Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL0310

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
200.051.688
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WSNP; beëindiging schuldsaneringsregeling zonder schone lei

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.051.688

(insolventienummer rechtbank:: 03/380 R)

arrest van de eerste civiele kamer van 18 januari 2010

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. S.J.E. Loontjes te Breda.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 juni 2003 is ten aanzien van appellant (hierna te noemen: [appellant]) de definitieve toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken.

1.2 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 8 september 2005 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant], hoewel hij naar het oordeel van de rechtbank een of meer van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren was nagekomen, onder een aantal in dit vonnis omschreven voorwaarden voortgezet.

1.3 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 19 juli 2007 is de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] voortgezet en is de duur ervan bepaald op vijf jaren of zoveel eerder als het erfdeel van [appellant] op de boedelrekening is ontvangen. Daarbij heeft de rechtbank verstaan dat de schuldenaar gedurende de verlenging geen boedelbijdrage en salaris van de bewindvoerder is verschuldigd.

1.4 Bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 december 2009 is vastgesteld dat [appellant] toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten. De rechtbank heeft hiermee de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd zonder dat daarbij de zogenoemde schone lei is verstrekt. Voorts heeft de rechtbank het salaris van de bewindvoerder, inclusief omzetbelasting, vastgesteld op € 2.658,46 (zijnde het salaris over de gehele periode dat de schuldsaneringsregeling heeft geduurd) en de publicatiekosten op € 65,-.

1.5 Het hof verwijst naar laatstgenoemd vonnis, dat in fotokopie aan dit arrest is gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij ter griffie van het hof op 17 december 2009 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 10 december 2009 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en te bepalen dat de schuldsaneringsregeling met ingang van 10 december 2009 is beëindigd onder toekenning van een “schone lei” en het in het vonnis toegewezen salaris bewindvoerder af te wijzen.

2.2 Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift en de daarbij behorende stukken, van de brieven met bijlage(n) van 28 december 2009 en 5 januari 2010 van de advocaat van [appellant], alsmede van de brief met bijlagen van 4 januari 2010 van de bewindvoerder W.F.M. Duighuisen.

2.3 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 11 januari 2010, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. De bewindvoerder is eveneens verschenen.

3. De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1 De rechtbank heeft [appellant] de schone lei onthouden omdat [appellant] zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder heeft verzaakt. De rechtbank baseert haar oordeel op de erkenning van [appellant] dat hij, kort gezegd, in de periode van 8 februari 2005 tot en met 9 mei 2005 geldbedragen tot een totaal van ruim € 14.000,- van de rekening van zijn op 7 februari 2005 overleden vader heeft opgenomen zonder voorafgaand overleg met de bewindvoerder. De rechtbank is bovendien van oordeel dat [appellant] hiermee zijn schuldeisers heeft benadeeld omdat - kort samengevat - door het als gevolg van dit handelen van [appellant] gerezen conflict met de erven, minder uit de nalatenschap aan de boedel is uitgekeerd. De rechtbank heeft tevens geoordeeld dat er aanleiding bestaat om de bewindvoerder niet te houden aan zijn blijkens het vonnis van 19 juli 2007 uitgesproken bereidheid om alleen salaris over de eerste drie jaren van de schuldsaneringsregeling te aanvaarden, omdat deze toezegging was gekoppeld aan de door de advocaat van [appellant] uitgesproken veronderstelling dat de erfenis op korte termijn kon worden verdeeld, hetgeen niet het geval is gebleken.

3.2 [appellant] kan zich met het vonnis van de rechtbank niet verenigen. De door [appellant] opgeworpen grieven komen er - kort samengevat en voor zover thans van belang - op neer dat [appellant] betwist dat hij zijn informatieplicht jegens de bewindvoerder niet is nagekomen en dat hij zijn schuldeisers heeft benadeeld. Daartoe stelt [appellant] dat zowel de rechtbank als de bewindvoerder in hun oordeel/opvatting dat [appellant] voorafgaand overleg met de bewindvoerder had moeten voeren over de beweerdelijk gestelde geldopnames, miskennen dat de nalatenschap van wijlen de heer [A.] een afgescheiden vermogen is waarover de bewindvoerder in beginsel geen zeggenschap heeft. [appellant] betwist niet dat een verdeelde nalatenschap wèl aan de boedel toekomt. De bewindvoerder heeft om hem moverende redenen geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om beslag te laten leggen op het deel van de onverdeelde nalatenschap dat normaliter aan [appellant] zou toekomen. De bewindvoerder kan achteraf een en ander niet herstellen door een beroep te doen op een hem niet toekomende bevoegdheid.

[appellant] stelt voorts dat alle aan de boedel uit hoofde van de nalatenschap toekomende bedragen ook aan de boedel zijn afgedragen. [appellant] voert daartoe aan dat geenszins is komen vast te staan dat de beweerdelijk opgenomen geldbedragen niet ten laste komen van de nalatenschap. Het overzicht, waarop de rechtbank en de bewindvoerder de bedragen hebben gebaseerd, is opgesteld door de advocaat van de mede-erfgenaam [B.] en had slechts ten doel om [B.] een hogere opbrengst te laten toekomen dan hem toekwam. Aanvankelijk werd uitgegaan van een bedrag van ruim € 14.000,- dat [appellant] niet ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap zou hebben opgenomen. Uiteindelijk hebben partijen, mede om proceseconomische redenen, een minnelijke regeling getroffen, inhoudende dat hij € 5.000,- minder uitgekeerd heeft gekregen uit de nalatenschap dan de mede-erfgenamen. [appellant] heeft gehandeld overeenkomstig de door de bewindvoerder verleende toestemming. Hoewel de bewindvoerder reeds in september 2008 van de geldopnames op de hoogte was, heeft hij pas ter gelegenheid van de eindzitting bij de rechtbank verwijten naar voren gebracht over de geldopnamen. De beëindiging van de schuldsaneringsregeling zonder [appellant] de schone lei te verlenen is dan ook onterecht en in elk geval ook disproportioneel.

Tot slot voert [appellant] aan dat hij niet vermag in te zien waarom de bewindvoerder niet gehouden hoeft te worden aan zijn uitgesproken bereidheid om alleen salaris te aanvaarden over de eerste drie jaren van de schuldsaneringsregeling. Uit niets blijkt dat de bewindvoerder enig voorbehoud te dien aanzien heeft gemaakt. Dat de afwikkeling van de nalatenschap langer heeft geduurd dan vooraf was ingeschat, kan [appellant] niet worden verweten, zodat het in het bestreden vonnis vastgestelde salaris van de bewindvoerder alsnog dient te worden geschrapt.

3.3 Het hof oordeelt als volgt. Vast staat - [appellant] betwist dat niet voldoende gemotiveerd - dat [appellant] in de periode van 8 februari 2005 tot en met 9 mei 2005 geldbedragen tot een totaal van ruim € 14.000,- van de rekening van zijn op 7 februari 2005 overleden vader heeft opgenomen. Daardoor is een geschil ontstaan met één van zijn mede-erfgenamen. [appellant] heeft dit geschil uiteindelijk beëindigd met een schikking, maar een en ander heeft er wel in geresulteerd dat [appellant] een substantieel lager bedrag uit de erfenis heeft ontvangen dan de andere erven. Hierdoor zijn de gezamenlijke schuldeisers van [appellant] voor tenminste een bedrag van € 5.000,- benadeeld, hetgeen reeds voldoende grond oplevert om [appellant] de schone lei te onthouden.

3.4 Het hof verwerpt het verweer van [appellant], dat hij uit de brief van de bewindvoerder van 5 januari 2009, waarin deze na overleg met de rechter-commissaris laat weten dat een bedrag van maximaal € 5.000,- op het aan [appellant] toekomende deel van de nalatenschap in mindering mag worden gebracht om een nieuwe procedure te voorkomen, mocht afleiden dat indien hij, [appellant], zou handelen overeenkomstig de verleende toestemming, hem hiervan achteraf geen verwijt zou worden gemaakt. De zinsnede in deze brief “de vraag of betrokkene in aanmerking komt voor de “schone lei” zal pas worden behandeld op een eindzitting waarvan de datum nog moet worden vastgesteld”

kan immers niet anders worden opgevat dan het voorbehoud dat pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling zal worden beslist in hoeverre het (aan de schikking voorafgaande) handelen van [appellant] gevolgen heeft voor het verlenen van de schone lei.

3.5 Bovendien geldt dat [appellant] tot op heden niet aannemelijk heeft kunnen maken dat alle opgenomen bedragen zijn aangewend ten behoeve van de afwikkeling van de nalatenschap en/of de uitvaartkosten. Het gegeven dat de erfenis een afgescheiden vermogen is waarover de bewindvoerder in beginsel geen zeggenschap heeft, laat onverlet dat de omvang van de onverdeelde nalatenschap wèl van belang is voor de schuldsaneringsregeling en dat het tot de verplichtingen van de saniet behoort om ervoor te zorgen dat het erfdeel waarop hij recht heeft in zijn geheel ten gunste van de boedel komt.

3.6 Het hof zal, in weerwil van het bepaalde in het vonnis van 19 juli 2007 het salaris van de bewindvoerder niet beperken tot het salaris over de eerste drie jaren van de schuldsaneringsregeling. Van de bewindvoerder kan niet worden verlangd dat alle werkzaamheden die hij na zijn daartoe destijds uitgesproken bereidheid heeft verricht, voor eigen rekening zouden moeten komen. Op het moment van deze toezegging was immers niet te voorzien dat als gevolg van de complicaties rond de verdeling van de nalatenschap, er gedurende een langere periode door de bewindvoerder veel extra en gecompliceerde werkzaamheden moesten worden verricht.

3.7 Door de schuldeisers voor een bedrag van € 5.000,- te benadelen, is [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Dat levert reeds voldoende grond op voor het onthouden van de schone lei. Niet is sprake van een dermate geringe tekortkoming dat zulks disproportioneel is. Hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd maakt dat niet anders.

3.8 De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen dan ook geen doel. [appellant] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Er is geen sprake van dat deze tekortkomingen wegens hun bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing dienen te blijven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 december 2009.

Dit arrest is gewezen door mrs. L.J. de Kerpel-van de Poel, C.G. ter Veer en A.A. van Rossum en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2010.