Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BY0737

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-06-2009
Datum publicatie
22-10-2012
Zaaknummer
000498-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Raadkamer. Verdachte appelleert voor de tweede maal o.g.v. artikel 406 Sv.

Tegen een beslissing houdende de afwijzing van het ter terechtzitting genomen verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis staat slechts eenmaal de mogelijkheid open om hoger beroep in te stellen. Verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Gerechtshof te Arnhem

pkn: 08/710789-08

avnr: 000498- 12

Het gerechtshof heeft te beslissen op het hoger beroep ingesteld door

[voornaam] [achternaam],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

verblijvende in [plaats detentie].

Het hoger beroep is ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank te Almelo van 19 mei 2009, houdende de afwijzing van het ter terechtzitting gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Het hof heeft gehoord de advocaat-generaal en de raadsman van verdachte, mr F. Vortman, advocaat te Hardenberg, in raadkamer van heden en gezien de schriftelijke verklaring van verdachte niet gehoord te willen worden bij de behandeling in raadkamer.

Het hof heeft gezien bovengenoemde beschikking en de akte opgemaakt door de griffier bij die rechtbank van 19 mei 2009.

OVERWEGINGEN:

Op 13 mei 2009 heeft het hof beslist op een eerder door de verdachte op de voet van artikel 406 van het Wetboek van Strafvordering ingesteld hoger beroep tegen een eerdere afwijzing door de rechtbank van een ter terechtzitting gedaan verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis. Daarom heeft het hof in raadkamer van heden de vraag aan de orde gesteld of het huidige (tweede) hoger beroep van verdachte tegen een vergelijkbare beslissing ontvankelijk is. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat dit wel het geval is, nu de tekst van artikel lid 2 van het Wetboek van Strafvordering herhaalde toepassing niet uitsluit. De advocaat-generaal heeft echter, met een beroep op artikel 87 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte.

Het hof beoordeelt de vraag naar de ontvankelijkheid van dit herhaalde beroep in het licht van het stelsel van rechtsmiddelen tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. Dat stelsel kenmerkt zich daardoor dat, vanwege het ingrijpende karakter van het dwangmiddel van vrijheidsontneming, voor de verdachte enerzijds de mogelijkheid van hoger beroep is geschapen, doch dat daarbij anderzijds, vanuit een oogpunt van eisen van een vlotte en doelmatige voortgang van het vooronderzoek slechts in beperkte mate de mogelijkheid van hoger beroep is geopend. Een van de beperkingen is dat tegen onderscheidene beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in beginsel slechts eenmaal hoger beroep openstaat. Het hof is van oordeel dat deze afwegingen mede gelden ingeval het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg al wel is aangevangen doch nog niet is afgesloten. In deze fase heeft de wetgever – met doorbreking van het zogenaamde concentratiebeginsel, dat inhoudt dat van tussenuitspraken geen tussentijds hoger beroep openstaat - in een wederom beperkt aantal gevallen hoger beroep op de voet van artikel 406 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering opengesteld tegen beslissingen omtrent de voorlopige hechtenis. De belangrijkste reden daarvoor is dat de verdachte, die wellicht in het vooronderzoek nog geen mogelijkheid heeft gehad een beslissing omtrent de toepassing van de voorlopige hechtenis aan de hoger beroepsrechter voor te leggen, deze mogelijkheid alsnog behoort te hebben nadat het onderzoek ter terechtzitting reeds is aangevangen. Uit deze ratio van de regeling van artikel 406 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering vloeit niet voort dat de verdachte bij herhaling van tussenbeslissingen van de zittingsrechter over de voorlopige hechtenis telkens recht op hoger beroep zou dienen te hebben. Het hof acht op dit punt een analoge toepassing van artikel 87 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering veeleer aangewezen. Dat oordeel brengt mee dat de verdachte slechts eenmaal de mogelijkheid heeft om van een afwijzende beslissing van een verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis hoger beroep in te stellen en dat zulks zo blijft nadat de behandeling van de strafzaak ter zitting eenmaal is aangevangen. Het hof zal daarom verdachte niet ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Het hof heeft gelet op het bepaalde in artikel 87 van het Wetboek van Strafvordering.

BESLISSING:

Het hof verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.

Aldus gegeven op 10 juni 2009 door mrs A.E. Harteveld, voorzitter, B.P.J.A.M. van der Pol en

J. Zwinkels, raadsheren, in tegenwoordigheid van B.J. Berendsen, griffier, en ondertekend door de voorzitter en de griffier.