000,- onder overeenkomstnummer .......6.

Verdachte had verteld dat [bank 1] een hogere limiet kon geven. [Aangever 3] zei tegen verdachte dat zij hierover wilde nadenken. Rond 18 december 2005 zag [aangever 3] dat hun limiet € 30.000,- betrof. [Aangever 3] had hierover nog geen beslissing genomen noch contact gehad met [bank 1] of verdachte. Verdachte zei dat hij de maandelijkse rente van het doorlopende krediet zou betalen als vergoeding voor de hogere maandlasten. [Aangever 3] zag op een bankafschrift dat €20.000,- was overgeboekt naar rekeningnummer [girorekening 1]. Deze rekening bleek op naam van verdachte te staan. Op 10 januari 2006 is door [bank 1] een afschrift van doorlopend krediet onder contractnummer .......6 opgemaakt die [aangever 3] ongeveer een week later ontving. [Aangever 3] zag dat op 12 februari 2006 door [bank 1] een afschrift van een nieuw doorlopend krediet was opgemaakt onder contractnummer .......7. Op deze rekening van het doorlopend krediet kon maximaal €50.000,- worden opgenomen. [Aangever 3] heeft hiervoor geen toestemming gegeven. [Aangever 3] zag op 22 februari 2006 dat € 10.000,- was overgeboekt naar [bankbankrekeningnummer 1]. Dit is gebeurd zonder toestemming van [aangever 3].

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een kredietovereenkomst nummer .......6 d.d. 17-10-2005, limiet

€ 30.000,-;

- een doorlopend krediet nummer .......7 d.d. 11-01-2006, limiet € 50.000,-;

- een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......6, om € 20.000,- over te maken op rekeningnummer [girorekening 1] ten name van [verdachte];

- een overzicht van overboeking [bank 1] naar [girorekening 1] van € 20.000,-;

- een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......7 om € 10.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1];

- een overzicht van overboeking [bank 1] naar [bankrekeningnummer 1] van €10.000,-;

- een overeenkomst tijdelijke lening inhoudende dat aangevers € 20.000,- hebben geleend van verdachte;

- een overeenkomst tijdelijke lening inhoudende dat aangevers € 10.000,- zouden hebben geleend van [echtenote].

[Aangever 3] en [aangever 4] hebben beiden verklaard dat zij deze stukken niet hebben getekend, voorzover deze documenten voorzien zijn van handtekeningen die voor die van hen zouden moeten doorgaan.

Verdachte heeft verklaard dat de overeenkomst van de tijdelijke geldlening van

€ 10.000,- door hem valselijk is opgemaakt.

[Aangever 5], wonende te [pleegplaats 2], zag rond 12 december 2005 op een rekeningafschrift dat € 15.000,- op zijn rekeningnummer ……..4 was gestort. [Aangever 5] ontving rond 10 januari 2006 een afschrift van [bank 1] waarop stond dat er een lening was aangegaan (doorlopend krediet) voor € 30.000,-. Hij zag dat er op 7 december 2005 onder meer een bedrag van € 15.000,- op [bankbankrekeningnummer 1] ten name van [echtenote] was gestort. [Aangever 5] heeft nooit een kredietaanvraag van € 15.000,- ondertekend.

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een kredietovereenkomst nummer …….4 d.d. 30-11-2005 limiet € 30.000,-;

- een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer …….4 om € 15.000,- over te boeken naar [bankbankrekeningnummer 1]van [echtenote].

[Aangever 5] en [aangever 6] hebben beiden verklaard dat zij deze stukken niet hebben getekend, hoewel deze documenten voorzien zijn van handtekeningen die voor die van hen zouden moeten doorgaan. .

[Aangever 8], wonende te [pleegplaats 4], kreeg op 18 november 2005 een e-mailbericht van verdachte waarin haar een lening van € 10.000,- van [bank 1] werd aangeboden met 0% rente. [Aangever 8] wilde deze lening niet en heeft hier niet op gereageerd. Op 13 december 2005 zag [aangever 8] dat er € 10.000,- op haar rekening was bijgeschreven door [bank 1]. Op een afschrift van [bank 1] van 10 januari 2006 stond een bedrag vermeld van € 10.000,- dat naar de rekening van [aangever 8] en een bedrag van € 30.000,- dat naar [bankbankrekeningnummer 1] was overgemaakt. Op het contract dat in het bezit was van [bank 1] zag zij dat de handtekeningen van [aangever 8] en haar partner [aangever 9] vervalst stonden. [Aangever 8] en [aangever 9] hebben dit contract nooit ondertekend, ook geen ander contract. Iemand heeft de handtekeningen vervalst. Ook hebben zij niemand toestemming gegeven om geld van hun rekening af te halen dan wel af of bij te boeken.

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een kredietovereenkomst nummer ………3 d.d. 06-12-2005, limiet € 40.000,-;

- een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer ………3 om € 30.000,- over te boeken naar rekeningnummer [bankrekeningnummer 1] ten name van [echtenote].

[Aangever 8] en [aangever 9] hebben beiden verklaard dat zij deze stukken niet hebben getekend, hoewel deze documenten voorzien zijn van handtekeningen die voor die van hen zouden moeten doorgaan.

Volgens [werknemer], werkzaam bij [bank 1], heeft verdachte zich bij de kredietaanvragen van [aangever 1], [aangever 5], [aangever 8] en [aangever 4] niet gehouden aan de correcte aanvraagprocedure.

Door het overleggen van valse/vervalste bescheiden en gebruik makend van listige kunstgrepen heeft verdachte het personeel van de bank bewogen tot afgifte van kredietgelden met het oogmerk zichzelf dan wel [echtgenote] wederrechtelijk te bevoordelen. De bank heeft op basis van de aanvragen een bedrag van ongeveer € 90.000 uitbetaald.

Ten aanzien van feit 3.

[Aangever 10] en haar echtgenoot [aangever 11], wonende te [pleegplaats 3], hadden bij [bank 1] een doorlopend krediet van € 12.600,-. Verdachte zei dat hij dat goedkoper kon overzetten op een andere bank. Hierdoor zouden zij geen of minder maandlasten hebben. [Aangever 10] ging hiermee akkoord. Het contact was slechts telefonisch. [Aangever 10] kreeg binnen een paar dagen een brief dat hun lening van € 12.600,- werd afgelost en vervolgens werd er € 17.400,- op hun rekening gestort. Zij mochten zelf

€ 2.400,- houden en moesten € 15.000,- overmaken op [bankbankrekeningnummer 1] ten name van [echtgenote] te [pleegplaats 1]. Verdachte vertelde dat dit bedrag een bouwdepot was van waaruit hun maandlasten werden betaald. [Aangever 10] maakte telefonisch € 15.000,- over naar de rekening van [echtgenote]. [Aangever 10] ontving in januari 2006 het originele contract van de nieuwe lening, deze bleek bij [kredietverstrekker 1] te zijn afgesloten, overeenkomst nummer .......9 d.d. 02 december 2005. Hieruit bleek dat zij een schuld hadden van € 30.000,- terwijl [aangever 10] dacht dat zij een lening van € 12.600,- hadden die was overgenomen door [bank 1]. Tevens zag [aangever 10] dat hun handtekeningen op het contract valselijk stonden vermeld. [Aangever 10] heeft nooit iets ondertekend, alle contacten over deze lening zijn telefonisch geweest. [Aangever 10] is opgelicht voor een bedrag van €15.000,-.

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een kredietovereenkomst plus voorwaarden tussen [kredietverstrekker 1] en aangeefster nummer .......9 d.d. 02-12-2005, limiet € 30.000,-

- een afrekeningsnota (d.d. 6 december 2005) betreffende een kredietbedrag van € 30.000,- gericht aan de kredietnemers (aangever), inhoudende: een storting van € 2.400,- op de rekening van aangevers, een storting van €12.600 op het rekeningnummer van [bank 1] en een storting van € 15.000,- op het[bankbankrekeningnummer 1] ten name van [echtenote].

Ten aanzien van feit 2 en 3

De conclusie van een vergelijkend handschriftonderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut luidt dat de resultaten van het onderzoek geen steun geven aan de stelling dat de betwiste handtekeningen door hierna te noemen benadeelden op de hierna te benoemen documenten zelf zijn geplaatst, te weten:

voor de aangevers [aangever 1]en [aangever 2]:

- de kredietovereenkomst nummer ……….4 d.d. 08-11-2005, € 35.000,-;

- de betalingsopdracht,- naar de rekening van [echtgenote], behorend bij contractnummer ……….4;

voor de aangevers [aangever 3] en [aangever 4]:

- een kredietovereenkomst nummer .......6 d.d. 17-10-2005, €30.000,-;

- een kopie doorlopend krediet nummer .......7 d.d. 11-01-2006, € 50.000,-;

- een kopie betalingsopdracht behorend bij overeenkomstnummer .......6, € 20.000,-naar rekening van [verdachte];

- een betalingsopdracht behorend bij overeenkomst nummer .......7, €10.000,-naar rekening van [echtgenote];

- een kopie overeenkomst tijdelijke geldlening tussen aangevers en [verdachte] voor €20.000,-;

- een kopie tijdelijke geldlening tussen aangevers en [echtenote] voor € 10.000,-.

voor de aangevers [aangever 5] en [aangever 6]:

- een kredietovereenkomst nummer 714356654 d.d. 30-11-2005, €30.000,-;

- een kopie betalingsopdracht €15.000,- naar rekening van [echtgenote], behorend bij overeenkomst nummer ………4.

voor de aangevers [aangever 9 ] en [aangever 10]:

? een kopie van een kredietovereenkomst nummer .......9 d.d. 2 december 2005

? een kopie van een bijbehorende bladzijde met “Voorwaarden doorlopend krediet [kredietverstrekker 1];

? een kopie van een brief van [aangever 9] en [aangever 10] d.d. 6 december 2005;

? een kredietovereenkomst nummer ………9 d.d. 2 december 2005 (ander exemplaar als hiervoor beschreven);

? een kopie afrekeningsnota.

Ten aanzien van de enkele stukken betreffende [aangever 1] en [aangever 2]h

en aangevers [aangever 7] en [aangever 8] kon de deskundige geen duidelijker oordeel geven wegens technische oorzaken.

Gegeven de resultaten van het NFI-onderzoek is er geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangevers dat zij de door hen betwiste handtekeningen niet hebben geplaatst. Gezien de overeenkomsten in de onderscheiden aangiftes geldt dit ook voor de door [aangever 8] en [aangever 9] betwiste stukken.

Verdachte heeft niet ontkend dat hij in de tenlastegelegde periode kredieten bij [bank 1] ten behoeve van [aangever 1]en [aangever 2]h, [aangever 4] en [aangever 2]-,[aangever 5] en [aangever 6], [aangever 7] en of [aangever 8] (feit 2) en een krediet bij [kredietverstrekker 1] ten behoeve van [aangever 9] en [aangever 10[ ( feit 3) heeft aangevraagd en vervolgens afgesloten. Verdachte heeft voorts verklaard dat aldus geleend geld ten dele op een [bankrekening nummer 1] die op naam van zijn vrouw [echtgenote] staat, is gestort. Verdachte heeft een pasje van die bankrekening. Verdachte heeft ook erkend dat een deel is gestort op een eigen rekening.

De aangevers hebben allen verklaard (zoals hiervoor weergegeven) dat de handtekeningen onder de kredietovereenkomsten zelf of de kredietovereenkomst met een hoger bedrag dan door hen aangevraagd alsmede de overige aan hen getoonde bescheiden niet door hen zijn geplaatst. Geen van de aangevers verklaart wetenschap te hebben van de door verdachte gestelde bereidheid van hen om hem, verdachte te helpen zijn financiële problemen te verlichten.

Het hof is na zorgvuldige afweging tot het oordeel gekomen, dat de belastende verklaringen van de aangevers in elk geval in hoofdlijnen betrouwbaar zijn en voor juist moeten worden gehouden. Het is verder goed denkbaar, dat aangevers, toen ze zich ervan bewust waren geworden, dat er een frauduleus spel gespeeld was dat ook resulteerde in uitbetaling van gelden aan hen, verklaringen hebben afgelegd waarin onderdelen die mogelijk voor hen zelf belastend zouden kunnen zijn, werden weggemoffeld, of werden bijgekleurd. Dit doet echter niet af aan de overeenkomsten tussen de verklaringen op wezenlijke onderdelen, bij voorbeeld waar de aangevers allen zeggen, dat de geplaatste handtekeningen niet door hen zijn gezet. Deze beweringen vinden in hoge mate steun in de bevindingen van de schriftdeskundige van het NFI. Bijzondere betekenis kent het hof toe aan de resultaten van het onderzoek naar de handtekening van mevrouw [aangever 6]. Het hof heeft geconstateerd, dat de letters in de betwiste handtekening, in het bijzonder in de naam [aangever 8] in het Griekse alfabet slechte nabootsingen zijn van de Griekse letters, hetgeen bij de deskundige de vraag heeft opgeroepen, of degene die die naam trachtte te schrijven wel vertrouwd was met de Griekse letters. Het hof ziet in die kennelijk onbrekende vertrouwdheid met het Griekse alfabet, die ertoe leidde, dat de naam er uitziet als onhandig nagetekend, een sterke aanwijzing, dat de naam niet geschreven is door iemand die dit schrift beheerst. Het hof schenkt mede daarom geloof aan de verklaring van deze aangeefster. Op grond van dit alles oordeelt het hof, dat al de relevante documenten zijn voorzien van valse handtekeningen, zoals de aangevers hebben verklaard.

Het hof acht, gelet op het bovenstaande bewezen dat verdachte door noodzakelijke bescheiden ten behoeve van een kredietaanvraag van een handtekening te voorzien die moest doorgaan voor die van de aangevers, [bank 1] en [aangever 9] en [aangever 10]heeft opgelicht.

Het hof leest daarbij de term 'van een handtekening voorzien' telkens in die zin dat verdachte er zorg voor heeft gedragen dat de in de tenlastelegging genoemde en bewezen verklaarde bescheiden werden voorzien van een handtekening.

Ten aanzien van feit 4.

Verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 8 maart 2007 tot en met 13 april 2007 te [pleegplaats 2] heeft getracht de [bank 2] op te lichten voor een bedrag van

€ 317.000,-. Verdachtes mededader heeft zich voorgedaan als bonafide aanvrager bij een aanvraag van een hypotheek. Teneinde die hypotheek te verkrijgen heeft verdachte een valse werkgeversverklaring en een valse salarisstrook aan de [bank 2] overgelegd.

[Mededader] heeft op 8 maart 2007 bij de [bank 2] een hypotheek van € 317.000,- aangevraagd. Ten behoeve van de hypotheekaanvraag is door [de mededader] een werkgeversverklaring en een loonstrook, afgegeven door haar [werkgever], verstrekt. De hypotheek is door de [bank 2] op 9 maart 2007 verstrekt. Verdachte was bij de totstandkoming van deze hypotheek de tussenpersoon. Op 21 maart 2007 komt op de fraudeafdeling van de bank een fraudemelding binnen op naam van [mededader] Uit onderzoek van de [bank 2] bleek dat [mededader] werkzaam was voor [ een kappersbedrijf ]. Uit dit onderzoek bleek niet dat zij salarisbetalingen ontving van [de werkgever].

[Mededader] wist dat er bij de [bank 2] een valse werkgeversverklaring lag. Voorst verklaart zij nooit gewerkt te hebben bij [de werkgever].

In het dossier bevinden zich kopieën van de volgende documenten:

- een valse werkgeversverklaring van een dienstverband van [mededader] bij [werkgever];

- een valse salarisstrook.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 meer subsidiair,

2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 meer subsidiair:¬¬

hij in de periode van 01 juli 2005 tot en met 28 februari 2006, te [pleegplaats 1], gemeente [pleegplaats 2], althans in Nederland, terwijl verdachte bij vonnis van de Arrondissementsrechtbank te [plaats] van 1 februari 2006, in staat van faillissement was verklaard, ter eenvoudige bankbreuk, buitensporige verteringen heeft gepleegd, immers in de hiervoor genoemde periode staan de uitgaven (ongeveer euro 272.296,87) niet in verhouding tot de ontvangsten (ongeveer euro 83.063,84);

Feit 2

hij in de periode 01 oktober 2005 tot en met 31 maart 2006 te [pleegplaats 1] en/of [pleegplaats 2] en/of [pleegplaats 3] en/of'[pleegplaats 4], telkens met het oogmerk om zich en / of ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen een kredietverstrekker ([bank 1]) heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (in totaal ongeveer 90.000 Euro), hebbende verdachte met voren omschreven oogmerk -zakelijk weergegeven- opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid,

- (als tussenpersoon [tussen [bank 1] en de hierna te noemen aangevers] (doorlopende) kredieten op naam van de hierna te noemen aangevers afgesloten en vervolgens

- een deel van het afgesloten krediet op een rekening van de hierna te noemen aangevers gestort / doen storten en vervolgens

- een ander deel van het afgesloten krediet overgemaakt naar

[bankrekeningnummer 1](op naam van [echtgenote], zijn, verdachte's echtgenote) en/of [girorekening 1]](op naam van dan wel in gebruik bij verdachte) terwijl hij, verdachte

zonder toestemming/ medeweten van de hierna te noemen aangevers voor/ namens de hierna te noemen aangevers

* contracten voor een (doorlopend) krediet dan wel

* kredietaanvragen dan wel

* betalingsopdrachten en

* tijdelijke geldlenings-overeenkomsten

van een handtekening heeft voorzien welke moest doorgaan voor de handtekening van een of meer van de hierna te noemen aangevers te weten:

1. [aangever 1]en [aangever 2];

* een kredietovereenkomst nummer: ……..4, d.d. 08-11-2005, limiet euro 35.000,- en

* een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer …….4, om euro 20.000,- over te boeken naar [bankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 20.000,- zouden hebben geleend van [echtgenote] en

2. [aangever 3]en [aangever 4]:

*een kredietovereenkomst nummer: .......6 d.d. 17-10-2005, limiet euro 30.000,

* een doorlopend krediet nummer; .......7 d.d. 11-01-2006, limiet euro 50.000,- en

* een betalingsopdracht [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......6 , om euro 20.000,- over te boeken naar rekeningnummer [girorekening 1] (ten name van [verdachte]) en

* een betalingsopdracht [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer .......7, om euro 10.000,- over te boeken naar [bankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 20.000 zouden hebben geleend van [verdachte] en

* een overeenkomst tijdelijke geldlening inhoudende dat aangevers euro 10.000 zouden hebben geleend van [echtgenote] en

3. [aangever 5] en [aangever 6]:

* een kredietovereenkomst nummer: ……..4 d.d. 30-11-2005, limiet euro 30.000,- en

* een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer ……..4, om euro 15.000,- over te boeken naar [bankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]) en

4. [aangever 7]en [aangever 8]:

* een kredietovereenkomst nummer: ……..3 d.d. 06-12-2005, limiet euro

40.000,- en

* een betalingsopdracht aan [bank 1] behorende bij kredietovereenkomst nummer …….3, om euro 30.000,- over te boeken naar [bankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote]),

waardoor genoemde kredietverstrekker ([bank 1]) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 3

hij in de periode van 01 november 2005 tot en met 1 december 2005 te [pleegplaats 3], althans in het arrondissement [plaats] met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen listige kunstgrepen [aangever 9]en [aangever 10] en een kredietverstrekker ([kredietverstrekker 1]) heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag,

hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon bemiddeld bij de totstandkoming van een

kredietovereenkomst tussen [kredietverstrekker 1] en de aangevers [aangever 9]en/of [aangever 10] en daarbij

- tegen de aangevers gezegd dat hij, verdachte hun doorlopend krediet (bij [bank 1] van euro 12.600,-) goedkoper kon overzetten op een andere bank (waardoor zij geen/minder maandlasten zouden hebben) en vervolgens

- zonder toestemming/medeweten van de aangevers namens de aangevers een krediet afgesloten (bij [kredietverstrekker 1]) van euro 30.000,- in plaats van de afgesproken euro 12.600,- en vvervolgens)

- een deel van het afgesloten krediet (euro 17.400,-) op rekening van aangevers gestort/ (laten) storten en daarbij tegen de aangevers gezegd dat zij zelf euro 2.400,- mochten houden (dit zou een cadeau van de bank zijn) en vervolgens

- een ander deel van het afgesloten krediet (euro 15.000 ,- ) laten overmaken op [bankrekeningnummer 1](ten name van [echtgenote], zijn, verdachte's echtgenote en/ of daarbij tegen aangevers gezegd dat dit bedrag (euro 15.000,-) een bouwdepot was van waaruit hun maandlasten zouden worden betaald en

- (zonder toestemming/medeweten van aangevers) voor/ namens de aangevers

* een kredietovereenkomst (plus de voorwaarden) tussen [kredietverstrekker 1] en aangevers, nummer: .......9 d.d. 02-12-2005, limiet euro 30.000,- en

* een afrekeningsnota (zonder contractnummer en ongedateerd) betreffende een kredietbedrag van euro 30.000,- gericht aan de kredietnemers (te weten de aangevers) inhoudende:

een storting van euro 2400,- op rekeningnummer van aangevers en

een storting (aflossing van het contract bij [bank 1]) van euro 12.600,- op rekeningnummer van [bank 1] en

een storting van euro 15.000 op [bankrekeningnummer 1] (ten name van

[echtgenote]),

van een handtekening voorzien welke moet doorgaan voor de handtekening van de aangevers, waardoor genoemde kredietverstrekker [kredietverstrekker 1] en [aangever 9]en [aangever 10] werden bewogen tot bovenomschreven afgifte;

Feit 4:

hij in de periode van 08 maart 2007 tot en met 13 april 2007 te [pleegplaats 2], althans in het arrondissement [plaats ], tezamen en in vereniging met een ander ,met het

oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen de [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 317.000,- euro voor een hypothecaire geldlening), hebbende verdachte en / of zijn mededader met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en / of listiglijk en / of bedrieglijk en / of in strijd met de waarheid

- als tussenpersoon bemiddeld bij de verkrijging van een hypotheek voor [mededader]en/of

- zich voorgedaan als een bonafide aanvrager bij de aanvraag voor een hypothecaire geldlening en

- bij die hypotheekaanvraag een valse werkgeversverklaring (van het zogenaamde dienstverband van [mededader]bij [werkgever]) en een salarisstrook (van [werkgever]) overlegd (teneinde voor [mededader]een hypotheek te verkrijgen), bestaande de listigheid hierin dat

- de aangeleverde salarisstrook niet is opgemaakt door [opmaker] en

- het op de werkgeversverklaring vermelde bedrijf [werkgever] in het geheel niet bestaat,

waardoor genoemde [bank 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair bewezenverklaarde:

Eenvoudige bankbreuk.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Oplichting, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Oplichting.

ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Medeplegen van oplichting.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Redelijke termijn

Door de raadsman is aangegeven dat door de rechtbank in haar vonnis geen rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg als genoemd in artikel 6 EVRM.

Als uitgangspunt bij de redelijke termijn in een strafzaak, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, geldt dat het geding in eerste aanleg in beginsel behoort te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren vanaf het moment waarop sprake is van een ‘criminal charge’, tenzij er sprake is van bijzondere omstandigheden.

De tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 strekken zich uit over de periode 1 juli 2005 tot en met 20 februari 2006. Verdachte is op verdenking van de onderhavige feiten op 14 juli 2006 in verzekering gesteld. Het hof ziet dit moment als de aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn. De voorlopige hechtenis van verdachte is geschorst met ingang van 19 september 2006.

Op verzoek van de raadsman heeft de rechter-commissaris besloten tot een mini-instructie welk onderzoek op 18 december 2006 is beëindigd. De eerste behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2008, waarbij de zaak werd aangehouden omdat de rechtbank niet over het volledige dossier beschikte. Op 16 oktober 2008 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het vonnis van de rechtbank werd gewezen op 30 oktober 2008.

De redelijke termijn bij de behandeling in eerste aanleg is overschreden met bijna vier maanden. Van bijzondere omstandigheden die de overschrijding rechtvaardigen is het hof niet gebleken. Het hof zal ter verdiscontering van deze overschrijding de op te leggen straf in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad met ongeveer 5% matigen.

Oplegging van straf en/of maatregel

De officier van justitie heeft in eerste aanleg geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens bedrieglijke bankbreuk (feit 1 primair), oplichting meermalen gepleegd (feit 2), oplichting (feit 3) en medeplegen van oplichting (feit 4) tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden waarvan 3 (drie) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren met aftrek van de tijd in verzekeringstelling en voorlopige hechtenis doorgebracht. Voorts toewijzing van de vordering benadeelde partij [aangever 1]tot een bedrag van € 528,40 alsmede de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel tot dit bedrag en een niet-ontvankelijk verklaring van de vordering van [bank 1].

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte overeenkomstig de vordering van de officier van justitie veroordeeld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld wegens bedrieglijke bankbreuk (feit 1 primair), oplichting meermalen gepleegd (feit 2), oplichting (feit 3) en medeplegen van oplichting (feit 4) tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden met aftrek. Voorts toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 1]en [bank 1], alsmede de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor de toe te wijzen bedragen.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Bij de strafoplegging is in aanmerking genomen de ter kennisneming gevoegde zaak, vermeld op de dagvaarding in eerste aanleg met parketnummer 500223-06, te weten poging tot oplichting op 12 september 2007 te [pleegplaats 1], gemeente [pleegplaats 2]. Verdachte heeft bekend dat feit te hebben begaan.

Verdachte heeft zich meerdere malen schuldig gemaakt aan oplichting door gebruik te maken van bescheiden waarop handtekeningen waren aangebracht die moesten doorgaan voor de aanvragers van kredieten, door het valselijk opmaken van overeenkomsten van geldleningen, een werkgeversverklaring en een loonstrook. Ook heeft hij zijn schuldeisers in diens faillissement benadeeld door zijn buitensporige uitgaven kort voor het faillissement.

Verdachte heeft op geraffineerde wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat hij genoot als tussenpersoon om zijn luxueuze levensstijl te kunnen blijven financieren. Hij heeft zich aldus ten koste van derden bevoordeeld. Het hof rekent het verdachte aan dat hij daarmee ook het vertrouwen heeft beschaamd dat particulieren in het algemeen behoren te kunnen hebben in verzekeringstussenpersonen en dat hij daarnaast door zijn handelen schade heeft toegebracht aan de goede naam van zijn beroepsgroep.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan eenvoudig bankbreuk waardoor hij de verhaalsmogelijkheden van zijn schuldeisers heeft benadeeld. Het hof merkt hierbij op dat de vrijspraak van bedrieglijk bankbreuk en de onttrekking van goederen aan een beslag niet een omstandigheid is die tot strafverlaging dient te leiden aangezien het hof de eenvoudige bankbreuk wat betreft de benadeling van de schuldeisers in het faillissement minst genomen van gelijke ernst acht.

Verdachte heeft ter zitting niet de indruk gewekt de ernst van zijn handelen in te zien, mede gelet op het feit dat hij het valselijk opmaken van overeenkomsten van geldlening schaart onder de noemer van ` het niet verdienen van de schoonheidsprijs '.

Gezien het bovenstaande acht het hof geen andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden. Het hof hanteert als oriëntatiepunt bij de straftoemeting in soortgelijke zaken dat bij een financieel nadeel van rond de € 100.000,- een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van 6 maanden is geboden. Alleen feit 2 heeft al tot een nadeel van deze omvang geleid.

Het hof rekent het verdachte verder zwaar aan dat hij na de schorsing uit de voorlopige hechtenis zich wederom twee maal (feit 4 en het ad informandum vermelde feit) schuldig heeft gemaakt aan oplichtingshandelingen. Bij het ad info-feit gaat het om een niet gerealiseerd nadeel voor de [bank 3] van € 317.000,-.

Gelet hierop is het hof van oordeel dat het vonnis van de rechtbank geen recht doet aan de ernst van de feiten. Het hof acht daarom een gevangenisstraf als door de advocaat-generaal is gevorderd op zijn plaats, zij het dat daarop in verband met de overschrijding van de redelijke termijn ruim twee weken in mindering zal worden gebracht.

Gevangenneming.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof gebleken dat verdachte ook na de schorsing van de voorlopige hechtenis op 19 september 2006 tot aan zijn huidige detentie in verband met de verdenking van soortgelijke strafbare feiten als waarvoor hij thans terecht staat in hoger beroep in dezelfde branche werkzaam is geweest als die waarin hij de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft zich na de schorsing van zijn voorlopige hechtenis in ieder geval schuldig gemaakt aan feit 4 en het ad informandum gevoegde feit. Het hof acht het gevaar van herhaling dan ook aanwezig. Het hof vindt hierin de ernstige bezwaren die een gevangenneming van verdachte rechtvaardigen. Dit bevel zal afzonderlijk worden geminuteerd.

Vordering tot schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 528,40. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte heeft de vordering niet inhoudelijk betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Vordering tot schadevergoeding

De vordering van de benadeelde partij [bank 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedroeg € 109.174,12, inclusief rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering, inclusief rente uitkomend op een totaal bedrag van thans € 109.529,--.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Ofschoon de benadeelde partij zich als schuldeiser heeft aangemeld in het faillissement heeft dit niet geleid tot enige uitbetaling aangezien het faillissement bij gebrek aan baten is opgeheven. Verdachte kan daarom tot vergoeding van die schade, welke schade verdachte inhoudelijk niet heeft weersproken, gehouden worden zodat de vordering tot het gevorderde bedrag van € 109.529,-- wordt toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24c, 36f, 47, 57, 326 en 340 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 meer subsidiair, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden en 2 (twee) weken.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

De vordering van de benadeelde partij [aangever 1]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [aangever 1], te betalen een bedrag van

€ 528,40 (vijfhonderdachtentwintig euro en veertig cent).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [aangever 1], een bedrag te betalen van € 528,40 (vijfhonderdachtentwintig euro en veertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

De vordering van de benadeelde partij [bank 1]

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij, [bank 1], te betalen een bedrag van

€ 109.529,00 (honderdnegenduizend vijfhonderdnegenentwintig euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [bank 1], een bedrag te betalen van € 109.529,00 (honderdnegenduizend vijfhonderdnegenentwintig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr J.M.J. Denie en mr A.G. Coumans, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr G.W. Jansink, griffier,

en op 27 januari 2010 ter openbare terechtzitting uitgesproken.