Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL6956

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
10-03-2010
Zaaknummer
200.028.044
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht; toepasselijkheid verjaringstermijn uit art. 7.23 lid 2 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 159

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

Zaaknummer gerechtshof 200.028.044

(zaaknummer rechtbank 558369 \ CV EXPL 08-4915)

arrest van de vijfde civiele kamer van 10 november 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.W.J. Hopmans,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.G.F. Smallenbroek.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 12 september 2008 en 12 december 2008, zoals gecorrigeerd op 20 februari 2009, die de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) tussen appellant (hierna ook te noemen: [appellant]) als eiser en geïntimeerde (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als gedaagde heeft gewezen; van de gecorrigeerde versie van het eindvonnis is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 [appellant] heeft bij exploot van 9 maart 2009 [geïntimeerde] aangezegd van het vonnis van 12 december 2008, zoals gecorrigeerd op 20 februari 2009, in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof. Daarbij heeft [appellant] een grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 3.653,36, zoals gevorderd in eerste aanleg, te vermeerderen met de wettelijke rente, vanaf datum dagvaarding in eerste aanleg tot aan de dag van algehele betaling, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties.

2.2 Vervolgens heeft [appellant] schriftelijk voor eis geconcludeerd.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grief bestreden en heeft hij bewijs aangeboden. Hij heeft geconcludeerd dat het hof [appellant] bij arrest uitvoerbaar bij voorraad niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te Nijmegen van 12 december 2008 (waaronder begrepen de gecorrigeerde versie) zal verklaren, althans (het hof begrijpt:) dat hoger beroep ongegrond zal verklaren, en het vonnis van de kantonrechter zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van (het hof begrijpt:) het hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3. De grieven

De grief van [appellant] is gericht tegen de volgende rechtsoverwegingen van de kantonrechter:

“Artikel 7:23 lid 2 BW bepaalt, dat rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving verjaren. Naar uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt, strekt zij, mede ter bescherming van de belangen van de verkoper, er toe, te gelden voor iedere rechtsvordering van de koper die feitelijk gegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst. Dat geldt zowel als het gaat om een vordering ter zake van de tekortkoming, als voor de vordering tot vernietiging op grond van dwaling. Blijkens het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 (NJ 2006, 272) geldt de betreffende verjaringsbepaling ook, als door de koper op de betreffende grondslag (ook) een rechtsvordering uit onrechtmatige daad wordt gebaseerd.

Uit het bovenstaande blijkt, dat de verjaringsbepaling van artikel 7:23 lid 2 BW een brede strekking heeft: de bepaling geldt voor iedere vordering en ieder verweer van de koper gegrond op het niet beantwoorden van het afgeleverde aan de overeenkomst.

De vorderingen van [appellant] strekkende tot terugbetaling van de koopsom en tot vergoeding van schade vallen, naar de kern genomen, eveneens te herleiden op de non-conformiteit. Die (beweerde) non-conformiteit heeft [appellant] er immers toe gebracht de honden aan [geïntimeerde] terug te geven en thans van [geïntimeerde] terugbetaling van de koopsom vermeerderd met de geleden schade te vorderen. Daarom worden ook deze vorderingen van [geïntimeerde] geregeerd door de verjaringstermijn van artikel 7:23 lid 2 BW en niet door de algemene verjaringstermijn van vijf jaren.”

4. De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep van de volgende feiten uit. [appellant] heeft in het jaar 2003 van [geïntimeerde] twee puppies van het ras American Staffordshire Terrier gekocht. De koopsom beliep € 1.175, - per hond. [appellant] heeft de totale koopsom van € 2.350, - aan [geïntimeerde] betaald. Een half jaar na aankoop heeft [appellant] één van de twee honden aan [geïntimeerde] teruggeven, enige weken later de andere hond.

5. De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1 [appellant] stelt dat de kantonrechter ten onrechte geoordeeld heeft dat zijn vorderingen naar de kern genomen te herleiden zijn op de non-conformiteit.

[appellant] stelt dat [geïntimeerde] expliciet te kennen gegeven heeft dat hij een bedrag, gelijk aan de betaalde koopsom vermeerderd met de inentingskosten, zou terugbetalen. Volgens [appellant] is er op dat moment een nieuwe verbintenis ontstaan. De door [appellant] ingestelde rechtsvordering is dan ook niet gebaseerd op de non-conformiteit van de honden. Evenmin is de door [appellant] ingestelde rechtsvordering gegrond op het niet beantwoorden aan de overeenkomst. De door [appellant] ingestelde rechtsvordering ziet enkel en alleen op de nakoming van de door [geïntimeerde] toegezegde betaling. [geïntimeerde] ontkent de door [appellant] gestelde afspraak.

5.2 De meest verstrekkende vraag is of de vordering van [appellant] verjaard is. Om te kunnen beoordelen of de vordering verjaard is, dient het hof eerst te onderzoeken welke grondslag de vordering heeft. Aan de orde is de vraag of de vordering gebaseerd is op non-conformiteit of dat sprake is van een nieuwe verbintenis uit een nieuwe overeenkomst. Indien de vordering gebaseerd is op non-conformiteit, dan geldt een verjaringstermijn van twee jaren na de ontvangst van de klacht conform artikel 7:23 lid 2 BW. Indien de vordering gebaseerd is op een nieuwe verbintenis, dan zou volgens [appellant] een verjaringstermijn van vijf jaren conform artikel 3:307 lid 1 BW gelden.

5.3 Artikel 7:23 lid 2 BW bepaalt, dat rechtsvorderingen en verweren, gegrond op feiten die de stelling zouden rechtvaardigen dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, door verloop van twee jaren na de overeenkomstig het eerste lid gedane kennisgeving verjaren. Naar uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling blijkt, strekt zij, mede ter bescherming van de belangen van de verkoper, er toe, te gelden voor iedere rechtsvordering van de koper die feitelijk gegrond is op het niet beantwoorden van de afgeleverde zaak aan de overeenkomst. Dat geldt zowel als het gaat om een vordering terzake de tekortkoming, als voor de vordering tot vernietiging op grond van dwaling.

5.4 Zoals blijkt uit het arrest van de Hoge Raad van 21 april 2006 (NJ 2006, 272) geldt de korte verjaringstermijn ook, als door de koper op de grondslag, dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, (ook) een rechtsvordering uit onrechtmatige daad wordt gebaseerd. Hieruit blijkt, dat de verjaringsbepaling van artikel 7:23 lid 2 BW een brede strekking heeft: de bepaling geldt voor iedere vordering en ieder verweer van de koper gegrond op het niet beantwoorden van het afgeleverde aan de overeenkomst.

5.5 In de dagvaarding in eerste aanleg heeft [appellant] gesteld dat hij vrij snel na de ontvangst van de honden heeft gemerkt dat deze niet in orde waren. De honden gedroegen zich namelijk zeer a-sociaal, hetgeen zich manifesteerde in voortdurend blaffen, welhaast onophoudelijk huilen dan wel janken en het vertonen van trekken van verlatingsangst (punt 3 dagvaarding).

5.6 De toenmalige advocaat van [appellant] heeft in een brief van 20 mei 2008 aan [geïntimeerde] geschreven dat zijn cliënt indertijd vrij snel heeft moeten bemerken dat de honden zich niet gedroegen zoals van een hond van dat ras en van die leeftijd mag worden verwacht en dat zijn cliënt zich derhalve genoopt zag om de koopovereenkomst met [geïntimeerde] teniet te doen (productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

5.7 Tijdens de comparitie van 14 november 2008 heeft mr. Hopmans namens [appellant] het volgende verklaard: “Vrij snel na de aankoop (na enkele maanden al) ondervond de heer [appellant] problemen met de honden. De honden hadden zogenaamde verlatingsangst en de heer [appellant] heeft naar aanleiding daarvan contact opgenomen met de heer [geïntimeerde], die echter aangaf dat het gedrag van de honden normaal was.”

5.8 Uit de stukken en stellingen van [appellant] kan het hof niet anders afleiden dan dat [appellant] de gestelde nieuwe overeenkomst en de daaruit gestelde nieuwe verbintenis baseert op het feit dat hij de honden heeft teruggebracht aangezien deze niet aan de overeenkomst beantwoordden. De door [appellant] gestelde “overeenkomst tot ontbinding”, die overigens wordt betwist door [geïntimeerde], leidt echter niet tot een ontbinding als genoemd in de wet.

5.9 Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de door [appellant] ingestelde rechtsvordering feitelijk gegrond is op het niet-beantwoorden van de afgeleverde honden aan de overeenkomst. Artikel 7:23 lid 2 BW is derhalve van toepassing. De kennisgeving als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW dateert uit de maand juli 2003. De vordering is door verloop van twee jaren na de gestelde kennisgeving verjaard. Niet gesteld of gebleken is immers dat de verjaring door [appellant] in de periode tussen juli 2003 en juli 2005 is gestuit op de in de wet voorgeschreven wijze.

5.10 Op grond van het vorengaande faalt de grief, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.11 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Nijmegen) van 12 december 2008, zoals gecorrigeerd op 20 februari 2009;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,--, waarvan te voldoen aan de griffier van het gerechtshof (bankrekeningnummer 1923.25.752 ten name van MvJ arrondissement Arnhem, postbus 9030, 6800 EM Arnhem, onder vermelding van het zaaknummer en de namen van partijen) het bedrag van € 828,50 te weten:

- € 196,50 wegens in debet gesteld griffierecht,

- € 632,-- wegens salaris overeenkomstig het liquidatietarief,

en het restant ad € 65,50 aan de advocaat van [geïntimeerde] wegens diens eigen aandeel in het griffierecht;

verklaart dit arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en M.L. van der Bel en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 november 2009.