Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL1944

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
18-12-2009
Datum publicatie
04-02-2010
Zaaknummer
21-004574-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tijdens zijn werkzaamheden als manueel therapeut/fysitherapeut

in ernstige mate inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van twee van zijn patiënten. Hij heeft daarbij misbruik gemaakt van het in jaren gegroeide vertrouwen bij de slachtoffers. Hij heeft één patiënt meermalen verkracht en met een andere patiënt heeft hij ontucht gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-004574-07

Uitspraak d.d.: 18 december 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 6 november 2007 in de strafzaak tegen

[Personalia verdachte]

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 15 oktober 2008, 19 maart 2008 en 4 december 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vorderingen van de advocaat-generaal. Deze vorderingen zijn na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering ter terechtzitting van 15 oktober 2008 bijlage I en voor de inhoud van de vordering ter terechtzitting van 4 december 2009 bijlage II).

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman,

mr S.J. van der Woude, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing ten aanzien van het bewijs komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1. primair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2005

tot en met 24 februari 2006 te [plaats], althans in het arrondissement

Utrecht, door geweld en/of een andere feitelijkheid en/of door bedreiging met

geweld en/of een andere feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot

het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en)

uit het seksueel binnendringen van het lichaam,

immers heeft hij, verdachte, meermalen, althans eenmaal, zijn vinger(s) in de

vagina van die [slachtoffer 1] geduwd en/of gebracht en/of gehouden,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkheid en/of die bedreiging

met geweld en/of die andere feitelijkheid hierin dat verdachte

- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken,

althans door die [slachtoffer 1] heeft laten uittrekken en/of (vervolgens)

- (terwijl hij achter deze [slachtoffer 1] stond) zijn handen heeft gelegd op

de handen van die [slachtoffer 1], terwijl de handen van die [slachtoffer 1]

op, althans in de buurt van haar vagina, althans haar onderlichaam lagen en/of

(vervolgens)

- onverhoeds zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft geduwd

en/of gebracht en/of gehouden en/of

- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhouding(en) voortvloeiend

overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer 1], te weten:

(i) het feit of de omstandigheid dat die [slachtoffer 1] in voornoemde

periode als patiënt onder behandeling stond van hem, verdachte (in diens hoedanigheid van manueel therapeut/fysiotherapeut) en/of

(ii) het feit of de omstandigheid dat hij, verdachte, zich (telkens) in

voornoemde periode met die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, praktijkruimte

bevond;

subsidiair

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2005

tot en met 24 februari 2006 te [plaats], althans in het arrondissement

Utrecht, terwijl hij toen (in de hoedanigheid van manueel

therapeut/fysiotherapeut) werkzaam was in de gezondheidszorg en/of

maatschappelijke zorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 1], die zich

als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd,

waarbij die ontucht er (telkens) in heeft bestaan of er (telkens) mede in

heeft bestaan dat hij, verdachte, (onverhoeds) zijn vinger(s) in de vagina van

die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gebracht en/of gehouden;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september

2005 tot 1 maart 2006 te [plaats], althans in het arrondissement Utrecht,

terwijl hij toen (in de hoedanigheid van manueel therapeut/fysiotherapeut)

werkzaam was in de gezondheidszorg en/of maatschappelijke zorg, ontucht heeft

gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als patiënt en/of cliënt aan

verdachtes hulp en/of zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte,

(telkens)

- zijn hand(en) onder de bh van die [slachtoffer 2] gebracht/geduwd en/of

(vervolgens) zijn hand(en) op de borst(en) van die [slachtoffer 2] gelegd

en/of (vervolgens) die borst(en) gemasseerd/gestreeld en/of (vervolgens)

- met zijn penis geduwd/gewreven tegen de achterzijde van het lichaam

van die [slachtoffer 2];

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Het hof is van oordeel dat het door de raadsman van verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder

Ten eerste:

Ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde onderscheidt het hof twee feitelijke situaties, namelijk

1) dat er door verdachte vingers in de vagina van [slachtoffer 1] zijn ingebracht tijdens een bekkenbodemtherapie en

2) dat er door verdachte een vinger in de vagina van [slachtoffer 1] is gebracht tijdens de ontspanningsoefeningen.

Het hof constateert dat het handelen tijdens de ontspanningsoefeningen in de tenlastelegging meer in detail is uitgeschreven, terwijl dat voor het handelen tijdens de bekkenbodemtherapie niet het geval is. Dat neemt niet weg dat ook het handelen tijdens de bekkenbodemtherapie aan de omschrijving in de tenlastelegging, zij het meer algemeen, beantwoordt en de steller der tenlastelegging kennelijk bedoeld heeft ook dat handelen mede tenlaste te leggen.

Met betrekking tot verdachtes handelen tijdens de bekkenbodemtherapie blijkt uit de bewijsmiddelen dat verdachte daartoe meteen - zonder de behandeling tevoren grondig te bespreken en [slachtoffer 1] nog de tijd te geven om in alle rust daarover een beslissing te kunnen nemen - is overgegaan zonder gebruikmaking van de daarvoor bestemde handschoenen, naar hij heeft meegedeeld omdat die op dat ogenblik in de praktijk niet voorradig waren. Toch was deze behandeling niet bijzonder urgent en had voor de hand gelegen dat hij die uitgesteld zou hebben totdat hij beschikte over die handschoenen, zonder welke een fysiotherapeut deze behandeling nooit behoort uit te voeren zoals verdachte ook wel wist. Hieruit leidt het hof af dat verdachte te werk is gegaan met een gedrevenheid en gretigheid die het hof niet anders dan seksueel kan duiden.

Het hof komt tot een bewezenverklaring met betrekking tot beide situaties.

Ten tweede:

De raadsman heeft aangevoerd dat er voor feit 1 geen ander bewijs is dan de verklaringen van [slachtoffer 1] en dat er voor feit 2 geen ander bewijs is dan de verklaringen van [slachtoffer 2].

Het hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring voor het bewijs gebruik gemaakt van de verklaringen van de beide aangeefsters ondermeer voor zover betrekking hebbend op het betreffend tenlastegelegde feit. Daarnaast heeft het hof de verklaringen van de verdachte zelf ten aanzien van beide feiten tot het bewijs doen bijdragen. De eis van het ‘meervoudig bewijs’ houdt niet in dat er voor elk onderdeel van de tenlastelegging meervoudig bewijs aanwezig moet zijn.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1. primair

hij op tijdstippen in de periode van 1 april 2005

tot en met 24 februari 2006 te [plaats],door een feitelijkheid

[slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij, verdachte, zijn vingers in de

vagina van die [slachtoffer 1] gebracht,

en bestaande die feitelijkheid hierin dat verdachte

- de broek en/of onderbroek van die [slachtoffer 1] heeft uitgetrokken,

althans door die [slachtoffer 1] heeft laten uittrekken

- (terwijl hij achter deze [slachtoffer 1] stond/zat zijn handen heeft gelegd op

de handen van die [slachtoffer 1], terwijl de handen van die [slachtoffer 1]

op, haar vagina, lagen en vervolgens

- zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] heeft gebracht en

- misbruik heeft gemaakt van een uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend

overwicht van hem, verdachte, op die [slachtoffer 1], te weten:

(i)het feit dat die [slachtoffer 1] in voornoemde periode als patiënt onder behandeling stond van hem, verdachte in diens hoedanigheid van manueel therapeut/fysiotherapeut en

(ii) het feit dat hij, verdachte, zich telkens in voornoemde periode met die [slachtoffer 1] in zijn, verdachtes, praktijkruimte bevond;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2005 tot 1 maart 2006 te [plaats], terwijl hij toen in de hoedanigheid van manueel therapeut/fysiotherapeut werkzaam was in de gezondheidszorg, ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer 2], die zich als patiënt aan

verdachtes zorg had toevertrouwd, immers heeft hij, verdachte,

- zijn hand onder de bh van die [slachtoffer 2] gebracht en

vervolgens zijn hand op de borst van die [slachtoffer 2] gelegd

en vervolgens die borst gemasseerd/gestreeld.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op de misdrijven:

ten aanzien van het onder 1 primair bewezenverklaarde:

Verkrachting, meermalen gepleegd.

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Werkzaam zijnde in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn zorg heeft toevertrouwd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 15 oktober 2008 gevorderd verdachte te veroordelen

- tot gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 240 uren met aftrek van 32 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en

- dat verdachte wordt ontzet uit zijn recht om zijn beroep van fysiotherapeut/manueeltherapeut uit te oefenen voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- met toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 1.500,00 en die vordering voor het overige niet ontvankelijk te verklaren alsmede tot een schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 december 2009 zijn vordering herzien en thans gevorderd verdachte te veroordelen

- tot gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 uren met aftrek van 32 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis en

- dat verdachte wordt ontzet uit zijn recht om zijn beroep van fysiotherapeut/manueeltherapeut uit te oefenen voor de duur van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- met gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], tot een bedrag van € 2.000,00 alsmede tot een schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Het hof overweegt te dien aanzien dat geen rechtsregel er zich tegen verzet dat het openbaar ministerie tijdens de procedure in hoger beroep de eis wijzigt.

De hierna te melden strafoplegging is naar het oordeel van het hof in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken. Het hof is (evenals de rechtbank ) van oordeel dat verdachte door zijn strafwaardig handelen in ernstige mate inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers en dat hij dat mede kon doen door misbruik te maken van het tijdens de soms al jaren durende behandeling gegroeide vertrouwen bij de slachtoffers. Verdachte is voorbij gegaan aan de psychische schade die de slachtoffers door zijn toedoen hebben geleden en nog steeds lijden, hetgeen is gebleken uit de slachtofferverklaringen die zijn voorgehouden ter terechtzitting in eerste aanleg en de verklaringen die de slachtoffers ter terechtzitting in hoger beroep hebben afgelegd. Voorts heeft verdachte de beroepsgroep van fysiotherapeuten/manueel therapeuten door zijn handelen ernstig in diskrediet gebracht.

In het voordeel van verdachte weegt het hof mee dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat zijn handelen en de tegen hem ingestelde vervolging in maatschappelijk opzicht aanzienlijke repercussies voor hem heeft gehad.

Het hof verenigt zich niet met het standpunt van het openbaar ministerie dat verdachtes ontkennende houding strafverzwarend dient te zijn en ziet in het feit dat het tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank geen aanleiding tot een andere strafoplegging.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot het hierna te noemen bedrag zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 242 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het onder 1 primair en het

onder 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat bij de uitvoering van de taakstraf 64 (vierenzestig) uren in mindering worden gebracht wegens de tijd door verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, te weten totaal 32 (tweeëndertig) dagen.

Ontzet verdachte uit zijn recht het beroep van fysiotherapeut/manueel therapeut uit te oefenen voor de duur van ACHTTIEN MAANDEN.

Bepaalt dat van deze ontzetting een gedeelte, groot TWAALF MAANDEN niet ten uitvoergelegd zal worden, tenzij later anders mocht worden gelast. Stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaren.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]:

Veroordeelt verdachte aan de benadeelde partij te betalen een bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro).

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij, genaamd [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 30 (dertig) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr H.W. Koksma, voorzitter,

mr G. Mannoury en mr M. van Seventer, raadsheren,

in tegenwoordigheid van T.M.M. van Lieshout-Witjes, griffier,

en op 18 december 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr G. Mannoury is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.