Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL0989

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
15-09-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
200.004.771
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2011:BQ0522, Bekrachtiging/bevestiging
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2011:BQ0522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen overgang van onderneming; geen kennelijk onredelijk ontslag;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0091
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.004.771

(zaaknummer rechtbank 495673 \ CV EXPL 07-1900 \ LS/91/rz)

arrest van de vijfde civiele kamer van 15 september 2009

inzake

[A],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. K.L.M. Kaldenbach,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Technochroom Nijkerk B.V.,

gevestigd te Nijkerk,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. T.J. van Veen.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Voor de procedure in eerste aanleg en het verloop van het geding in hoger beroep wordt verwezen naar het tussenarrest van dit hof van 20 mei 2008. In dat tussenarrest heeft het hof een comparitie van partijen gelast. Deze comparitie is gehouden op 3 september 2008; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt onderdeel uit van de stukken.

1.2 Bij memorie van grieven, tevens akte wijziging van eis heeft [A] twee grieven tegen het vonnis van 31 oktober 2007 aangevoerd en toegelicht, heeft hij bewijs aangeboden en een nieuwe productie in het geding gebracht. Hij heeft gevorderd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en, opnieuw recht doende, (het hof begrijpt:) bij arrest, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair voor recht zal verklaren dat het aan [A] gegeven ontslag nietig is, aangezien dit is gebaseerd op de overgang van onderneming, welke ontslaggrond op grond van artikel 4 lid 1 van de Richtlijn 98/50 (overgang van onderneming) nietig is;

II. subsidiair Technochroom zal veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst ex artikel 7:682 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) wegens kennelijk onredelijk ontslag;

III. meer subsidiair Technochroom zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 49.511,- bruto ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, althans een zodanig bedrag als (het hof leest:) het hof juist acht, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 april 2007 tot de dag der algehele voldoening;

IV. zowel primair, subsidiair als meer subsidiair Technochroom zal veroordelen in de kosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over genoemde kosten vanaf 14 dagen na de datum van het arrest tot de dag der algehele voldoening.

1.3 Bij memorie van antwoord heeft Technochroom de grieven bestreden en bewijs aangeboden. Zij heeft geconcludeerd dat het hof de vorderingen van [A] zal afwijzen en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [A] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen veertien dagen na betekening van het arrest tot betaling is overgegaan.

1.4 Bij dezelfde memorie heeft Technochroom incidenteel hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 31 oktober 2007, daartegen een grief aangevoerd en toegelicht en bewijs aangeboden. Zij heeft gevorderd dat het hof dat vonnis zal vernietigen, voor zover het betreft de veroordeling van Technochroom tot de betaling van het bedrag van € 17.500,- bruto en het bedrag van € 1.832,60 aan buitengerechtelijke incassokosten, en bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [A] zal veroordelen tot terugbetaling van het bruto bedrag van € 17.500,-, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2007 tot aan de dag der algehele voldoening, en [A] voorts zal veroordelen tot terugbetaling van een netto bedrag van € 1.832,60 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Technochroom aan [A] tot de dag der algehele voldoening, en [A] zal veroordelen in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien niet binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest tot betaling is overgegaan.

1.5 Bij memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep heeft [A] verweer gevoerd en geconcludeerd dat het hof Technochroom niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vorderingen, deze vorderingen zal afwijzen, althans haar deze zal ontzeggen, met veroordeling van Technochroom in de kosten van het incidenteel hoger beroep.

1.6 Ter zitting van 14 augustus 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [A] door mr. K.L.M. Kaldenbach, advocaat te Amsterdam, en Technochroom door mr. H.C.W. Geffroy, advocaat te Ede. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

1.7 Mr. Geffroy heeft bij faxbericht van 12 augustus 2009 aan [A] en het hof een productie gezonden. Mr. Kaldenbach heeft bij faxbericht van 13 augustus 2009 bezwaar gemaakt tegen het in het geding brengen van die productie.

1.8 De hiervoor genoemde productie betreft een memo van een medewerker van Leenaerts & Peters Belastingadviseurs van 11 augustus 2009 betreffende de wijze van terugbetaling door een werknemer van een aan die werknemer bruto betaalde schadevergoeding en de aan die terugbetaling verbonden loonbelastingaspecten.

1.9 Desgevraagd heeft mr. Kaldenbach verklaard dat zij kennis heeft genomen van het memo, maar bezwaar maakt tegen het in het geding brengen daarvan omdat zij het - in verband met de ontvangst twee dagen voor de pleidooien - niet heeft kunnen voorleggen aan een belastingadviseur.

1.10 Bij het hiervoor genoemde memo gaat een om een kort stuk - de tekst beslaat ongeveer één pagina van A4 formaat - dat, mede gelet op de over deze kwestie door de partijen gevoerde discussie in de memorie van grieven in incidenteel appel en de memorie van antwoord in incidenteel appel, eenvoudig te doorgronden is en kennelijk een reactie is op punt 10 van de memorie van antwoord in het incidenteel appel. Het hof verwerpt het bezwaar van mr. Kaldenbach dan ook.

1.11 Het hof heeft mr. Geffroy vervolgens akte verleend van het in het geding brengen van de door hem toegezonden productie.

1.12 Vervolgens hebben de partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2. De grieven

2.1 [A] heeft in het principaal hoger beroep de volgende grieven aangevoerd. Daarbij leest het hof voor “de rechtbank” telkens “de kantonrechter”.

Grief 1

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.1 overwogen:

“Naar het oordeel van de kantonrechter is door Technochroom voldoende duidelijk uiteengezet dat Technochroom geen ontslagaanvragen heeft ingediend vanwege de overgang van onderneming maar wegens economische en organisatorische redenen.”

Grief 2

Ten onrechte heeft de kantonrechter geen overweging gewijd aan de door [A] ingestelde vordering tot herstel van de arbeidsovereenkomst.

Grief 3

Ten onrechte heeft de kantonrechter in rechtsoverweging 4.5 overwogen:

“Op grond van de redelijkheid en billijkheid bepaalt de kantonrechter dat [A] een schadevergoeding van € 17.500,- bruto toekomt. De kantonrechter heeft bij het bepalen van de hoogte van die schadevergoeding rekening gehouden met het feit dat de opzeggingstermijn in acht is genomen en [A] een jaar lang suppletie op zijn uitkering ontvangt. Ook de financiële situatie van Technochroom wordt meegewogen, alsmede het feit dat ook andere werknemers die ontslagen zijn slechts een geringe vergoeding hebben gekregen.”

2.2 Technochroom heeft in het incidenteel hoger beroep de volgende grief aangevoerd.

Grief

Deze richt zich tegen de rechtsoverwegingen 4.5 en 5.1. Volgens Technochroom zijn de gevolgen van de opzegging voor [A] niet te ernstig in vergelijking met het belang dat Technochroom had bij de opzegging. Subsidiair stelt Technochroom zich op het standpunt dat [A] hooguit een lagere schadevergoeding dan het bedrag van € 17.500,- bruto toekomt. De grief is verder gericht tegen rechtsoverweging 5.2, waarbij Technochroom is veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.832,62 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.

3. De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist, staan in hoger beroep de volgende feiten vast.

3.1 [A], geboren op [datum] [jaar], is op 30 november 1992 in dienst getreden van Hardchroom Nijkerk B.V. (verder: Hardchroom). Laatstelijk was hij werkzaam in de functie van sales project manager tegen een salaris van € 3.233,88 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag. Op deze arbeidsovereenkomst was de CAO Metaal en Techniek van toepassing.

3.2 Voordat [A] bij Hardchroom in dienst trad, heeft hij als logistiek manager gewerkt.

3.3 Volgens een uittreksel uit het handelsregister van de Kamers voor Koophandel van

14 november 2006 is Technochroom op 13 november 2006 opgericht. Oprichters waren de heren [B], [C] en [D].

3.4 Op 16 november 2006 is de onderneming van Hardchroom aan Technochroom overgedragen. Aan die overdracht lag een activatransactie van 20 oktober 2006 ten grondslag met betrekking tot de volledige inventaris, de goodwill, het onderhanden werk en de werknemers van Hardchroom.

3.5 Op 14 november 2006 heeft Technochroom het (toenmalige) CWI verzocht toestemming te verlenen de arbeidsovereenkomst met [A] en anderen op te zeggen in verband met de bedrijfseconomische omstandigheden van Hardchroom. Daarbij is vermeld dat de bedrijfsleiding van Technochroom werd gevormd door de in rechtsoverweging 3.3 genoemde heren [B], [C] en [D], die allen ook leiding gaven aan de onderneming van Galvanobedrijf Technochroom B.V. te Lelystad. [A] heeft verweer gevoerd.

3.6 Op 22 januari 2007 heeft het CWI toestemming verleend om de arbeidsovereenkomst met [A] op te zeggen. Technochroom heeft vervolgens bij brief van 23 januari 2007 de arbeidsovereenkomst met [A] opgezegd tegen 1 april 2007.

3.7 De door Technochroom aan de voor ontslag voorgedragen werknemers aangeboden afvloeiingsregeling luidde als volgt:

“Het loon van de voor ontslag voorgedragen werknemers wordt tenminste gedurende een periode van zes maanden na ontslag en in geval van werkloosheid aangevuld tot 15% van het laatst verdiende bruto salaris. De aanvulling van zes maanden wordt met een periode van zes maanden vermeerderd in het geval er sprake is van een dienstverband met tenminste tien jaren. Bij een dienstverband van tenminste vijftien jaren komt deze aanvulling uit op een periode van achttien maanden.”

3.8 In de loop van 2007 (volgens [A] medio oktober) is [A] in dienst getreden van DMI Europe B.V. te Zwolle. Zijn salaris bedroeg € 3.800,- bruto per maand. Dit betrof een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die twee maal is verlengd, voor het laatst tot en met juni 2009. Technochroom heeft [A] gedurende twaalf maanden na zijn ontslag, dus tot en met maart 2008, 15% van het laatstverdiende bruto loon als aanvulling op de WW-uitkering betaald.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Het hof zal recht doen op de - tijdig - in de memorie van grieven, tevens akte houdende wijziging van eis, vermelde eiswijziging van [A], inhoudende dat hij zich in hoger beroep primair op het standpunt stelt dat het hem gegeven ontslag nietig is wegens strijd met artikel 4 lid 1 van de EU richtlijn 98/50, omdat hem ontslag is aangezegd vanwege de overgang van onderneming.

4.2 In deze procedure gaat het verder om de vraag of, zoals [A] heeft gesteld en Technochroom gemotiveerd heeft betwist, de opzegging door Technochroom van de arbeidsovereenkomst met [A] kennelijk onredelijk is, omdat deze opzegging is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden en omdat de gevolgen van de opzegging voor [A] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Technochroom bij de opzegging, mede gezien de geringe hoogte van de getroffen voorziening en de geringe mogelijkheden van [A] om ander passend werk te vinden.

4.3 Aan [A] kan worden toegegeven dat, zoals hij bij punt 10 van de memorie van grieven heeft betoogd, de reorganisatie is ingezet in het kader van de overgang van de onderneming van Hardchroom naar Technochroom, die daartoe op 13 november 2006 is opgericht. Anders dan [A] is het hof echter met de kantonrechter van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat aan het bij het CWI ingediende verzoek niet de overgang van onderneming ten grondslag heeft gelegen, maar bedrijfseconomische redenen, waaronder de slechte financiële situatie van Hardchroom. Dat de financiële situatie van Hardchroom slecht was en dat een beperking van de kosten van de door haar gevoerde onderneming noodzakelijk was om de door Technochroom te voeren onderneming levensvatbaar te doen zijn, heeft [A] op zichzelf niet betwist. Bovendien staat tussen de partijen vast dat Technochroom een (nagenoeg) lege vennootschap was, die is opgericht met het oog op de overname van de activa van Hardchroom.

4.4 De stelling van [A] dat het hem gegeven ontslag nietig is wegens strijd met de door hem genoemde richtlijn gaat dus niet op. Dat geldt ook voor zijn stelling dat de opzegging is geschied onder opgave van een voorgewende of valse reden. Wat dat laatste betreft, voegt het hof aan hetgeen onder 4.3 is overwogen nog toe, dat als onvoldoende door [A] weersproken vast staat, dat zijn werkzaamheden zijn overgenomen door [D]. Grief 1 van [A] treft dus geen doel.

4.5 Het hof zal de grieven 2 en 3 van [A] en de grief in het incidenteel beroep gezamenlijk behandelen. Daarbij gaat het hof er van uit dat de incidentele grief van Technochroom niet alleen is gericht tegen de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde schadevergoeding, maar ook tegen het oordeel van de kantonrechter dat de opzegging kennelijk onredelijk is.

4.6 Met betrekking tot de gevallen waarin een werknemer, zoals in dit geval [A], een beroep doet op de kennelijke onredelijkheid van de opzegging op grond van het gevolgencriterium van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW overweegt het hof het volgende.

4.7 In artikel 7:681 lid 1 BW is bepaald dat indien een van de partijen de arbeidsovereenkomst, al of niet met inachtneming van de voor de opzegging geldende bepalingen, kennelijk onredelijk opzegt, de rechter steeds aan de wederpartij een schadevergoeding kan toekennen. Daartoe dient eerst de vraag te worden beantwoord of de opzegging kennelijk onredelijk is. Indien het antwoord bevestigend is, komt de schadevergoeding aan de orde.

4.8 Op grond van artikel 7:681 lid 2 aanhef en onder b BW zal opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever onder andere kennelijk onredelijk kunnen worden geacht, wanneer, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor hem bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor hem te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging.

4.9 Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging, dient de rechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (onder andere HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Hierbij kunnen onder meer de hierna genoemde omstandigheden een rol spelen.

1. Algemeen: dienstverband en opzegging

- opzeggingsgrond: risicosfeer werkgever/werknemer

- de noodzaak voor de werkgever het dienstverband te beëindigen

- de duur van het dienstverband

- de leeftijd van de werknemer bij einde dienstverband

- de wijze van functioneren van de werknemer

- de door de werkgever bij de werknemer gewekte verwachtingen

- de financiële positie van de werkgever

- ingeval van een arbeidsconflict: pogingen van partijen om een oplossing te bereiken ter vermijding van een ontslag

- bij arbeidsongeschiktheid zijn specifieke omstandigheden:

o de relatie tussen de arbeidsongeschiktheid en het werk

o de verwijtbaarheid van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid

o de aard, de duur en de mate van de arbeidsongeschiktheid (kansen op (volledig) herstel)

o de opstelling van de werkgever ten aanzien van de arbeidsongeschiktheid, met name voor wat betreft de reïntegratie

o de inspanningen van de werknemer ten behoeve van zijn reïntegratie

o de geboden financiële compensatie tijdens de arbeidsongeschiktheid (bijvoorbeeld aanvulling loon, lengte van het dienstverband na intreden arbeidsongeschiktheid)

2. Ander (passend) werk

- de inspanningen van de werkgever en de werknemer om binnen de onderneming van de werkgever ander (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld door om- of bijscholing)

- flexibiliteit van de werkgever/werknemer

- de kansen van de werknemer op het vinden van ander (passend) werk (waarbij opleiding, arbeidsverleden, leeftijd, arbeidsongeschiktheid en medische beperkingen een rol kunnen spelen)

- de inspanningen van de werknemer om elders (passend) werk te vinden (bijvoorbeeld outplacement)

- vrijstelling van werkzaamheden gedurende de (opzeg)termijn

3. Financiële gevolgen van een opzegging

- de financiële positie waarin de werknemer is komen te verkeren, waarbij van belang kunnen zijn eventuele inkomsten op grond van sociale wetgeving en eventuele pensioenschade

4. Getroffen voorzieningen en financiële compensatie

- reeds aangeboden/betaalde vergoeding

- vooraf individueel overeengekomen afvloeiingsregeling

- sociaal plan (eenzijdig opgesteld of overeengekomen met vakorganisaties of ondernemingsraad).

4.10 Anders dan [A] is het hof van oordeel dat in dit geval geen sprake is van een kennelijk onredelijke opzegging. Zoals in rechtsoverweging 4.3 al is overwogen, heeft [A] niet weersproken dat Hardchroom er financieel slecht voorstond, terwijl tussen de partijen vast staat dat Technochroom een (nagenoeg) lege vennootschap was, die is opgericht met het oog op de overname van de activa van Hardchroom. Voorts heeft [A] niet weersproken dat beperking van de kosten van de door Hardchroom gevoerde onderneming noodzakelijk was om de door Technochroom te voeren onderneming levensvatbaar te doen zijn. Of, zoals [A] heeft gesteld, sprake is geweest van financieel wanbeheer van Hardchroom, kan in het midden blijven, reeds omdat de wijze waarop Hardchroom haar onderneming heeft gevoerd niet aan Technochroom kan worden verweten. Verder waren de leeftijd en het arbeidsverleden van [A] niet van dien aard dat het moeilijk voor hem moest worden geacht ander werk te vinden, zoals ook is gebleken. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft [A] verklaard dat hij in het verleden heeft gewerkt als logistiek manager en dat zijn functie bij Hardchroom zowel technische als commerciële aspecten had, zodat zijn ervaring niet eenzijdig was. Ten slotte heeft [A] tot april 2008 een financiële aanvulling van Technochroom ontvangen, terwijl [A] (uiterlijk) medio oktober 2007 weer aan het werk is gegaan bij DMI Europe B.V., bij welke werkgever hij een salaris ontving dat in ieder geval niet lager was dan zijn laatstverdiende salaris bij Technochroom.

4.11 Het voorgaande betekent dat grief 3 van [A] faalt en dat grief 2 hem niet kan baten.

4.12 De grief van Technochroom in het incidenteel appel slaagt. Dat betekent dat de vorderingen van [A] alsnog zullen worden afgewezen en dat [A] de door de kantonrechter vastgestelde schadevergoeding zal moeten terugbetalen aan Technochroom. Anders dan [A] is het hof van oordeel dat het daarbij gaat om de schadevergoeding die door de kantonrechter is toegewezen, dus € 17.500,- bruto. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.13 In het onderhavige geval is artikel 28a van de Wet op de Loonbelasting 1964 - naar welk artikel [A] in zijn memorie van antwoord in incidenteel appel heeft verwezen - niet van toepassing. Die bepaling betreft de situatie waarin een onjuist bedrag aan loonbelasting is ingehouden en afgedragen. In het onderhavige geval is, zoals beide partijen ter gelegenheid van de pleidooien hebben verklaard, in 2007 een bedrag van € 17.500,- bruto ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag betaald. De daarop ingehouden belasting is toen terecht door Technochroom ingehouden. De omstandigheid dat het desbetreffende bruto bedrag als gevolg van dit arrest door [A] moet worden terugbetaald, doet daaraan niet af. Ook loon - waartoe een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag moet worden gerekend - waarvan achteraf blijkt dat er geen recht op bestond, is belast. De terugbetaling van het bruto bedrag door [A] aan Technochroom levert een bedrag aan negatief loon op, dat [A] in aftrek kan brengen bij zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar waarin hij heeft terugbetaald. Voor Technochroom bestaat geen mogelijkheid (meer) de door haar in 2007 ingehouden en afgedragen loonbelasting terug te vorderen van de fiscus.

4.14 Het voorgaande brengt mee dat de grief van Technochroom in het incidenteel appel ook slaagt, voor zover deze is gericht tegen de toewijzing door de kantonrechter van de vordering van [A] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten. [A] zal het bedrag van € 1.832,60 dus moeten terugbetalen. Het hof overweegt ten overvloede dat een schuldeiser, die buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek vordert, dient te stellen en te specificeren dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Deze specificatie dient te bestaan uit een omschrijving van de verrichtingen, het daarmee gemoeide aantal uren en het gehanteerde uurtarief. Naar het oordeel van het hof heeft [A] onvoldoende voldaan aan zijn stelplicht op dit punt. Om die reden zou de desbetreffende vordering ook niet toewijsbaar zijn geweest.

5. De slotsom

5.1 De grieven in het principaal appel falen, zodat het principaal appel zal worden verworpen. De grief in het incidenteel appel slaagt. Het bestreden vonnis moet dus worden vernietigd.

5.2 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal [A] in de proceskosten worden veroordeeld. Dat geldt zowel voor de kosten van de eerste aanleg als voor de kosten van het principaal en het incidenteel appel.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in

het principaal appel:

verwerpt het beroep;

veroordeelt [A] in de kosten van het hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van Technochroom begroot op € 4.893,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,- voor griffierecht, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

het incidenteel appel:

vernietigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Arnhem, sector kanton, locatie Wageningen) van 31 oktober 2007 en doet opnieuw recht;

wijst de vorderingen van [A] alsnog af;

veroordeelt [A] tot betaling aan Technochroom van een bedrag van € 17.500,- bruto, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 april 2007 tot de dag der algehele voldoening, en tot betaling aan Technochroom van een netto bedrag van € 1.832,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling door Technochroom aan [A] tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [A] in de kosten van de eerste aanleg, aan de zijde van Technochroom begroot op € 900,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [A] in de kosten van het hoger beroep, tot deze uitspraak aan de zijde van Technochroom begroot op € 2.446,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in het principaal en in het incidenteel appel:

verklaart dit arrest, voor zover het de betalingsveroordelingen en proceskosten- veroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, M.L. van der Bel en A.L.M. Keirse en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

15 september 2009.