Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BM1304

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
15-04-2010
Zaaknummer
21-001176-08
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2012:BT6453, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2012:BT6453
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Medeplegen oplichting. Witwassen.

Verdachte heeft samen met anderen, benadeelde en zijn vader, als diens wettelijk vertegenwoordiger, er toe bewogen om afstand te doen van de nalatenschap van erflaatster.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-001176-08

Uitspraak d.d.: 17 november 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 10 maart 2008 in de strafzaak tegen

[Verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats en adres].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 18 maart 2009 en 3 november 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman, mr S.F.W. van 't Hullenaar, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewezenverklaring komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 11 december 2003 tot en met de maand juli 2004 te [pleegplaats], telkens tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

- (enerzijds) [benadeelde A] (en diens wettelijk vertegenwoordiger [vader benadeelde A]) heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, bestaande in de verwerping van de nalatenschap van [erflaatster] (en daarmee het afzien van (een) aan die [erflaatster] toebehoord hebbend(e) geldtegoed(en) van 243.129,49 euro of daaromtrent bij de [bank] en/of van 402.235,29 euro of daaromtrent bij [levensverzekeringsmaatschappij]), en/of [vader benadeelde A] en/of [benadeelde A] heeft/hebben bewogen tot de afgifte van een (door [vader benadeelde A] ondertekend) verzoek tot machtiging tot verwerping van de aan de destijds minderjarige [benadeelde A] toebehorende erfenis van [erflaatster] (p. 115 van het dossier)

- (anderzijds) de [bank] en/of [levensverzekeringsmaatschappij] heeft bewogen tot de afgifte van voornoemd(e)/(een) - aan wijlen rekening- en/of polishoudster [erflaatster] toebehoord hebbend(e) - geldtegoed(en) van (respectievelijk) 243.129,49 euro of daaromtrent en/of van 402.235,29 euro of daaromtrent, in elk geval van geld, aan verdachte en/of [medeverdachte B],hierin bestaande dat verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van voornoemde [erflaatster] een boedelbeschrijving met een negatief saldo hebben/heeft opgemaakt en/of overgelegd, waardoor die [benadeelde A] (en [vader benadeelde A]) werd(en) bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld (bestaande in de verwerping van voornoemde nalatenschap) en/of werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte van een goed

en/of de [bank] en/of [levensverzekeringsmaatschappij] – (mede)

op basis van een door verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s) (tevens) overgelegde verklaring van erfrecht, opgemaakt na voormelde verwerping van genoemde nalatenschap door [benadeelde A] (en [vader benadeelde A]) en de daaropvolgende zuivere aanvaarding(en) van die nalatenschap door verdachte en/of voornoemde [medeverdachte B] – (vervolgens) werd(en) bewogen tot vorenomschreven afgifte;

2.

zij in of omstreeks de periode van 13 juli 2004 tot en met 24 januari 2005, te

[pleegplaats], (een) voorwerp(en), te weten

- een geldtegoed/-bedrag van 301.676,47 euro of daaromtrent en/of

- een geldtegoed/-bedrag van 105.386,48 euro of daaromtrent, althans een

hoeveelheid van 94.000 stuks vast renderende obligaties, en/of,

- een geldtegoed/-bedrag van 77.240,92 euro of daaromtrent,

in elk geval (een) aanzienlijk(e) geldtegoed(en)/-bedrag(en), heeft verworven

en/of voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest

vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig waren/was uit enig(e) misdrijf/misdrijven.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Verzoek tot schorsing voor het horen van getuigen

Ter terechtzitting in hoger beroep van 3 november 2009 heeft de advocaat-generaal een verzoek gedaan tot schorsing van het onderzoek ter terechtzitting teneinde [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] als getuigen te horen. Het hof wijst dit verzoek af, nu de noodzaak tot het horen van de getuigen niet is gebleken. Het hof acht zich op basis van het dossier en het verhandelde ter zitting heel wel in staat om tot verantwoorde beslissingen te komen met betrekking tot alle onderwerpen waarover in deze zaak een beslissing moet worden gegeven, de beslissing omtrent het bewijs daaronder begrepen.

Bewijsmotivering

[Verdachte] is de moeder van erflaatster en [medeverdachte A].

[Erflaatster] is gehuwd geweest met [vader benadeelde A]. Uit dit huwelijk is op 16 april 1988 [benadeelde A] geboren. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.

[Medeverdachte B] behartigde de financiële belangen van verdachte.

Deze heeft in 2001 haar dochters een aanzienlijk bedrag geschonken dat door de dochters op rekeningen bij een bank in [plaats] is gezet.

[Erflaatster] is in december 2003 overleden. Zij had geen testament opgemaakt en haar zoon, de op dat moment nog minderjarige [benadeelde A], was enig erfgenaam. [Vader benadeelde A] was de wettelijke vertegenwoordiger van [benadeelde A]. Het vermogen dat erflaatster ten tijde van haar overlijden op de bank in [plaats] had staan, bedroeg op 13 juli 2004 circa 645.364,78 euro. Een gedeelte (243.129,49 euro) stond op een rekening bij [bank] met nummer 535576, de rest bestond uit een tegoed op een beleggingsrekening bij [levensverzekeringsmaatschappij]; de waarde van die belegging bedroeg op 19 februari 2004 (402.235,29 euro). In de polis stond vermeld dat het ingelegde bedrag bij overlijden van erflaatster moest worden uitgekeerd aan haar wettelijke erfgenamen.

[Benadeelde A] en [vader benadeelde A] waren niet op de hoogte van het bestaan van de banktegoeden van erflaatster in [plaats]. De beleggingsrekening bij [levensverzekeringsmaatschappij] wordt door [levensverzekeringsmaatschappij] en door de raadsman van verdachte aangeduid als een levensverzekering maar naar Nederlandse maatstaven gaat het om een gewone beleggingsrekening. De ingangsdatum van de rekening was 9 juli 2003, de einddatum 25 juli 2011, behoudens eerdere opzegging, afkoop of overlijden. Het op deze beleggingsrekening bij opening gestorte bedrag was 392.000,-- euro. De overeenkomst hield geen dekking in van het risico van overlijden.

Enkele weken na de begrafenis van erflaatster zijn [medeverdachte B], verdachte en [medeverdachte A] naar [plaats] gereisd en zij hebben de bank verzocht de tegoeden van de overledene over te boeken op de rekening van [verdachte]. De bank wilde eerst zekerheid hebben over wie de rechthebbende was op deze tegoeden en verlangde een verklaring van erfrecht. [Verdachte] wilde de tegoeden in handen krijgen. Zij wilde niet dat de tegoeden in handen zouden komen van [vader benadeelde A] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de enig erfgenaam, zijn minderjarige zoon [benadeelde A]. [Medeverdachte B] zou zorgen dat de tegoeden zouden worden uitgekeerd op de rekening van [verdachte]. [Medeverdachte B] kwam op het idee de nalatenschap door [vader benadeelde A] in diens hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde A] te laten verwerpen. [Verdachte] en [medeverdachte A] zouden dan als wettelijk erfgenamen de beschikking krijgen over de tegoeden van erflaatster.

[Medeverdachte B] heeft vervolgens een boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] opgemaakt, met een negatief saldo van 18.367,18 euro. De tegoeden bij de bank in [plaats] waren niet in de boedelbeschrijving opgenomen.

Over de boedelbeschrijving en de verwerping van de nalatenschap heeft een bespreking in de woning van [vader benadeelde A] in [plaats] plaatsgevonden waarbij [getuige 4] (opa van [benadeelde A]), [medeverdachte A], [medeverdachte B], [benadeelde A], [vader benadeelde A] en de gezinsvoogd van [benadeelde A] aanwezig waren. In ieder geval [getuige 4], [medeverdachte B] en [medeverdachte A] hebben tijdens die bespreking het woord gevoerd. Ter sprake is gekomen dat [benadeelde A] bij aanvaarding van de nalatenschap met schulden zou blijven zitten, gelet op het negatieve saldo van de boedelbeschrijving. [Medeverdachte B] heeft uiteen gezet dat erflaatster schulden had en drong aan op ondertekening van formulieren tot verwerping van de nalatenschap. [Medeverdachte A] heeft aangegeven dat zij het niet terecht vond als [benadeelde A] met schulden zou blijven zitten. [Vader benadeelde A] heeft op 8 december 2003 in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [benadeelde A] de boedelbeschrijving getekend. Hij heeft in diezelfde hoedanigheid het door [medeverdachte B] opgestelde verzoekschrift aan de kantonrechter om een machtiging te verlenen de nalatenschap te verwerpen getekend. Het verzoekschrift is gedateerd op 8 januari 2004. De kantonrechter heeft op 13 januari 2004 de gevraagde machtiging afgegeven. De nalatenschap is op 15 januari 2004 door [vader benadeelde A] verworpen.

Na de verwerping van de nalatenschap door [vader benadeelde A] is de nalatenschap zuiver aanvaard door [verdachte] en [medeverdachte A]. Op basis van deze aanvaarding is een verklaring van erfrecht opgemaakt, volgens welke [verdachte] recht heeft op ¾ deel van de nalatenschap en [medeverdachte A] op ¼ deel.

In juli 2004 zijn [bank] en [levensverzekeringsmaatschappij] in [plaats], nadat de verklaring van erfrecht aan hen was overgelegd, in overeenstemming met hetgeen daaromtrent was vermeld in de verklaring van erfrecht overgegaan tot overmaking van de tegoeden op de aan erflaatster toebehoord hebbende rekeningen aan [verdachte] en [medeverdachte A].

Door [bank] is op een rekening van [verdachte] een bedrag van 77.240,9230 euro en een hoeveelheid van 94.000 obligaties (waarvan de koers op 13 juli 2004 1,07560 bedroeg) overgemaakt. [Levensverzekeringsmaatschappij] heeft op deze rekening van [verdachte] een bedrag van 301.676,47 euro overgemaakt. Aan [medeverdachte A] is door [bank] een bedrag van 25.746,97 euro en een hoeveelheid van 31.000 obligaties (waarvan de koers op 13 juli 2004 1,07560 bedroeg) overgemaakt. Door [levensverzekeringsmaatschappij] is een bedrag van 100.558,82 euro aan [medeverdachte A] overgemaakt.

Verweren

Ten aanzien van feit 1 zijn de volgende verweren gevoerd.

1.

In het onderhavige geval is geen inschuld teniet gedaan. De [bank] te [plaats] heeft niet bevrijdend kunnen betalen omdat zij op de hoogte was van het feit dat er iets grondig mis was met de verklaring van erfrecht nu deze uitsluitend zag op het Nederlandse deel van de nalatenschap. [Benadeelde A] zou er ook niet toe bewogen zijn zich tegenover [bank] te gedragen alsof er een inschuld teniet was gegaan. Nadat hij bekend was geworden met de feiten heeft hij immers alsnog de [bank] verzocht om hem als erfgenaam te beschouwen.

2.

De [bank] is niet door listige kunstgrepen bewogen tot afgifte van de tegoeden. Volgens de verdediging heeft de bank uitgebreid zelfstandig onderzoek gedaan, waarbij alle feiten zijn betrokken. [Bank] heeft vervolgens op basis van dat onderzoek bewust een keuze gemaakt om de tegoeden aan [verdachte] en [medeverdachte A] uit te keren.

3.

Er is geen sprake geweest van het voor medeplegen vereiste bewuste, op de delictsrealisering gerichte samenwerking. Bij [medeverdachte B] was bovendien geen sprake van het oogmerk van wederrechtelijke bevoordeling. In zijn beleving was er in het verleden een afspraak gemaakt tussen de bank en [verdachte] dat het vermogen bij vooroverlijden van haar dochter naar haar, [verdachte] zou terugvloeien. [Verdachte] had dus recht op het geld en de bevoordeling van [verdachte] was dus niet wederrechtelijk.

4.

De levensverzekering viel buiten de nalatenschap en zou direct aan [benadeelde A] moeten worden uitgekeerd. Daarom zou het weglaten van deze post in de boedelbeschrijving niet listiglijk of bedrieglijk zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ad 1

Door de hiervoor beschreven handelwijze met als resultaat de verwerping van de nalatenschap door [benadeelde A] is op zich een rechtsgeldige verklaring van erfrecht tot stand gekomen. Een verwerping van een nalatenschap is onherroepelijk, werkt terug tot het moment van het openvallen der nalatenschap en kan niet worden vernietigd op grond van dwaling. Zie artikel 4:190 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek.

Op grond van en in overeenstemming met de rechtsgeldige verklaring van erfrecht heeft de [bank] de tegoeden van erflaatster uitgekeerd aan [verdachte] en [medeverdachte A].

Het hof is van oordeel dat onder het tenietdoen van een inschuld in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht tevens valt de verwerping van een nalatenschap, immers de vordering (inschuld) die [benadeelde A] als erfgenaam op de [bank] had, is door de verwerping van de nalatenschap teniet gedaan.

[Bank] heeft uitgekeerd in overeenstemming met een rechtsgeldige verklaring van erfrecht, terwijl de verklaring van erfrecht bovendien juist weergaf wie erfgenamen waren. [Bank] was niet alleen bevoegd maar zelfs verplicht aan de in de verklaring van erfrecht vermelde erfgenamen uit te betalen of uit te keren. Van schending in dit verband van enige zorgplicht aan de zijde van de bank is derhalve geen sprake. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Ad 2.

Uit het onder 1 overwogene volgt dat [bank] gewoon haar contractuele verplichtingen is nagekomen en dat er geen sprake is geweest van oplichting van de bank. Diegenen die zich als erfgenamen presenteerden waren ook de erfgenamen. Dat zij die hoedanigheid op slinkse wijze en door misleiding van de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige zoon van erflaatster hadden verkregen, regardeert de bank niet en kan aan dit oordeel niet afdoen. De conclusie moet zijn dat het verweer van de verdediging slaagt, zij het op andere gronden dan door de verdediging aangevoerd, en dat verdachte dient te worden vrijgesproken van dat deel van het tenlastegelegde dat ziet op de oplichting van de [bank] en [levensverzekeringsmaatschappij].

Ad 3 en 4.

Na het overlijden van erflaatster zijn [verdachte] en [medeverdachte A] met [medeverdachte B] naar [plaats] gereisd om de tegoeden van erflaatster op te halen, althans over te laten maken op hun respectieve rekeningen. Van de bank kregen zij te horen dat dit niet zo maar ging. De bank wilde de tegoeden slechts doen toekomen aan “de erfgenamen” en vroeg daarom om een verklaring van erfrecht. [Verdachte] heeft vervolgens laten weten dat het voor haar onaanvaardbaar was dat de gelden naar [benadeelde A] zouden gaan en dat "er geen cent naar die zigeuners mocht''. [Medeverdachte B] zou toen met een idee zijn gekomen om ervoor te zorgen dat het geld toch aan [verdachte] zou worden uitgekeerd.

Uit vorenstaande feiten en omstandigheden leidt het hof af dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachten, gericht op de tenlastegelegde wederechtelijke bevoordeling.

Het hof is van oordeel dat verdachte op zijn minst het voorwaardelijke opzet had dat ook zij door de oplichting bevoordeeld zou worden. Zij wist immers, of heeft althans de aanmerkelijk kans aanvaard, dat zij door de nalatenschap van haar zus te aanvaarden na de verwerping daarvan door [benadeelde A], als erfgenaam zou meedelen in de erfenis van haar zus.

De verweren ad 3 en 4 worden dan ook verworpen.

Ten aanzien van feit 2 is het volgende verweer gevoerd.

Het verwerven en/of voorhanden hebben van de in de tenlastelegging onder 2 bedoelde geldbedragen is zodanig inherent aan de in de tenlastelegging onder 1 bedoelde afgifte van diezelfde bedragen aan dezelfde personen als degenen die door die afgifte die geldbedragen hebben verworven en/of voorhanden hebben gekregen, dat dat geen verwerven of voorhanden hebben in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht oplevert.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2 juli 2007 (NJ 2008, 16) bepaald dat gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht, als gevolg van de eigen aard van het in die bepaling omschreven misdrijf, de herkomst van het voorwerp uit een eigen misdrijf niet aan een veroordeling wegens witwassen in de weg behoeft te staan. Voor de stelling dat bedragen niet door dezelfde persoon geïnd én witgewassen kunnen worden, kan geen steun gevonden worden in het recht.

Het hof is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van witwassen in de zin van artikel 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

zij in de periode van 11 december 2003 tot en met de maand juli 2004 te [pleegplaats] telkens tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels,

- benadeelde A en diens wettelijk vertegenwoordiger [vader benadeelde A] heeft bewogen tot het teniet doen van een inschuld, bestaande in de verwerping van de nalatenschap van [erflaatster] en daarmee het afzien van aan die [erflaatster] toebehoord hebbende geldtegoeden van 243.129,49 euro of daaromtrent bij de [bank] en van 402.235,29 euro of daaromtrent bij [levensverzekeringsmaatschappij], en [vader benadeelde A] en [benadeelde A] heeft bewogen tot de afgifte van een (door [vader benadeelde A] ondertekend) verzoek tot machtiging tot verwerping van de aan de destijds minderjarige benadeelde A toebehorende erfenis van [erflaatster]

hierin bestaande dat verdachte en verdachtes mededaders met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van voornoemde erflaatster een boedelbeschrijving met een negatief saldo hebben opgemaakt en/of overgelegd en/of heeft/hebben doen opmaken en/of doen overleggen, waardoor die [benadeelde A] en [vader benadeelde A] werden bewogen tot bovenomschreven teniet doen van genoemde inschuld (bestaande in de verwerping van voornoemde nalatenschap);

2.

zij in de periode van 13 juli 2004 tot en met 24 januari 2005, te [pleegplaats]

voorwerpen, te weten

- een geldtegoed/-bedrag van 301.676,47 euro of daaromtrent en

- een geldtegoed/-bedrag van 105.386,48 euro of daaromtrent, althans een

hoeveelheid vast renderende obligaties, en,

- een geldtegoed/-bedrag van 77.240,92 euro of daaromtrent,

heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Medeplegen van oplichting.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Witwassen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft samen met anderen op slinkse wijze haar kleinzoon [benadeelde A] en zijn vader als diens wetttelijk vertegenwoordiger er toe bewogen om afstand te doen van de nalatenschap van zijn moeder. Verdachte wilde voorkomen dat de nalatenschap bij de (familie van de) vader van [benadeelde A] in handen zou komen. Met hulp van haar “juridisch adviseur” is een plan bedacht om een en ander voor elkaar te brengen. De juridisch adviseur heeft een boedelbeschrijving opgemaakt, die in strijd met de werkelijkheid uitkwam op een negatief saldo. De aanmerkelijke banktegoeden op de bankrekeningen van de moeder van [benadeelde A] zijn ten onrechte niet in de boedelbeschrijving opgenomen. Tijdens een familiebijeenkomst hebben, met kennelijk medeweten van verdachte, haar medeverdachten het tegenover [benadeelde A] en zijn wettelijke vertegenwoordiger doen voorkomen dat hij, als hij de nalatenschap van zijn moeder zou aanvaarden, met grote schulden zou blijven zitten. [Benadeelde A] heeft vervolgens de nalatenschap van zijn moeder verworpen. Verdachte en haar dochter [medeverdachte A], de tante van [benadeelde A], hebben vervolgens de nalatenschap aanvaard, zodat de erfenis bij hen terecht is gekomen.

Het hof is van oordeel dat het hier om een kwalijke zaak gaat. [Benadeelde A] is niet alleen in financieel opzicht ernstig benadeeld, maar ook emotioneel. Verdachte heeft op een volstrekt ongeoorloofde wijze het recht naar haar hand proberen te zetten.Gelet op de ernst van de feiten acht het hof in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden passend.

Ter terechtzitting in hoger beroep is echter door en namens verdachte aangevoerd – en dit is ook aannemelijk geworden – dat verdachte met ernstige gezondheidsproblemen kampt. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou haar daarom onevenredig zwaar treffen. Ook een taakstraf in de vorm van een werkstraf lijkt niet goed tot de mogelijkheden te behoren. Het hof heeft voorts gelet op de leeftijd van verdachte en het feit dat zij, zoals blijkt uit een verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 oktober 2009, niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Het hof ziet hierin redenen om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur en een forse onvoorwaardelijke geldboete op te leggen.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde A]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt 645.364,78 euro. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet toegewezen. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering. Ter terechtzitting op 3 november 2009 heeft de raadsman van de benadeelde partij, mr W.J.E. Hendriks, de vordering van de benadeelde partij ingetrokken. Daarom is de vordering niet langer aan het oordeel van het hof onderworpen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 47, 57, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 75.000,00 (vijfenzeventigduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr Y.A.J.M. van Kuijck, voorzitter,

mr C.G. Nunnikhoven en mr R.H. Koning, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr A.B. de Wit, griffier,

en op 17 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.