Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL0817

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
19-01-2010
Datum publicatie
27-01-2010
Zaaknummer
200.013.525
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg van LJN BJ5920. Looptijd van bankgarantie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.013.525

(zaaknummer rechtbank 149950)

arrest van de pachtkamer van 19 januari 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

1. [geïntimeerde sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen.

1 Het verloop van het geding

1.1 Voor het geding tot aan het arrest van 18 augustus 2009 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2 Naar aanleiding van bedoeld arrest hebben partijen beide een akte genomen, eerst [appellant] en vervolgens [geïntimeerde]. Bij de akte van [appellant] is een productie gevoegd.

1.3 Vervolgens hebben partijen andermaal de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Naar aanleiding van het arrest van 18 augustus 2009 heeft [appellant] bij akte verklaard ervoor in staan dat per 1 oktober 2012 (a) de onkruiddruk op het gepachte niet zal uitgaan boven het niveau dat zou hebben bestaan bij een zorgvuldige onkruidbestrijding binnen de gangbare landbouw en (b) geen tekorten zullen bestaan wat betreft mineralen en sporenelementen, uitgaande van hetgeen gebruik voor gangbare landbouw vereist. [appellant] heeft bij zijn akte een afschrift van een bankgarantie gevoegd, waarbij voor € 17.500,- zekerheid wordt gesteld voor de eventueel door de pachtrechter vast te stellen schade die [geïntimeerde] zal lijden als gevolg van zijn tekortschieten in de nakoming van de onder a en/of b bedoelde garantieverplichtingen.

2.2 [geïntimeerde] doet bij zijn akte vergeefs een poging om het hof te doen terugkomen van hetgeen het bij het arrest van 18 augustus 2009 heeft overwogen en beslist. De rolverwijzing door het hof diende immers niet tot een voortzetting van het debat, maar uitsluitend voor het doel als onder 4.22 van bedoeld arrest aangegeven. [geïntimeerde] had zich dan ook moeten beperken tot een reactie op de onder 2.1 bedoelde verklaring van [appellant] en de inhoud van de bankgarantie. De aanvullende stellingen van [geïntimeerde] zijn dan ook in strijd met de goede procesorde.

2.3 Ten overvloede overweegt het hof omtrent die aanvullende stellingen nog als volgt. [geïntimeerde] beroept zich op de huidige staat van onderhoud van het gepachte, zoals die onder meer zou blijken uit een rapportage van DLV Plant te Westmaas van 15 oktober 2009. Die rapportage is echter niet als productie overlegd. Wezenlijker is dat uit de door [geïntimeerde] in zijn akte geciteerde inhoud van de rapportage niet kan worden afgeleid dat de huidige staat van onderhoud achterblijft bij hetgeen in geval van agrarisch natuurbeheer passend is. Het hof heeft bij het arrest van 18 augustus 2009 immers beslist dat de omschakeling naar agrarisch natuurbeheer weliswaar een tekortkoming oplevert, maar dat die tekortkomingen onder de door het hof bedoelde omstandigheden de ontbinding met ingang van een eerdere datum dan per 1 oktober 2012 niet rechtvaardigt voor zover voldoende zekerheid bestaat dat [appellant] adequaat gebruik maakt van de bij dat arrest onder 4.20 bedoelde mogelijkheden. Het gaat dus thans niet meer om de vraag of zich op het gepachte meer onkruid bevindt dan bij zorgvuldig gebruik voor de gangbare landbouw het geval zou zijn geweest.

2.4 Ten onrechte meent [geïntimeerde] dat het hof zich bij het arrest van 18 augustus 2009 nog niet heeft uitgesproken over de consequenties van de artikelen 13 en 14 van de pachtovereenkomst. Consequentie van de omschakeling naar agrarisch natuurbeheer is dat [appellant] niet langer zijn verplichtingen uit de artikelen 13 en 14 nakomt. Mede op die grond heeft het hof geoordeeld dat [appellant] voor bedoelde omschakeling de toestemming van [geïntimeerde] als verpachter dan wel de vervangende machtiging van de grondkamer behoefde. Over de consequenties van het ontbreken van die toestemming of machtiging heeft het hof bij bedoeld arrest geoordeeld en daarmee ook over de bedoelde artikelen 13 en 14.

2.5 Ook overigens ziet het hof in hetgeen [geïntimeerde] bij zijn akte betoogt, geen reden om terug te komen van hetgeen het bij het arrest 18 augustus 2009 heeft overwogen en beslist.

2.6 Wel heeft [geïntimeerde] terecht bezwaar gemaakt tegen de looptijd van de door [appellant] overgelegde bankgarantie. De looptijd van die garantie eindigt op 1 oktober 2012, dus tegelijk met de pachtovereenkomst. [geïntimeerde] zal naar aanleiding van de oplevering van het gepachte of van de nadien gebleken onkruiddruk zo nodig een vordering in rechte moeten instellen en er zal enige tijd overheen gaan voordat de pachtrechter heeft beslist. De bankgarantie zal zijn gelding moeten behouden tot na het moment dat de pachtrechter heeft beslist. [geïntimeerde] moet in staat worden geacht om uiterlijk binnen een jaar na het einde van de pacht een vordering in rechte in te stellen. Hij zal daarbij uitvoerbaarbijvoorraadverklaring kunnen vorderen, zodat geen rekening behoeft te worden gehouden met de duur van een eventueel vervolg van de procedure in een hogere instantie. Gelet op een en ander is een bankgarantie die loopt tot 1 januari 2015 in redelijkheid voldoende.

2.7 Het hof zal de zaak andermaal naar de rol verwijzen voor akte aan de zijde van [appellant]. [appellant] dient bij die gelegenheid alsnog een afschrift van een bankgarantie over te leggen die geldig is tot 1 januari 2015.

2.8 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de rol van 23 februari 2010 voor akte aan de zijde van [appellant] voor het onder 2.7 bedoelde doel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, M.M. Olthof en H.L. van der Beek en de deskundige leden ing. L.L.M. de Lorijn en ir. H. Rogaar, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 januari 2010.