Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL9037

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
01-12-2009
Datum publicatie
26-03-2010
Zaaknummer
200.005.218
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Werkgeversaansprakelijkheid voor OPS. Bewijslastverdeling.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 150
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2010/83
AR-Updates.nl 2010-0294
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.005.218

(zaaknummer rechtbank: 274673 CV 06-1209)

arrest van de vijfde civiele kamer van 1 december 2009

inzake

1. [appellante sub 1],

2. [appellant sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

1. de vennootschap onder firma [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 27 juli 2006, 12 oktober 2006, 24 mei 2007 en 24 januari 2008, die de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg) tussen appellanten (hierna ook te noemen: [appellanten]) als eisers en geïntimeerden (hierna ook te noemen: [geïntimeerden]) als gedaagden heeft gewezen; van die vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellanten] hebben bij exploot van 23 april 2008 [geïntimeerden] aangezegd van de vonnissen van 24 mei 2007 en 24 januari 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerden] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven hebben [appellanten] zes grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, hebben zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij hebben gevorderd dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren arrest, alsnog hun vordering zal toewijzen, althans [geïntimeerden] zal toelaten tot het bewijs van het voldoen aan haar zorgplicht, zonodig gecombineerd met de bewijslast van het tegendeel van het causaal verband, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van beide instanties.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerden] de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden en nieuwe producties in het geding gebracht. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de bestreden vonnissen zal bekrachtigen, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van [appellanten] in de kosten van het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 12 oktober 2006 onder 2.1 tot en met 2.10 alsmede in het tussenvonnis van 24 mei 2007 onder 2.1 en 2.2 feiten vastgesteld. Aangezien daartegen geen grieven zijn aangevoerd of bezwaren zijn geuit, zal het hof in hoger beroep ook van die feiten uitgaan.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In eerste aanleg heeft [appellante sub 1] -de weduwe van [A]- kort samengevat de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] en haar vennoten gevorderd tot betaling van alle -vererfde- geleden schade, zowel materieel als immaterieel, alsmede de schade door het derven van levensonderhoud, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, een en ander nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet alsmede tot betaling van een bedrag van € 100.000,00 ter zake van voorschot op die schade en heeft [appellant sub 2] -de zoon van de overleden [A]-, de schade door het derven van levensonderhoud gevorderd, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, een en ander met de hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerden] en haar vennoten in de kosten van de procedure. [appellanten] hebben kort gezegd aan die vordering ten grondslag gelegd dat [appellant sub 2] leed aan het Organo Psycho Syndroom (OPS) tengevolge van de blootstelling aan oplosmiddelen. Hij heeft die gezondheidsschade opgelopen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking bij [geïntimeerden] en [geïntimeerden] is in gebreke gebleven maatregelen te nemen om de door [appellant sub 2] opgelopen schade te voorkomen, aldus [appellanten].

4.2 Nadat in het tussenvonnis van 12 oktober 2006 de kantonrechter het beroep van [geïntimeerden] op verjaring van de vordering had verworpen, heeft de kantonrechter in het tussenvonnis van 24 mei 2007 beslist dat op [appe[appellant sub 2] de bewijslast rust dat [appellant sub 2] leed aan OPS en dat hij die aandoening heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst bij [geïntimeerden]. [appellanten] zijn daarom in dat tussenvonnis toegelaten tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat [appellant sub 2] de door [appe[appellant sub 2] gestelde werkzaamheden onder de door hen gestelde omstandigheden en in de door hen gestelde mate heeft verricht, de door hen gestelde middelen in de door hen gestelde mate heeft gebruikt en dat [appellant sub 2] vier maal per dag zijn handen met terpentine waste. Daarop hebben [appellanten] twee getuigen doen horen en [geïntimeerden] in het tegengetuigenverhoor één getuige.

4.3 In het tussenvonnis van 24 januari 2008 heeft de kantonrechter geoordeeld dat [appellanten] voor een deel in het bewijs zijn geslaagd. De kantonrechter heeft geoordeeld welke feiten en omstandigheden op grond van de getuigenverklaringen zijn komen vast te staan en welke niet. Vervolgens heeft de kantonrechter geoordeeld dat van de aldus vastgestelde relevante feiten en omstandigheden voor de verdere beoordeling van de zaak moet worden uitgegaan en dat, nu de bewijslast van de stelling dat [appellant sub 2] leed aan OPS en dat hij die aandoening heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden in dienst van [geïntimeerden] op [appellanten] rust, in dat kader het voornemen bestaat één of meer deskundigen te benoemen om een onderzoek in te stellen.

4.4 De door [appellanten] opgeworpen grieven zullen gezamenlijk worden besproken. Het hoger beroep richt zich in de kern tegen de beslissing van de kantonrechter met betrekking tot de op [appellanten] rustende bewijslast. Het hof overweegt daarover het volgende.

4.5 [appellanten] stellen dat [appellant sub 2] leed aan OPS, en dat hij deze heeft opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij [geïntimeerden]. De gestelde aansprakelijkheid van [geïntimeerden] dient daarom beoordeeld te worden aan de hand van artikel 7:658 BW, waarin is bepaald dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.

In beginsel dient de werknemer die zijn werkgever aansprakelijk stelt overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv, te stellen en bij betwisting te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden alsmede dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden. Ten aanzien van het causaal verband betogen [appellanten], onder verwijzing naar hetgeen de Hoge Raad op dit punt heeft overwogen in zijn arresten van 17 november 2000 (NJ 2001, 596 Unilever/Dikmans) en 23 juni 2006 (NJ 2006, 354 Havermans/Luyckx), dat het in het onderhavige geval niet op hun weg ligt om bewijs te leveren. Zij stellen dat zij aan de op hun rustende stelplicht en bewijslast hebben voldaan, zodat de kantonrechter de vordering had moeten toewijzen dan wel [geïntimeerden] had moeten toelaten tot het bewijs dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan eventueel in combinatie met de bewijslast van het tegenbewijs van het causaal verband.

4.6 In de hiervoor genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad (zie ook Hoge Raad 9 januari 2009, LJN BF 8875, JAR 2009,38 Landskroon/BAM) is geoordeeld dat wanneer een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen, het door de werknemer te bewijzen oorzakelijk verband moet worden aangenomen indien de werkgever heeft nagelaten de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Het is in dat geval de plicht van de werkgever om nader aan te geven of en zo ja, welke maatregelen zij in dit opzicht heeft getroffen. Voor toepassing van die regel van bewijslastverdeling is nodig dat de werknemer niet alleen stelt en zonodig bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid, maar ook dat hij stelt en zonodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten welke door deze omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. De enkele omstandigheid dat een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan voor de gezondheid gevaarlijke stoffen rechtvaardigt dan ook niet de toepassing van die regel.

4.7 Dat betekent dat de enkele blootstelling aan gevaarlijke stoffen van [appellant sub 2] tijdens de werkzaamheden -ook al is deze door [geïntimeerden] erkend- dus niet voldoende is om tot toepassing van de regel van bewijslastverdeling zoals hiervoor bedoeld te komen, zolang over de omvang en mate waarin [appellant sub 2] aan die stoffen is blootgesteld geen duidelijkheid bestaat. Het moet immers gaan om een zodanige mate van blootstelling dat daardoor de gezondheidsklachten kunnen zijn veroorzaakt. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat die conclusie niet getrokken kan worden uit de door [appellanten] overgelegde stukken.

4.8 De door [appellant sub 2] geraadpleegde deskundigen zijn bij hun onderzoeken naar de door [appellant sub 2] gestelde gezondheidsklachten uitgegaan van een relevante mate van blootstelling van [appellant sub 2] aan schadelijke stoffen gedurende zijn dienstverband bij [geïntimeerden]. Geen van deze deskundigen echter heeft daarnaar zelfstandig onderzoek verricht. [appellanten] stellen dat de deskundige Van Strien uitgaat van een langdurige blootstelling aan neurotoxische stoffen -hetgeen overigens ook door [geïntimeerden] wordt erkend-, waarvoor hij zich baseert op door [geïntimeerden] zelf aan haar verzekeraar verstrekte gegevens. Die stelling kan [appellanten] niet baten, daar Van Strien opmerkt dat over de intensiteit van de blootstelling weinig valt te zeggen. Daarom is het niet mogelijk de conclusie te trekken dat sprake is geweest van een zodanige blootstelling dat daardoor de geconstateerde gezondheidsklachten kunnen zijn ontstaan. Pas als meer bekend zou zijn over de mate waarin [appellant sub 2] aan de schadelijke stoffen is blootgesteld, kan onderzocht worden of die concrete blootstelling bij [appellant sub 2] heeft kunnen leiden tot de gestelde gezondheidsklachten. Partijen verschillen van mening over de mate waarin [appellant sub 2] aan de schadelijke stoffen is blootgesteld. Om die reden heeft de kantonrechter bewijs opgedragen aan [appellant sub 2]. De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 24 januari 2008 aangegeven welke feiten en omstandigheden met betrekking tot de aard en omvang van de werkzaamheden waarbij [appellant sub 2] aan de schadelijke stoffen is blootgesteld uit de getuigenverhoren naar voren zijn gekomen en wat in dat verband is komen vast te staan.

Met die feiten en omstandigheden als uitgangspunt kan van een bepaalde bandbreedte van blootstelling worden uitgegaan. Een eventueel te benoemen deskundige kan vervolgens onderzoek doen naar de vraag of een blootstelling binnen die bandbreedte de bij [appellant sub 2] geconstateerde gezondheidsklachten kan hebben veroorzaakt.

4.9 Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat voor toepassing van de in het arrest van de Hoge Raad van 17 november 2001, NJ 2001, 596 genoemde regel van bewijslastverdeling geen grond bestaat. Zoals reeds is overwogen ligt het dan overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv op de weg van [appellanten] om te bewijzen dat hij schade heeft geleden tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden alsmede dat er een causaal verband bestaat tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden.

4.10 [appellanten] hebben in hoger beroep nog gesteld dat op grond van de getuigenverhoren ook is komen vast te staan dat onder de voorkomende werkzaamheden van [appellant sub 2] ook vielen voorbereidende werkzaamheden, waaronder het afbijten, afschuren, plamuren en grondverven. Vast staat inderdaad dat [appellant sub 2] ook dergelijke voorbereidende werkzaamheden heeft verricht -[geïntimeerden] heeft dat ook erkend- maar anders dan [appellanten] betogen is daarmee niet komen vast te staan dat en evenmin in welke mate [appellant sub 2] tijdens die werkzaamheden was blootgesteld aan schadelijke stoffen.

4.11 De slotsom is dat de grieven niet kunnen leiden tot vernietiging van de bestreden vonnissen, zodat deze zullen worden bekrachtigd. Het hof zal de zaak ter verdere behandeling en beslissing terugverwijzen naar de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg). Als de in het ongelijk gestelde partij zullen [appellanten] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg) van 24 mei 2007 en 24 januari 2008,

verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing terug naar de kantonrechter (rechtbank Zutphen, sector kanton, locatie Terborg),

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk, in die zin dat wanneer de een het gehele bedrag betaalt, de ander van betaling is bevrijd, in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerden] begroot op € 894,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,00 voor griffierecht,

verklaart dit arrest voor zover het de gegeven proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, C.J.H.G. Bronzwaer en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

1 december 2009.