Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL3207

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
23-03-2009
Datum publicatie
09-02-2010
Zaaknummer
21-003931-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Evenals de politierechter is het hof van oordeel dat de doorzoeking van de woning zonder rechterlijke machtiging de - met het oog op artikel 8 EVRM aan te leggen proportionaliteitstoets onder de gegeven concrete omstandigheden niet kan doorstaan, nu de doorzoeking ter eventuele inbeslagneming van wapens en/of munitie pas vijf weken na 12 februari 2008 (de dag dat de anonieme melding is gedaan) is verricht. Hieruit blijkt niet van acuut gevaar of spoedeisendheid zodat het op de weg van de opsporingsbeambten had gelegen om voor de doorzoeking een rechterlijke machtiging te verkrijgen. Nu de doorzoeking heeft plaatsgevonden zonder een rechterlijke machtiging is niet voldaan aan de in een rechtstaat aan de opsporing te stellen eisen als rechtszekerheid en controleerbaarheid. Het hof is evenwel net als de politierechter van oordeel dat deze schending niet zodanig ernstig is dat bewijsuitsluiting hiervan het gevolg zou moeten zijn en zal met de schending rekening houden bij de strafmaat. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de aangetroffen hennepplanten zich niet in de woning zelf bevonden maar in een schuur achter in de bij de woning behorende tuin, zodat daar van een schending van het huisrecht niet gesproken kan worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-003931-08

Uitspraak d.d.: 23 maart 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 26 september 2008 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 08-790311-08 en 08-790921-07, tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [adres],

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 9 maart 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen namens verdachte door zijn raadsman,

mr. R. Oude Breuil, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

Het hof hernummert de aan zijn oordeel onderworpen tenlastegelegde feiten onder parketnummer 08/ 790311-08 als de feiten 1 en 2 en het onder parketnummer

08/790921-07 tenlastegelegde feit als feit 3, een en ander zoals hierna opgenomen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2008 tot en met 19 maart 2008,

in elk geval op of omstreeks 19 maart 2008

te [plaats]

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een schuur van een woning aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 54, althans een

(groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

2

hij op of omstreeks 19 maart 2008 te [plaats],

voorhanden heeft gehad 14 9 mm-patronen, zijnde munitie in de zin van de

Wet Wapens en Munitie van categorie III.

3

hij op of omstreeks 04 oktober 2007 en/of 05 oktober 2007, in elk geval in de

maand oktober 2007,

in de gemeente(n) [plaatsen], althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een persoon, genaamd [naam ], heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers:

heeft verdachte (op 04 oktober 2007) opzettelijk dreigend te kennen gegeven

(tegenover een personeelslid van de stichting [naam stichting]) - zakelijk

weergegeven -, dat hij, verdachte, genoemde [naam]ging pakken en/of afmaken

en/of alle botten in zijn lichaam ging breken en/of hem persoonlijk onder de

grond zou schoffelen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of

heeft verdachte (op 05 oktober 2007) opzettelijk dreigend te kennen gegeven

(tegenover een personeelslid van het bedrijf [naam bedrijf] ) - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, genoemde [naam]de kop van

de romp zou trekken en/of hem wat aan zou gaan doen, wanneer hij, verdachte,

hem, genoemde [naam] zou zien (al dan niet in de buurt van zijn dochter),

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs:

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.

De raadsman heeft ter zitting betoogd dat het binnentreden in de woning van verdachte door de opsporingsambtenaar op grond van artikel 55 Wetboek van strafvordering en artikel 49 van de Wet wapens en munitie onrechtmatig is geschied, nu niet kon worden gesproken van een ‘redelijkerwijs kunnen vermoeden’ dat in de woning van verdachte wapens of munitie aanwezig waren. Weliswaar was sprake van CIE-informatie, aldus de raadsman, doch dit kon niet worden beschouwd als meer dan startinformatie voor een strafrechtelijk onderzoek. De binnengekomen anonieme tip werd niet nader onderzocht en was op dezelfde datum binnengekomen als de CIE informatie zodat volgens de raadsman mogelijk sprake is van één en dezelfde bron. Er zijn onvoldoende bijkomende concrete feiten aangevoerd om te komen tot een redelijk vermoeden van schuld. Aangezien het binnentreden in de woning op grond van artikel 55 Strafvordering en artikel 49 Wet wapens en munitie onrechtmatig is geschied is ook de doorzoeking van de woning - na de aanhouding van verdachte - op grond van artikel 49 van de Wet wapens en munitie onrechtmatig geweest, aldus de raadsman. Nu het bewijs in deze zaken onrechtmatig is verkregen moeten de bewijsmiddelen betreffende de vondst van de munitie in de woning en de hennepplanten in de houten schuur in de tuin van de woning van verdachte worden uitgesloten en moet vrijspraak volgen.

In de tweede plaats is door de raadsman aangevoerd - onder verwijzing naar artikel 8 EVRM - dat voor de doorzoeking van de woning een machtiging van de rechter-commissaris nodig was nu het huisrecht in het geding is. Er lag veel tijd tussen de anonieme melding en de doorzoeking van de woning, zodat niet kan worden gesteld dat sprake was van een acuut gevaar.

Ten aanzien van dit verweer oordeelt het hof overeenkomstig de overwegingen van de politierechter van de rechtbank Almelo in het vonnis van 26 september 2008 op de pagina’s 2 halverwege, 3 en 4 en maakt deze overwegingen tot de zijne.

Daarbij wijst het hof op het feit dat naast de CIE informatie, die in de maand februari 2008 was binnengekomen, sprake was van aanvullende belastende informatie in de vorm van een anonieme tip aan de wijkagent, zodat sprake was van een voldoende grond voor een ‘redelijkerwijs kunnen vermoeden’, als bedoeld in artikel 49 Wet wapens en munitie dat zich in de woning van verdachte wapens of munitie bevonden.

Evenals de politierechter is het hof van oordeel dat de doorzoeking van de woning zonder rechterlijke machtiging de - met het oog op artikel 8 EVRM aan te leggen proportionaliteitstoets onder de gegeven concrete omstandigheden niet kan doorstaan, nu de doorzoeking ter eventuele inbeslagneming van wapens en/of munitie pas vijf weken na 12 februari 2008 (de dag dat de anonieme melding is gedaan) is verricht. Hieruit blijkt niet van acuut gevaar of spoedeisendheid zodat het op de weg van de opsporingsbeambten had gelegen om voor de doorzoeking een rechterlijke machtiging te verkrijgen. Nu de doorzoeking heeft plaatsgevonden zonder een rechterlijke machtiging is niet voldaan aan de in een rechtstaat aan de opsporing te stellen eisen als rechtszekerheid en controleerbaarheid. Het hof is evenwel net als de politierechter van oordeel dat deze schending niet zodanig ernstig is dat bewijsuitsluiting hiervan het gevolg zou moeten zijn en zal met de schending rekening houden bij de strafmaat. Daarbij heeft het hof meegewogen dat de aangetroffen hennepplanten zich niet in de woning zelf bevonden maar in een schuur achter in de bij de woning behorende tuin, zodat daar van een schending van het huisrecht niet gesproken kan worden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 01 februari 2008 tot en met 19 maart 2008,

in elk geval op of omstreeks 19 maart 2008

te [plaats]

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk

geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een schuur van een woning aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 54, althans een

(groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid

van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II. dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet

2

hij op of omstreeks 19 maart 2008 te [plaats],

voorhanden heeft gehad 14 9mm-patronen, zijnde munitie in de zin van de

Wet Wapens en Munitie van categorie III.

3

hij op of omstreeks 04 oktober 2007 en/of 05 oktober 2007, in elk geval in de

maand oktober 2007,

in de gemeente(n) [plaatsen], althans in Nederland,

meermalen, althans eenmaal, (telkens) een persoon, genaamd [naam], heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling,

immers:

heeft verdachte (op 04 oktober 2007) opzettelijk dreigend te kennen gegeven

(tegenover een personeelslid van de stichting [naam stichting]) - zakelijk

weergegeven -, dat hij, verdachte, genoemde [naam] ging pakken en/of afmaken

en/of alle botten in zijn lichaam ging breken en/of hem persoonlijk onder de

grond zou schoffelen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking,

en/of

heeft verdachte (op 05 oktober 2007) opzettelijk dreigend te kennen gegeven

(tegenover een personeelslid van het bedrijf [naam bedrijf] - zakelijk weergegeven - dat hij, verdachte, genoemde[naam] de kop van

de romp zou trekken en/of hem wat aan zou gaan doen, wanneer hij, verdachte,

hem (genoemde [naam]) zou zien. (al dan niet in de buurt van zijn dochter),

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

ten aanzien van het 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid, Wet wapens en munitie.

ten aanzien van het feit 3 bewezenverklaarde:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, beide van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.

De voorwaardelijke gevangenisstraf wordt aan verdachte opgelegd als een waarschuwing voor de toekomst.

Bij het bepalen van de duur van de werkstraf heeft het hof rekening gehouden met het vormverzuim, zoals hiervoor genoemd, hetgeen leidt tot een matiging van de duur van de werkstraf. In plaats van de overwogen taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 120 uren zal het hof een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 285 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet met overneming van de overwegingen in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Almelo van 26 september 2008 zoals hiervoor (op pagina 3) omschreven, opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 (honderd) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr E. van der Herberg, voorzitter,

mr J.A. Coster van Voorhout en mr W.R. Rosingh, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr J.M. van Westerlaak, griffier,

en op 23 maart 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.