Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL7447

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
19-03-2010
Zaaknummer
200.021.466
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Voorlopige dekking gemist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2010/67

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.021.466

(zaaknummer rechtbank 144071)

arrest van de tweede civiele kamer van 3 november 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen,

tegen:

de naamloze vennootschap RVS Schadeverzekering N.V.,

gevestigd te Ede,

geïntimeerde,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 31 januari 2007 en 24 september 2008 die rechtbank Arnhem tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant] als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: RVS) als gedaagde heeft gewezen; van het vonnis van 24 september 2008 is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 12 december 2008 RVS aangezegd van het vonnis van 24 september 2008 in hoger beroep te komen, met dagvaarding van RVS voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven teven houdende voorwaardelijke akte aanvulling der grondslag heeft [appellant] vier grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden, nieuwe producties in het geding gebracht en de grondslag van zijn vordering voorwaardelijk (voor het geval de grieven niet zouden leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis) gewijzigd. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, voor recht zal verklaren dat RVS (in haar hoedanigheid van werkgeefster van [A]) jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantietussenpersoon, en RVS, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar verklaard bij voorraad, zal veroordelen tot vergoeding aan [appellant] van de daardoor veroorzaakte schade, te vermeerderen met de wettelijke rente, welke schade nader bij staat zal moeten worden opgemaakt en worden vereffend volgens de wet, met veroordeling van RVS in de kosten van de procedures in beide instanties, die van het voorlopige getuigenverhoor daaronder begrepen, en met veroordeling van RVS in de nakosten ad € 131,-- of althans in geval van betekening van het arrest ad € 199,--, met bepaling dat over de proceskosten en de nakosten de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van 14 dagen na de dag van het in deze te wijzen arrest.

2.3 Bij memorie van antwoord tevens antwoordakte heeft RVS de grieven bestreden en heeft zij bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Op grond van hetgeen enerzijds is gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, staan vast de feiten die de rechtbank in haar vonnis van 24 september onder 2.1 tot en met 2.14 heeft vermeld.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 [appellant] verwijt [A] dat hij jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon. Hij houdt RVS, als werkgeefster van [A], voor dat handelen aansprakelijk.

4.2. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij op 5 april 2004 een aanvraagformulier, zoals bedoeld in rechtsoverweging van 2.4 van het bestreden vonnis, heeft ingevuld en hij verwijt [A] dat hij dat aanvraagformulier niet heeft doorgestuurd aan Nationale Nederlanden. Voor zover er op 5 april 2004 geen aanvraagformulier zou zijn ingevuld, verwijt [appellant] [A] dat hij dat aanvraagformulier niet heeft gebruikt. [A] was bekend met de aanvraagformulieren die Nationale Nederlanden speciaal voor arbeidsongeschiktheidsverzekeringen hanteerde. [appellant] stelt dat [A] het voor de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsverzekering geëigende formulier had dienen te gebruiken. Indien [A] het aanvraagformulier had laten invullen en (tijdig) had opgestuurd aan Nationale Nederlanden, zou er ten tijde van het fatale ongeval op 26 april 2004 sprake zijn geweest van een voorlopige dekking van [appellant]. De voorlopige dekking zou op 5 april 2004 zijn ingegaan. Op het aanvraagformulier staat op de laatste pagina namelijk vermeld:

“Gratis voorlopige dekking ongevallenrisico

Met de acceptatie van een nieuwe arbeidsongeschiktheidsverzekering (of de uitbreiding van een reeds bestaande arbeidsongeschiktheidsverzekering) kan vanwege het medische traject enige tijd gemoeid zijn. In deze periode verlenen wij gratis voorlopige dekking voor arbeidsongeschiktheid als rechtstreeks en uitsluitend gevolg van een ongeval.

Als het aanvraagformulier door de maatschappij uiterlijk 4 dagen na ondertekening wordt ontvangen gaat de voorlopige dekking in op het moment van ondertekening.

Als het aanvraagformulier later dan 4 dagen na ondertekening door de maatschappij wordt ontvangen, gaat de voorlopige dekking pas in op het moment van ontvangst.”

Door het formulier niet te gebruiken, doch slechts een telefonische aanvraag voor een offerte te doen, zoals RVS stelt, heeft [A] de belangen van [appellant] geschaad, aldus [appellant]. [appellant] heeft voorwaardelijk, voor zover de grieven niet zouden leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis, als nieuwe grondslag van zijn vordering aangevoerd dat [A] de offerte al op 14 april 2004 binnen moet hebben gehad. Waarom kon [A] anders op die dag bericht aan [appellant] sturen dat hij op 20 april 2004 met de offerte langs wilde komen. Waarschijnlijk is er iets tussen gekomen bij [A], aldus [appellant], zodat [A] de afspraak heeft moeten verzetten. Ook hier is [A] volgens [appellant] jegens hem tekortgeschoten in de uitvoering van zijn dienstverlening als assurantiepersoon.

4.3 De rechtbank heeft geoordeeld dat [A] jegens [appellant] niet toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon. De grieven II en III richten zich tegen dit oordeel. Zij leggen de vraag of [A] jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in volle omvang aan het hof voor.

4.4 Vooropgesteld zij dat, indien [A] toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [appellant], RVS als werkgeefster van [A] jegens [appellant] aansprakelijk is voor de door [appellant] ten gevolge van die tekortkoming geleden schade.

4.5 Het hof stelt voorop dat het belang van [appellant] bij het ondertekenen en opsturen van het aanvraagformulier evident is. Indien [appellant] het aanvraagformulier op 5 april 2004 zou hebben ondertekend en het direct zou zijn opgestuurd aan Nationale Nederlanden, zou [appellant] vanaf het moment van ondertekenen (voorlopig) dekking hebben gehad zonder dat aan die voorlopige dekking kosten waren verbonden. Gelet op het evidente belang van [appellant] bij die voorlopige dekking is het hof van oordeel dat [A] [appellant] in beginsel had moeten adviseren het aanvraagformulier in te vullen en op te sturen naar Nationale Nederlanden. Alleen wanneer er een goede reden was om eerst telefonisch een offerte aan te vragen in plaats van direct een aanvraagformulier in te dienen, is [A] niet toerekenbaar tekortgeschoten jegens [appellant]. Het hof passeert de stelling van RVS dat [appellant] geen haast had met de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In het algemeen is het zo dat wanneer men eenmaal besloten heeft een verzekering af te sluiten, men de dekking daarvan als regel zo snel mogelijk wil laten ingaan. Het belang en de urgentie van dekking voor [appellant] blijkt ook hieruit dat [A] [appellant] al een jaar eerder had geadviseerd om een arbeidsongeschiktheidverzekering af te sluiten en [appellant] daarop nu kennelijk terugkwam.

4.6 Het hof is van oordeel dat RVS geen steekhoudende argumenten heeft gegeven waarom [A] op 5 april 2004 (volgens eigen zeggen) slechts een mondelinge offerte heeft aangevraagd en niet een aanvraagformulier heeft opgestuurd aan Nationale Nederlanden. De stelling van RVS dat er eerst duidelijkheid diende te bestaan over de hoogte van de premie, voordat het aanvraagformulier kon worden opgestuurd, kan het hof om verschillende redenen niet volgen.

4.7 In de eerste plaats heeft [appellant] gesteld (inleidende dagvaarding, punt 5) dat [A] hem als indicatie van de premie een bedrag van ongeveer € 600,-- per maand heeft genoemd en dat hij bereid was om die premie te betalen. Als getuige heeft [appellant] verklaard dat [A] hem als indicatie een bedrag van € 580,-- heeft genoemd.

RVS stelt zich daarentegen op het standpunt dat er sprake was van een aanzienlijke bandbreedte waarbinnen de premie zich zou kunnen bevinden, namelijk tussen de € 400,-- en € 600,-- per maand. In de verklaring van [A] is voor deze stelling echter onvoldoende steun te vinden. [A] verklaart: “Ik heb eerder verklaard dat ik op 5 april tegen [appellant] heb gezegd dat de premie tussen de 400 en 600 zou bedragen, Ik kan mij dat niet zo specifiek herinneren, maar zo doe ik dat altijd, en ik weet wat de gangbare bedragen zijn voor een dergelijke verzekering”

Uit de verklaring van [A] blijkt niet duidelijk dat hij een bandbreedte heeft genoemd van € 400,-- tot € 600,--, maar wel dat hij de voor deze verzekering gangbare premiebedragen heeft genoemd. Nu het door [appellant] genoemde bedrag van € 580,-- in de buurt komt van de offerte van Nationale Nederlanden (die een premie noemt van € 7.397,-- op jaarbasis), is het hof van oordeel dat in die offerte en in de verklaring van [A] steun kan worden gevonden voor de verklaring van [appellant] dat [A] aan hem het bedrag van € 580,--, althans van ongeveer € 600,--, als indicatie voor de premie heeft genoemd. Aldus kan de verklaring van [appellant] (in de zin van artikel 164 lid 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering) strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. Op deze gronden acht het hof bewezen dat [A] aan [appellant] een premiebedrag van € 580,--, althans een bedrag van ongeveer € 600,-- heeft genoemd.

RVS heeft verder onvoldoende gemotiveerd betwist dat [appellant] bereid was om dat bedrag voor de verzekering te betalen. Zij heeft haar betwisting op dit punt niet onderbouwd, terwijl uit de getuigenverklaring van [A] kan worden afgeleid dat het door hem genoemde premiebedrag [appellant] niet afhield van zijn wens de verzekering af te sluiten. Op die grond neemt het hof aan dat [appellant] bereid was om het door [A] genoemde bedrag te betalen. Gelet hierop en nu [A] als getuige heeft verkaard dat hij wist wat de gangbare bedragen voor een dergelijke (arbeidsongeschiktheids-)ver-zekering waren, valt niet te begrijpen dat RVS stelt dat [appellant] eerst meer duidelijkheid wilde hebben over de premie.

4.8 Daarbij komt dat een mondeling aangevraagde offerte in beginsel slechts inzicht zou kunnen geven in de hoogte van de premie bij standaardacceptatie. De precieze hoogte van de door [appellant] te betalen premie (en wellicht nader door de verzekeraar te stellen voorwaarden en/of uitsluitingen) is immers, zo blijkt ook uit de offerte van Nationale Nederlanden, afhankelijk van de specifieke gegevens omtrent het te verzekeren risico. Dat risico wordt door de verzekeraar, in dit geval Nationale Nederlanden, beoordeeld aan de hand van het aanvraagformulier, de gezondheidsverklaring en, zo nodig, aan de hand van een medische keuring.

4.9 De wijze waarop de indiening van een aanvraagformulier dient te worden gekwalificeerd hangt af van de omstandigheden van het geval, zoals onder meer kan worden afgeleid uit (de conclusie bij het) arrest van de Hoge Raad van 25 februari 1994, VR 1994, 241 en uit het arrest van de Hoge Raad van 29 april 2005, LJN: AT4893. Het laatste arrest heeft betrekking op een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. De Hoge Raad wijdt in het laatste arrest in rechtsoverweging 3.3.1 echter in algemenere zin een overweging aan de kwalificatie van het aanvraagformulier. Rechtsoverweging 3.3.1 luidt als volgt:

“Bij de totstandbrenging van kapitaalverzekeringen met lijfrenteclausule wordt veelvuldig gebruik gemaakt van een aanvraagformulier, dat door een bepaalde op dat formulier aangeduide verzekeringsmaatschappij ter beschikking wordt gesteld. Inzending van een dergelijk aanvraagformulier door de aspirant-verzekeringnemer aan de daarin aangeduide verzekeringsmaatschappij kan, afhankelijk niet alleen van de tekst van het formulier maar ook van de overige omstandigheden van het geval, in het hiervoor beschreven wettelijk kader [nl. de artikelen 6:217 lid 1 BW en 3:37 lid 3 BW, opm. hof] de betekenis hebben hetzij van aanvaarding door de aspirant-verzekeringnemer van een aanbod van de verzekeringsmaatschappij, hetzij van een aanbod van de aspirant-verzekerningnemer, hetzij van een uitnodiging zijnerzijds tot het doen van een aanbod.”

4.10 Het hof is van oordeel dat bij een arbeidsongeschiktheidsverzekering als de onderhavige, waarbij de beoordeling van het risico voor de verzekeraar (en daarmee de hoogte van de premie en eventuele andere door de verzekeraar te stellen voorwaarden en/of uitsluitingen) van zoveel factoren afhankelijk is (hetgeen ook blijkt uit de uitgebreide vragenlijst in het aanvraagformulier), de inzending van het aanvraagformulier dient te worden gekwalificeerd als een uitnodiging van de aspirant-verzekeringnemer aan de verzekeraar, in dit geval Nationale Nederlanden, tot het doen van een aanbod. Ook de tekst van het aanvraagformulier biedt daarvoor steun, nu in punt 4 van het aanvraagformulier, voor zover hier van belang, wordt vermeld:

“4 Ingangsdatum

De verzekering gaat in op het tijdstip dat er tussen de aanvrager en de verzekeraar overeenstemming is bereikt over de verzekeringsvoorwaarden en/of de premie.

(…)”

Indien [A] op 5 april 2004 een door [appellant] ingevuld en ondertekend aanvraagformulier zou hebben opgestuurd, zou [appellant] daarmee naar het oordeel van het hof Nationale Nederlanden hebben uitgenodigd om hem een aanbod te doen. Ook om deze reden valt niet in te zien waarom [A] op 5 april 2004 niet een aanvraagformulier aan Nationale Nederlanden heeft opgestuurd en hij slecht telefonisch om een offerte (voor een standaardsituatie) heeft gevraagd. De mondelinge aanvraag voor een offerte kon immers slechts leiden tot (globale) informatie waarover [A] reeds beschikte, terwijl inzending van het aanvraagformulier inzicht zou hebben gegeven in de precieze hoogte van de premie (en eventuele aanvullende voorwaarden en/of uitsluitingen). In het laatste geval zou [appellant] bovendien per 5 april 2004 voorlopige dekking hebben gehad.

4.11 Uit de getuigenverklaring van [B] (hierna te noemen: [B]), tot 1997 als RVS-adviseur bij RVS in loondienst, kan verder worden afgeleid dat de keuze van [A] voor een telefonische offerte bij RVS ook niet gebruikelijk was. [B] verklaart:

“Het formulier van NN bij het verzoekschrift is hetzelfde als het formulier dat in 2004 gebruikt werd. Formulieren wijzigen wel eens, maar die slotverklaring waar het hier om gaat, is niet gewijzigd. Uit de slotverklaring blijkt, dat als je het formulier ondertekent, er een voorlopige dekking gaat lopen voor ongevallen. Zo’n aanvraagformulier wordt pas ondertekend als de premie bekend is. Zo’n premie is dan wat berekend wordt op basis van een normale acceptatie.

(…)

Als ik een uitdraai van een AOV maak, dan noem ik daar altijd bij de premie die op basis van een normale acceptatie zou gelden.(…)Ik maak zelf offertes voor de verzekeraar.Ik gebruik daarvoor programma’s van een extern softwarehuis die alle maatschappijen in zijn programma heeft verwerkt.(…)

Een verzekeringsaanvraag wordt altijd via een aanvraagformulier gedaan en niet telefonisch. (…)”

Uit de verklaring van [B] volgt dat hij zelf op de hoogte was van de premies die op basis van een normale acceptatie zouden gelden. Hij informeerde cliënten over de hoogte van die premie en liet hen vervolgens een aanvraagformulier invullen dat hij opstuurde naar de verzekeringsmaatschappij. Volgens hem werd een verzekeringsaanvraag altijd via een aanvraagformulier gedaan en niet telefonisch. RVS heeft de verklaring van [B] niet bestreden en heeft niet toegelicht waarom [A] in dit geval niet heeft gehandeld zoals kennelijk bij RVS gebruikelijk was.

4.12 Op grond van hetgeen het hof onder de punten 4.5 en verder heeft overwogen is het hof van oordeel dat van [A], door op 5 april 2004 niet een aanvraagformulier aan Nationale Nederlanden toe te zenden, bij het verzorgen van de arbeidsongeschiktheids-verzekering niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend tussenpersoon verwacht mocht worden. Op deze grond is hij jegens [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten in zijn zorgverplichting als assurantietussenpersoon. De grieven II en III slagen op deze gronden. RVS is als werkgeefster van [A] jegens [appellant] aansprakelijk voor de door hem ten gevolge van dit tekortschieten geleden schade, zodat ook grief I slaagt.

[appellant] heeft geen belang meer bij een bespreking van grief IV noch komt het hof toe aan een bespreking van de (voorwaardelijk aangevoerde) aanvullende grondslag van de vordering.

4.13 Nu de grieven I, II en III slagen, dient het bestreden vonnis dient te worden vernietigd.

Opnieuw rechtdoende zal het hof de gevorderde verklaring voor recht toewijzen.

Ook zal het hof RVS veroordelen tot vergoeding van de door [appellant] ten gevolge van de tekortkoming van [A] geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Het is aannemelijk dat [appellant] door het toerekenbaar tekortschieten van [A] schade heeft geleden. Indien het aanvraagformulier op 5 april 2004 aan Nationale Nederlanden zou zijn toegezonden, had [appellant] ten tijde van het ongeval op 26 april 2004 voorlopige dekking gehad onder de “gratis voorlopige dekking ongevallenrisico”. RVS heeft niet betwist dat [appellant] enkel en alleen ten gevolge van het ongeval blijvend letsel heeft opgelopen en daardoor niet meer in staat was en nooit meer in staat zal zijn om zijn werkzaamheden als stukadoor uit te oefenen. Het causale verband is daarmee gegeven.

4.14 Het hof passeert het in hoger beroep gedane bewijsaanbod van RVS, aangezien het bewijsaanbod hetzij betrekking heeft op stellingen die, indien bewezen, niet kunnen leiden tot een ander oordeel, hetzij, gelet op de in het kader van het voorlopig getuigenverhoor reeds gehoorde getuigen, onvoldoende gespecificeerd is.

4.15 RVS zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten

van beide instanties, daaronder begrepen de kosten van het voorlopig getuigenverhoor. De gevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar, evenals de gevorderde wettelijke rente over de toe te wijzen proceskosten, nu deze vorderingen niet worden betwist.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Arnhem van 24 september 2008 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat RVS (in haar hoedanigheid van werkgeefster van [A]) jegens [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in haar zorgplicht als assurantiepersoon zoals hiervoor beschreven;

veroordeelt RVS tot vergoeding van de door die tekortkoming veroorzaakte schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

veroordeelt RVS in de kosten van de eerste aanleg (bodemprocedure en voorlopig getuigenverhoor), tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 3.242,87, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 2.286,87 te weten:

- € 168,-- wegens in debet gesteld griffierecht;

- € 84,87 wegens exploten;

- € 2.034,-- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

en het restant ad € 956,-- aan de advocaat van [appellant] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht alsmede de getuigentaxen, dit laatste bedrag te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt RVS in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] begroot op € 894,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 388,44 voor griffierecht en kosten van de dagvaarding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt RVS in de nakosten, begroot op € 131,--, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,-- in geval RVS niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

wijst af het anders of meer gevorderde;

verklaart de voormelde veroordelingen, behoudens de veroordeling in de kosten van de eerste aanleg, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, H.C. Frankena en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

3 november 2009.