Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2010:BL0283

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
12-01-2010
Datum publicatie
22-01-2010
Zaaknummer
09-00183
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Minas.

Akkerbouwer heeft bewilligd in mestleveringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 561

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector belastingrecht

nummer 09/00183

uitspraakdatum: 12 januari 2010

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

X te Z (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank) van 20 april 2009, nummer AWB 08/4812,

in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Dienst Regelingen van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de Inspecteur)

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Aan belanghebbende is over het jaar 2003 een naheffingsaanslag in de verfijnde fosfaatheffing (aanslagnummer: 01MF0302) opgelegd ten bedrage van € 7560.

1.2. Deze naheffingsaanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3. Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5. Tot de stukken van het geding behoren het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd en waarvan door de griffier van het Hof afschriften zijn verzonden aan de wederpartij.

1.6. Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 1 december 2009 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende met zijn gemachtigde alsmede de Inspecteur.

1.7. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnotitie voorgedragen. Exemplaren daarvan zijn overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De inhoud van de pleitnota dient hier als herhaald en ingelast te worden aangemerkt.

1.8. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2. Feiten

2.1. Belanghebbende exploiteert een bedrijf in de zin van de Meststoffenwet (een akker¬bouwbedrijf). Tot het bedrijf behoort 49,35 ha grond (bouwland). Voor toepassing van het zogenoemde “mineralenaangiftesysteem” (hierna: Minas) heeft belanghebbende gekozen voor het spoor van de verfijnde mineralenheffingen.

2.2. In het onderhavige jaar (2003) heeft belanghebbende aan zijn zwager B, die een varkenshouderij exploiteert, opdracht gegeven om dierlijke mest op zijn bedrijf aan te voeren en op het land uit te rijden.

2.3. B heeft daartoe, met goedvinden van belanghebbende, het agrarisch loonbedrijf van de heer A (hierna: A) - een zogenoemde intermediair - ingeschakeld. A vervoert de mest van de varkenshouderij van B naar het bedrijf van belanghebbende en rijdt de mest op het land van belanghebbende uit. A regelt de bemonstering van de mest en bepaalt hoeveel mest op het land van belanghebbende wordt uitgereden. Daarbij is tussen belanghebbende, B en A afge-sproken dat niet meer mest op het land van belanghebbende wordt uitgereden dan “Minas-technisch” is toegestaan. Belanghebbende voert geen enkele vorm van controle uit. Hij is niet aanwezig bij het uitrijden van de mest op zijn land. A wordt betaald door B. Door B wordt ook aan andere afnemers mest geleverd.

2.4. Belanghebbende heeft 39 afleveringsbewijzen ontvangen, welke betrekking hebben op leveringen van mest in de periode van 20 maart tot en met 27 maart 2003. Op de afleverings-bewijzen staat telkens vermeld dat zij betrekking hebben op leveringen van dierlijke mest-stoffen op het adres van belanghebbende. Als leverancier is telkens genoemd B en als ver-voeder A. Op de afleveringsbewijzen is het netto gewicht van de lading vermeld, alsmede de code van de monsternemer. De afleveringsbewijzen zijn voorzien van handtekeningen van de leverancier, de vervoerder en de afnemer. Geen van de 39 afleveringsbewijzen is getekend door belanghebbende.

2.5. Op 29 december 2003 heeft de accountant van A een brief aan de Inspecteur verzon-den, waarvan de inhoud – voor zover hier van belang - als volgt luidt:

“(…)

Hierbij vragen wij uw aandacht voor het volgende.

Van 12 vrachten mest (…) is per abuis de verkeerde mestafnemer ingevuld. Er is namelijk ingevuld X (mestnummer 01). Deze mest is afgevoerd naar onze client, de heer A te P (mest-nummer 02).

De bonnummers welke gewijzigd dienen te worden zijn de volgende (…)

0485

0493

0507

0515

0523

0531

0701

0710

0728

0736

0744

0752

Wij verzoeken u een en ander aan te passen, zodat de heer X voor bovengenoemde vrachten niet meer geregistreerd is als mestafnemer.

(…)”.

2.6. De hiervóór in onderdeel 2.4 genoemde afleveringsbewijzen hebben ook betrekking op de zo-even, in onderdel ?2.5, genoemde vrachten.

2.7. De Inspecteur heeft het verzoek van de adviseur van A ingewilligd.

2.8. Op 10 maart 2004 is belanghebbende uitgenodigd tot het doen van aangifte van de verfijnde mineralenheffingen voor het jaar 2003. Op 15 juni 2006 heeft de Inspecteur de aangifte van belanghebbende ontvangen. In de aangifte is een bedrag aan verschuldigde fosfaatheffing berekend van nihil. De in onderdeel 2.6 genoemde vrachten (hierna: de 12 vrachten) zijn door belanghebbende niet als aanvoerpost in aanmerking genomen.

2.9. De Algemene inspectiedienst (hierna: AID) heeft een strafrechtelijk onderzoek inge-steld tegen A. Naar aanleiding van de bevindingen van dat onderzoek is ook belanghebbende als verdachte aangemerkt. Ten overstaan van opsporingsambtenaren van de AID is door A en belanghebbende met betrekking tot de 12 vrachten onder meer het volgende verklaard:

Door A:

“(…) Dit betreft mestleverantie aan de mij bekende klant X te Z. X is een akkerbouwer en door mij wordt daar mest geïnjecteerd. Ik denk dat ook X teveel mest (fosfaat) heeft gehad. Wederom heb ik op een identieke manier als bij (…), dus met bemiddeling van mij naar mijn accountant (…), doen voorkomen alsof X niet de mest heeft ontvangen die ik daar wel heb geleverd middels de (…) mestbonnen. Ik wil niet in herhaling vallen, maar voor de klant heb ik dus eigenlijk valsheid in geschrift gepleegd om een heffing van Bureau Heffingen bij ak-kerbouwer X te voorkomen. (…)

De mest is daadwerkelijk geleverd bij afnemers X. Dan komt er een vraag bij mij of ik het terug wil draaien. Of ik moest de heffing betalen. Ik ben ook niet daadkrachtig genoeg om de heffing te betalen. Daarom is het teruggedraaid en heb ik de mest op mijn naam gekregen. Ik heb toen niet gerealiseerd dat mijn mestboekhouding in onbalans kwam”.

En door belanghebbende:

“Ik weet niet of ik deze mest vermeld op de vervoersbedrijven gehad heb. A regelt alles”.

2.10. Naar aanleiding van de bevindingen van de AID heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat de 12 vrachten bij belanghebbende als aanvoerpost in aanmerking moeten worden genomen. In verband hiermee is de onderhavige naheffingsaanslag opgelegd.

2.11. In het kader van een hoorzitting heeft belanghebbende op de vraag van een ambtenaar van de Dienst Regelingen of hij zicht heeft op de hoeveelheid mest die op zijn land wordt afgevoerd verklaard: “dat hij dat niet weet. Het gebeurt in goed vertrouwen”. Voorts heeft belanghebbende in dat gesprek aangegeven dat hij niet kan aangeven hoeveel mest hij daad-werkelijk gekregen heeft.

2.12. De Inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende tegen de naheffingsaanslag afgewezen. Het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep is door de Rechtbank ongegrond verklaard.

3. Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1. Tussen partijen is in geschil of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag aan belanghebbende is opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of de Inspecteur terecht de 12 vrachten als aanvoerpost in de heffingsgrondslag heeft begrepen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken, waaronder eerdergenoemde pleitnota. Voor hetgeen partijen daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de bestreden uitspraak van de Recht-bank, die van de Inspecteur en van de naheffingsaanslag.

3.4. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. In hoger beroep betwist belanghebbende dat de 12 vrachten mest op zijn landbouw-grond zijn gebracht.

4.2. Alsdan rust op de Inspecteur de last om aannemelijk te maken dat de levering van de 12 vrachten mest op het bedrijf van belanghebbende heeft plaatsgevonden.

4.3. Het Hof acht de Inspecteur met hetgeen hij in de gedingstukken en ter zitting heeft aangevoerd hierin geslaagd. Niet in geschil is dat A in het onderhavige jaar daadwerkelijk van het bedrijf van B afkomstige dierlijke meststoffen op het land van belanghebbende – met diens instemming – heeft uitgereden. Belanghebbende heeft meermalen, ook ter zitting van het Hof, erkend eigenlijk – omdat hij geen controle heeft uitgevoerd – niet te weten hoeveel mest hij daadwerkelijk heeft ontvangen van B en A. Waarom hij van de 39 vrachten nu juist de in geschil zijnde 12 vrachten niet geleverd heeft gekregen, heeft belanghebbende niet kunnen aangeven. Gelet op de door A bij de AID afgelegde verklaring (weergegeven in onderdeel 2.10 van deze uitspraak) – het Hof heeft geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen – acht het Hof aannemelijk dat de 12 vrachten mest op het bedrijf van belangheb-bende zijn aangevoerd en op de landbouwgrond van belanghebbende zijn uitgereden. De omstandigheid dat de afleveringsbewijzen van de 12 vrachten niet door belanghebbende zijn ondertekend doet hieraan niet af, te minder nu belanghebbende geen enkel afleveringsbewijs met betrekking tot van B afkomstige mest heeft ondertekend.

4.4. Het hiervóór in overweging 4.3 overwogene brengt evenwel nog niet mee dat sprake is van “afnemen” in de zin van artikel 25, eerste lid, (tekst 2003) van de Meststoffenwet. Op grond van de tekst van deze bepaling – “afnemen” impliceert een actieve betrokkenheid van de afnemer – en het systeem van de Meststoffenwet zijn meststoffen die zonder bewilliging van de heffingsplichtige door een intermediaire ondernemer op de tot het bedrijf van de heffingsplichtige behorende grond zijn gestort, niet te beschouwen als feitelijk afgenomen meststoffen. Die meststoffen maken derhalve geen deel uit van de belastbare hoeveelheid mineralen (HR 15 mei 2009, nr. 43089, LJN: BC2868).

4.5. Belanghebbende heeft gesteld dat hij niet in de storting van de 12 vrachten mest op zijn grond heeft bewilligd. Van een actieve betrokkenheid in de zin van het genoemde arrest van de Hoge Raad van 15 mei 2009 is, aldus belanghebbende, geen sprake geweest. De Inspecteur heeft gesteld, en het Hof acht aannemelijk, dat belanghebbende met betrekking tot de door B geleverde mest analyseresultaten van het ingeschakelde laboratorium ontvangen heeft. Voorts heeft de Inspecteur in dit verband onder meer aangevoerd dat belanghebbende door de mestleveringen zonder enige vorm van controle in het geheel over te laten aan A en B en door niet te reageren op de door hem ontvangen, op de 12 vrachten betrekking hebben-de, afleveringsbewijzen en analyseresultaten erin heeft bewilligd dat ook die hoeveelheden mest op zijn grond werden gestort. Aldus is volgens de Inspecteur de mest van de 12 vrach-ten door belanghebbende afgenomen.

4.6. Op grond van de onder de feiten geschetste gang van zaken acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende erin heeft toegestemd dat de van B afkomstige mest op zijn grond zou worden gestort naar een hoeveelheid die overeenkomt met de 39 vrachten, met inbegrip van de 12 zo-even bedoelde vrachten. Door vooraf met B en A afspraken te maken over mestle-veringen op zijn bedrijf – hieruit volgt een actieve betrokkenheid van belanghebbende – en de uitvoering daarvan vervolgens volledig, zonder enige vorm van controle over te laten aan A (en B), heeft belanghebbende in wezen op de koop toe genomen dat meer mest op zijn grond zou worden gestort dan hij aanvankelijk voor ogen had. Door vervolgens ná ontvangst van de op de leveringen door B betrekking hebbende afleveringsbewijzen en analyseresulta-ten – op grond waarvan belanghebbende zich een beeld heeft kunnen vormen van de hoe-veelheden meststoffen die op zijn grond waren gestort – aanvankelijk niets te doen, kan naar het oordeel van het Hof redelijkerwijs niet anders worden geconcludeerd dan dat belangheb-bende heeft bewilligd in die stortingen en hoeveelheden. De eerst ter zitting in hoger beroep ingenomen stelling van belanghebbende dat hij heeft bewilligd in niet meer dan 80 kg fosfaat per ha per jaar acht het Hof niet aannemelijk, aangezien belanghebbende zelf in zijn aangifte reeds is uitgegaan van een grotere hoeveelheid dan genoemde 80 kg fosfaat per ha. De om-standigheid dat achteraf is gebleken dat bij belanghebbende in 2003 meer meststoffen waren aangevoerd dan afgevoerd, waardoor hij in de fosfaatheffing zou worden betrokken en de accountant van A – naar het Hof aannemelijk acht – in verband hiermee heeft gepoogd met de brief van 29 december 2003 aan de Dienst Regelingen een en ander terug te draaien, staat niet eraan in de weg dat belanghebbende heeft bewilligd in de storting van de 12 vrachten mest op zijn landbouwgrond.

4.7. De Inspecteur heeft mitsdien terecht de 12 vrachten mest tot de belastbare hoeveelheid mineralen gerekend. De naheffingsaanslag is terecht aan belanghebbende opgelegd.

4.8. Het hoger beroep van belanghebbende is ongegrond.

5. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan te Arnhem door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J.A. Monsma in tegenwoordigheid van mr. W.J.N.M. Snoijink als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2010.

De griffier, De voorzitter,

(W.J.N.M. Snoijink) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 12 januari 2010.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.