Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL1450

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
01-02-2010
Zaaknummer
AVNR 482-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Inhoudsindicatie

591 Sv

De verzoeker vraagt een vergoeding van de kosten van het opstellen van rapporten door een advocaat-belastingkundige en diens kantoorgenoot, een advocaat-strafrechtspecialist, en de kosten ter zake van het horen van de advocaat-belastingkundige als getuige-deskundige op twee terechtzittingen in hoger beroep.

Het hof is van oordeel dat alleen de werkzaamheden van advocaat-belastingkundige als getuige-deskundige ter terechtzitting zijn aan te merken als werkzaamheden van een deskundige. Voor het overige zijn diens werkzaamheden en die van de advocaat-strafrechtspecialist aan te merken als werkzaamheden als advocaat (beiden met een verschillende specialisatie). De werkzaamheden van een advocaat in een strafzaak vallen buiten het beslissingskader van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering maar in beginsel binnen dat van artikel 591a van dat wetboek. Nu de zaak tegen verzoeker niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel kan echter op grond van laatstgenoemd artikel geen vergoeding worden toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Pkn: 21-006950-04

Avnr: 482-09

Het hof heeft gezien het op 25 mei 2009 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift van:

[naam verzoeker],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in Huis van Bewaring [plaatsnaam],

hierna te noemen verzoeker,

ingediend door [raadsman verzoeker], advocaat te [plaatsnaam], strekkende tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering voor de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten, namelijk de kosten van het opstellen van rapporten door [advocaat-belastingkundige] en de kosten ter zake van het horen van [advocaat-belastingkundige] als getuige-deskundige op twee terechtzittingen in hoger beroep. Het verzoek strekt verder tot toekenning van een vergoeding ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering voor de kosten voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 7 december 2009 de advocaat-generaal en verzoeker. [Raadsman verzoeker] voornoemd is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. [Raadsman verzoeker] heeft per brief van 2 december 2009 aan het hof bericht dat hij verhinderd is te verschijnen in verband met zittingsverplichtingen elders.

Het hof heeft kennis genomen van de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder de conclusie van de advocaat-generaal en de brief van

[raadsman verzoeker] aan het hof van 2 december 2009 met bijlage.

OVERWEGINGEN

1. Bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank te Zwolle van

7 november 2002 is verzoeker veroordeeld wegens - kort gezegd - overtreding van artikel 10a, eerste lid onder 3, van de Opiumwet en poging tot overtreding van artikel 3, vierde lid aanhef en onder a, van de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening.

2. De officier van justitie heeft vervolgens op basis van de rapportage van 14 mei 2003 in het Strafrechtelijk Financieel Onderzoek tegen verzoeker een vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht ingesteld strekkende tot ontneming van het uit voornoemde feiten en soortgelijke feiten verkregen wederrechtelijk voordeel. Op 4 november 2004 heeft het onderzoek ter terechtzitting van de ontnemingsvordering in eerste aanleg plaatsgehad. De rechtbank te Zwolle heeft verzoeker op 18 november 2004 veroordeeld tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.032.640,= ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Verzoeker heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hof heeft het hoger beroep op de terechtzittingen 13 september 2006 en 16 januari 2007 behandeld en bij arrest van 27 februari 2007 verzoeker veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.165.000,= aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het cassatieberoep tegen dit arrest heeft de Hoge Raad op 7 april 2009 verworpen.

3. Het verzoekschrift is tijdig ingediend en is in zoverre ontvankelijk.

4. Het inleidende verzoekschrift stekt tot toekenning van een vergoeding in de door verzoeker ten behoeve van het onderzoek en de behandeling der zaak gemaakte kosten, bestaande in de werkzaamheden van [advocaat-belastingkundige], en [advocaat-strafrechtspecialist], beiden verbonden aan het advocatenkantoor [naam] advocaten-belastingkundigen te Amsterdam. De kosten hebben € 28.519,29 bedragen. Verder strekt het verzoekschrift tot toekenning van de gebruikelijke vergoeding voor het indienen en behandelen van het verzoekschrift.

5. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een vergoeding voor de kosten van de werkzaamheden van [advocaat-belastingkundige] (en [advocaat-strafrechtspecialist]), met dien verstande dat de hoogte van de vergoeding moet worden bepaald met inachtneming van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde.

6. Verzoeker heeft gepersisteerd bij het verzoek.

7. Tijdens de ontnemingprocedure is verzoeker bijgestaan door [raadsman verzoeker] voornoemd. Voorafgaande aan de behandeling van de ontnemingsvordering door de rechtbank heeft in opdracht van verzoeker [advocaat-belastingkundige] in samenwerking met zijn toenmalige kantoorgenote [advocaat-strafrechtspecialist] op 3 november 2004 een rapport uitgebracht onder de titel “Second Opinion”. Voorafgaande aan de behandeling van de vordering in het hoger beroep hebben [advocaat-belastingkundige] en [advocaat-strafrechtspecialist] op 26 juli 2006 een aanvulling op de “Second Opinion” uitgebracht. De verdediging heeft [advocaat-belastingkundige] meegenomen naar de terechtzitting van 13 september 2006 teneinde een toelichting te geven op de “Second Opinion” en de aanvulling daarop. Het hof heeft [advocaat-belastingkundige] als getuige-deskundige beëdigd en hem enkele vragen gesteld. Na beraad heeft het hof besloten het onderzoek te schorsen tot de terechtzitting van 16 januari 2007 teneinde de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid te stellen schriftelijk op elkaars standpunten te reageren. Het hof heeft daarbij [advocaat-belastingkundige] aangezegd op die volgende zitting als getuige-deskundige te verschijnen. Vervolgens heeft [advocaat-belastingkundige] op 25 oktober 2006 een rapport met bijlage aan het hof gezonden. Op de terechtzitting van het hof van 16 januari 2007 is [advocaat-belastingkundige] wederom als getuige-deskundige beëdigd en gehoord.

8. Ingevolge artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen, op een verzoek ingediend binnen drie maanden na beëindiging van de zaak, uit 's Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending dier kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden.

9. Het hof is van oordeel dat alleen de werkzaamheden van [advocaat-belastingkundige] als getuige-deskundige ter terechtzitting zijn aan te merken als werkzaamheden van een deskundige. Voor het overige zijn diens werkzaamheden en die van [advocaat-strafrechtspecialist] aan te merken als werkzaamheden als advocaat (beiden met een verschillende specialisatie). De werkzaamheden van een advocaat in een strafzaak vallen buiten het beslissingskader van artikel 591 van het Wetboek van Strafvordering maar in beginsel binnen dat van artikel 591a van dat wetboek.

Nu de zaak tegen verzoeker niet is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel kan echter op grond van laatstgenoemd artikel geen vergoeding worden toegekend.

10. Het hof is van oordeel dat het horen van [advocaat-belastingkundige] ter terechtzitting van 13 september 2006 en 16 januari 2007 het belang van het onderzoek heeft gediend. De daaraan verbonden kosten zijn ten laste van verzoeker gekomen. Het hof zal aan verzoeker voor deze kosten een vergoeding toekennen op de voet van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken.

11. Het tarief voor het verrichten van werkzaamheden als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a van de Wet tarieven in strafzaken bedraagt ingevolge artikel 8 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 ten hoogste € 81,23 per uur. Op grond van artikel 11, eerste lid van het Besluit komen de gemaakte reiskosten voor vergoeding in aanmerking op basis van € 1,54 per retourkilometer, met dien verstande dat voor de eerste vier retourkilometers geen vergoeding wordt gegeven.

12. Met het horen van [advocaat-belastingkundige] op de terechtzittingen van 13 september 2006 en 16 januari 2007 is blijkens de specificaties van [advocaat-belastingkundige] 1 uur en 25 minuten, respectievelijk 2 uur en 50 minuten gemoeid geweest, met inachtneming van artikel 9 van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 af te ronden op 4 uren en 30 minuten. Voor het bepalen van de vergoeding in de reiskosten van [advocaat-belastingkundige] gaat het hof uit van de reisafstand tussen zijn kantooradres in Amsterdam en Arnhem, zijnde tweemaal 101 retourkilometers.

13. Het hof zal voor de werkzaamheden van [advocaat-belastingkundige] als getuige-deskundige ter terechtzitting een vergoeding toekennen van (4 uren en 30 minuten à € 81,23 per uur) € 365,54 en voor de reiskosten (2x101 km verminderd met 2x4 retourkilometers=) 194 retourkilometers (Amsterdam-Arnhem) à € 1,54, dus € 298,76, in totaal € 664,30.

14. Gelet op de landelijke aanbeveling inzake verzoekschriften schadevergoeding kan in het onderhavige geval als vergoeding voor kosten verbonden aan de indiening en behandeling van dit verzoekschrift worden toegewezen € 275,00 (inclusief BTW).

15. Het hof zal derhalve in totaal aan verzoeker toekennen € 939,30.

BESCHIKKENDE

Het hof:

- kent aan verzoeker toe op gronden als hiervoor omschreven een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 939,30 (zegge: negenhonderdnegenendertig euro dertig eurocent);

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

- beveelt de griffier om bovenstaand bedrag over te maken op girorekeningnummer [nummer] t.n.v. [naam]

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. E.A.K.G. Ruys, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E.B. Rasing, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 18 januari 2009.