Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL7420

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
27-10-2009
Datum publicatie
15-03-2010
Zaaknummer
200.021.023
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

arrest na verwijzing door Hoge Raad, LJN AU6935, RvdW 2006, 375

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.021.023

(zaaknummer rechtbank 48639 / HA ZA 01-795)

arrest van de tweede civiele kamer van 27 oktober 2009

na verwijzing in de zaak

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F. van der Hoef,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. S.A. Roodhof.

1. Het geding in eerdere instanties

1.1 Voor het verloop van het geding tot 7 april 2006 verwijst het hof naar het door de Hoge Raad der Nederlanden op die datum in deze zaak gewezen arrest (LJN AU6935, RvdW 2006, 375). Daarin heeft de Hoge Raad op vordering van appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) het arrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 6 oktober 2004 vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar dit hof verwezen. Van dat arrest van de Hoge Raad is een kopie gehecht aan dit arrest.

1.2 In dit geding in eerdere instanties is appellant (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) steeds vertegenwoordigd geweest door zijn curator, Uilke Evert Bakker. Op 13 april 2005 is aan deze curatele een eind gekomen.

2. Het geding in hoger beroep na verwijzing

2.1 [geïntimeerde] heeft [appellant] bij exploot van 15 december 2008 aangezegd dat de Hoge Raad bij voornoemd arrest het tussen partijen op 6 oktober 2004 door het gerechtshof te Leeuwarden gewezen arrest heeft vernietigd. Hierbij heeft [geïntimeerde] [appellant] opgeroepen om ter terechtzitting van dit hof van 23 december 2008 te verschijnen, teneinde het geding te hervatten en aldus verder te procederen over zijn vorderingen in hoger beroep, die strekken tot vernietiging van de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden 20 november 2002 en 6 augustus 2003, gewezen tussen (de curator van) [geïntimeerde] als eiser/verweerder in voorwaardelijke reconventie en [appellant] als gedaagde/eiser in voorwaardelijke reconventie.

2.2 Bij memorie na verwijzing heeft [geïntimeerde] zijn standpunt uiteengezet en bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [appellant] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 20.420,11, althans hem zal veroordelen tot betaling van een zodanig bedrag als het hof juist en redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2001, althans vanaf 13 september 2001, althans vanaf een zodanige datum als het hof juist en redelijk acht, tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, alsmede in de kosten van de voorafgaande procedures bij (het hof leest:) het gerechtshof te Leeuwarden en de Hoge Raad.

2.3 Bij memorie van antwoord na verwijzing heeft [appellant] zijn standpunt uiteengezet en bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [geïntimeerde] zal afwijzen dan wel [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn vorderingen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder begrepen de proceskosten van de cassatieprocedure van € 3.099,58, een en ander zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de feiten die de rechtbank Leeuwarden in haar vonnis van 20 november 2002 heeft vastgesteld onder 2.1 tot en met 2.4.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep na verwijzing

4.1 In dit geding vorderde (de curator van) [geïntimeerde] primair afgifte van een hem toebehorende auto van het merk Rolls Royce en subsidiair vorderde hij een schadevergoeding van fl. 45.000,--, zijnde de waarde van die Rolls Royce. Ter onderbouwing van die vorderingen stelde hij dat hij deze auto had gekocht voor fl. 36.000,-- en beriep hij zich op zijn daaruit voortvloeiende eigendomsrecht. [appellant] heeft zich er in de eerdere instanties op beroepen dat hij eigenaar was geworden van de Rolls Royce doordat [geïntimeerde] deze aan hem in eigendom had overgedragen bij wijze van aanbetaling op de koopsom van een motorjacht, welk jacht [appellant] voor een bedrag van fl. 300.000,-- aan [geïntimeerde] zou hebben verkocht. In reconventie vorderde [appellant] een verklaring voor recht omtrent het bestaan van een koopovereenkomst met betrekking tot dat motorjacht.

4.2 De rechtbank heeft [appellant] belast met het bewijs van zijn stellingen dat hij het motorjacht aan [geïntimeerde] heeft verkocht voor fl. 300.000,-- en dat [geïntimeerde] bij wijze van aanbetaling op die koopsom de Rolls Royce aan [appellant] in eigendom heeft overgedragen. Na getuigenverhoor heeft de rechtbank de primaire vordering van [geïntimeerde] afgewezen, nu was vast komen te staan dat [appellant] de Rolls Royce niet meer in zijn macht had als gevolg van verkoop aan een derde. De subsidiaire vordering wees zij toe tot een bedrag van € 19.285,66 (fl. 42.500,--).

4.3 In hoger beroep heeft [appellant] grieven gericht tegen het oordeel dat het aan hem was zijn stellingen met betrekking tot de koop van het motorjacht (grief 1) en overdracht van de Rolls Royce als aanbetaling op die koop (grief 2) te bewijzen. Voorts heeft hij grieven gericht tegen het oordeel dat hij niet in zijn bewijsopdracht geslaagd was ten aanzien van de koop van het motorjacht (grief 3) en ten aanzien van de overdracht van de Rolls Royce als aanbetaling op de koopsom (grieven 4 en 5). Ten slotte heeft [appellant] bestreden dat uit de door hem gerealiseerde opbrengst van de Rolls Royce volgt dat de waarde daarvan € 19.285,66 bedroeg (grief 6).

4.4 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft in zijn door de Hoge Raad vernietigde arrest de grieven met betrekking tot (het niet geleverde bewijs van) de koop van het motorjacht besproken en verworpen (grief 1 en 3). De grieven 2, 4, 5 en 6 heeft het hof niet met zoveel woorden besproken, omdat het van oordeel was dat zij afstuitten op de ongeldigheid van de door [appellant] gestelde eigendomsoverdracht in verband met artikel 3:84 lid 3 BW. In cassatie heeft [appellant] aangevoerd dat die laatste beslissing onjuist was, omdat – kort gezegd – [geïntimeerde] zich in deze procedure niet op het in artikel 3:84 lid 3 bepaalde had beroepen (middel I). Voorts heeft [appellant] erover geklaagd dat het hof zijn bezwaar tegen de hoogte van het toegewezen bedrag niet had besproken (middel II).

4.5 De Hoge Raad was van oordeel dat die eerste klacht slaagde, nu (de curator van) [geïntimeerde] zich niet op die ontbrekende titel beroepen had en [appellant] dus in zijn recht zich te verdedigen was geschaad.

4.6 Gelet op het voorgaande moet het hof er na verwijzing van uitgaan dat tussen partijen geen koopovereenkomst tot stand gekomen was met betrekking tot het motorjacht. Die conclusie volgt uit het gegeven dat het hierop betrekking hebbende (bewijs)oordeel van het gerechtshof te Leeuwarden (in reactie op de grieven 1 en 3) in cassatie niet meer ter discussie is gesteld, terwijl [appellant] in zijn memorie van antwoord na verwijzing ook heeft erkend dat tussen partijen thans als uitgangspunt geldt dat een dergelijke overeenkomst niet heeft bestaan.

4.7 Thans ligt derhalve nog voor een (hernieuwde) beoordeling van de grieven 2, 4 en 5 (die betrekking hebben op de door [appellant] gestelde overdracht van de Rolls Royce als aanbetaling op de koop van het motorjacht) en grief 6 (die betrekking heeft op de omvang van de schade).

4.8 Nu de voor de feitenlezing van [appellant] essentiële stelling dat hij het motorjacht aan [geïntimeerde] had verkocht voor onjuist moet worden gehouden, ontvalt ook de grondslag aan zijn daarop aansluitende stelling dat de Rolls Royce aan hem was overgedragen als aanbetaling op de door [geïntimeerde] verschuldigde koopprijs. Waar [appellant] erkend heeft dat [geïntimeerde] destijds eigenaar was geworden van de Rolls Royce doordat hij deze van Akkerman had gekocht, waarbij het kenteken van de auto slechts op naam van [appellant] is gesteld omdat [geïntimeerde] op dat moment niet over een rijbewijs beschikte (vgl. memorie van grieven, p. 6, welke passage door [geïntimeerde] ook in die zin is begrepen, vgl. memorie van antwoord, onder 18), ontbreekt aldus aan de stellingen van [appellant] een grondslag die zijn eigendomsclaim op de Rolls Royce kan dragen. De door [appellant] in de context van grief 2 bepleite bewijslastverdeling die volgt uit het in art. 6:109 en 6:119 BW bedoelde vermoeden, kan niet tot een ander oordeel leiden, aangezien het voorgaande meebrengt dat de eigendomsverkrijging door [geïntimeerde] is komen vast te staan, terwijl [appellant] – afgezien van de aanbetaling – geen feiten heeft gesteld die kunnen meebrengen dat aan dit eigendomsrecht op enig moment een einde is gekomen.

4.9 In zijn memorie van antwoord na verwijzing heeft [appellant] gepoogd dit hiaat te vullen met de stelling dat tussen hem en [geïntimeerde] een koopovereenkomst met betrekking tot de Rolls Royce gesloten zou zijn. Voor een dergelijke, in deze procedure nieuwe, stellingname is echter geen plaats nu zich geen omstandigheden voordoen die een uitzondering rechtvaardigen op de regel dat dit hof de zaak heeft te behandelen en te beslissen in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van de beslissing van het gerechtshof te Leeuwarden, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad. Ook als daarover anders gedacht zou kunnen worden, moet de stelling van [appellant] hij de Rolls Royce van [geïntimeerde] heeft gekocht worden verworpen, reeds omdat daaraan een voldoende concrete feitelijke grondslag ontbreekt, bijvoorbeeld ten aanzien van de vraag wanneer en op welke wijze deze overeenkomst precies tot stand gekomen is.

4.10 Aldus komt het hof tot de conclusie dat aan de door [appellant] gestelde overdracht van de eigendom van de Rolls Royce door [geïntimeerde] aan hem een geldige titel ontbreekt. Als gevolg daarvan moeten de grieven 2, 4 en 5 worden verworpen.

4.11 Grief 6 klaagt over de wijze waarop de rechtbank de hoogte van de schadevergoeding heeft berekend. De rechtbank heeft daartoe – in reactie op de stellingen van [appellant] over de opbrengst van de door hem vervreemde Rolls Royce – overwogen dat [appellant] daarvoor in de eerste plaats een ingeruilde Ford Mustang ontving, alsmede een bedrag van fl. 25.000,--. Vervolgens verkocht [appellant] die Ford Mustang voor een bedrag van fl. 27.500. Op de aldus gerealiseerde totale opbrengst voor de Rolls Royce van fl. 52.500,-- bracht de rechtbank een bedrag van fl. 10.000,-- in mindering in verband met aan beide auto’s door [appellant] gemaakte kosten.

4.12 In hoger beroep heeft [appellant] in de eerste plaats gesteld dat de door hem gerealiseerde opbrengst niet ter zake doet, nu voor de schade tot uitgangspunt genomen zou moeten worden het bedrag dat [geïntimeerde] voor de Rolls Royce had betaald. Voorts heeft [appellant] gesteld dat de kosten die hij voor het opknappen van de Rolls Royce en het overspuiten van de Ford Mustang heeft gemaakt veel hoger waren dan het bedrag waar de rechtbank rekening mee heeft gehouden.

4.13 Ook deze grief moet worden verworpen. Voor het bepalen van de omvang van de door [geïntimeerde] geleden schade dient te worden bepaald wat de waarde was van de Rolls Royce. Het hof onderschrijft het door de rechtbank gekozen uitgangspunt dat voor het bepalen van die waarde aanknoping gezocht moet worden bij de opbrengst die [appellant] (kort na de stalling) bij de verkoop van de Rolls Royce heeft gerealiseerd, nu die opbrengst een goede indicatie is voor hetgeen [geïntimeerde] ook zelf bij verkoop van de Rolls Royce zou hebben ontvangen en/of hij voor het aankopen van een vergelijkbare auto zou moeten betalen. Voorts passeert het hof de stelling van [appellant] dat hij hogere kosten heeft gemaakt voor het opknappen van de Rolls Royce en het overspuiten van de Ford Mustang, nu hij die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. In dat verband had het op de weg van [appellant] gelegen specifiek te stellen welke werkzaamheden hijzelf (of derden) aan voornoemde auto’s heeft verricht, hoeveel tijd en welke materialen daarbij nodig waren en welke kosten dientengevolge voor rekening van [appellant] zijn gekomen. Nu die stellingen ontbreken – en ook evenmin is gebleken dat deze tot uitgangspunt genomen waarde van de Rolls Royce in een wanverhouding staat tot het bedrag dat [geïntimeerde] zelf voor de Rolls Royce heeft betaald – luidt de conclusie dat de bezwaren tegen de door de rechtbank bepaalde omvang van de schade moeten worden gepasseerd.

4.14 In het licht van het voorgaande zijn er geen stellingen van [appellant] die – indien bewezen – tot een andere uitkomst moeten leiden. Het hof passeert derhalve het bewijsaanbod van [appellant].

4.15 Voor zover [geïntimeerde] met de in zijn memorie na verwijzing geformuleerde vordering van € 20.420,11 bedoeld heeft een grief te formuleren tegen het door de rechtbank in hoofdsom toegewezen bedrag van € 19.285,66, moet die grief worden gepasseerd, reeds omdat voor het formuleren van een dergelijke grief geen plaats meer is in dit stadium van de procedure.

Slotsom

De slotsom is dat nu alle grieven falen, zodat de bestreden vonnissen van de rechtbank Leeuwarden moeten worden bekrachtigd. Het hof zal [appellant] als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure in hoger beroep en cassatie veroordelen.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep na verwijzing:

bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnissen van de rechtbank Leeuwarden van 20 november 2002 en 6 augustus 2003,

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en cassatie, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft de procedure in cassatie begroot op nihil en wat betreft het hoger beroep begroot op € 5.264,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 585,44,-- voor verschotten,

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, V. van den Brink en S.O.H. Bakkerus en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 oktober 2009.