Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL0941

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
21/000100-09
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZUT:2008:BG8510, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Laten vervoeren van een niet voor transport geschikt varken. Verdachte is houder van het varken en het niet voor transport geschikte varken is door hem voor het vervoer aangeboden. Beroep op afwezigheid van alle schuld wordt verworpen.

Lagere geldboete dan de conform de oriëntatiepunten straftoemeting gevorderde boete, nu verdachte niet eerder veroordeeld is voor een strafbaar feit.

Wetsverwijzingen
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 59, geldigheid: 2009-11-03
Wet op de economische delicten, geldigheid: 2009-11-03
Regeling dierenvervoer 2007 9, geldigheid: 2009-11-03
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Sector strafrecht

Parketnummer: 21-000100-09

Uitspraak d.d.: 3 november 2009

TEGENSPRAAK

Arrest van de economische kamer

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank Zutphen van 22 december 2008 in de strafzaak tegen

[verdachte]

gevestigd te [woonplaats, adres].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 oktober 2009 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd, zoals deze tenlastelegging in hoger beroep is gewijzigd, dat:

Hij op of omstreeks 4 juni 2007 in de gemeente [A], althans in Nederland, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de EG-verordening nr. 1/2005, immers heeft hij als houder van een of meer dieren op de plaats van vertrek (een van) die dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften behorende bij voornoemde verordening laten vervoeren, door:

? op of omstreeks 4 juni 2007 in de gemeente [A], althans in Nederland, een varken te laten vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, daar dit varken ernstig kreupel was en/of een dikke linker voorpoot had en/of zijn linker voorpoot gestrekt naar achteren hield en/of zich uitsluitend op drie poten kon voortbewegen.

Art. 59 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Art. 9 Regeling dierenvervoer 2007

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Hij op 4 juni 2007 in de gemeente [A], heeft gehandeld in strijd met artikel 8 van de EG-verordening nr. 1/2005, immers heeft hij als houder van dieren op de plaats van vertrek een van die dieren niet in overeenstemming met de technische voorschriften behorende bij voornoemde verordening laten vervoeren, door:

? op 4 juni 2007 in de gemeente Apeldoorn, een varken te laten vervoeren dat niet geschikt was voor het voorgenomen transport, daar dit varken ernstig kreupel was en een dikke linker poot had en zijn linker voorpoot gestrekt naar achteren hield en zich uitsluitend op drie poten kon voortbewegen.

Art. 59 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Art. 9 Regeling dierenvervoer 2007

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezene levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren,

begaan door een rechtspersoon.

Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op afwezigheid van alle schuld

Door de vertegenwoordiger van verdachte is betoogd dat verdachte ervan uit ging en ervan uit mocht gaan dat het varken vervoerd kon en mocht worden, zodat verdachte niet strafbaar is. Het varken liep weliswaar mank en had een dikke poot, maar dit was ten gevolge van een vergroeiing die het gevolg was van een oude, reeds genezen, verwonding. Het varken is gewoon met de andere dieren opgegroeid en kon op de dag van het transport zelfstandig de vrachtwagen op lopen, aldus de vertegenwoordiger van verdachte. Hij heeft voorts verklaard dat de verdikking niet het gevolg was van een abces en dat het varken anders ook niet geheel goedgekeurd zou zijn voor consumptie of dat op de afrekenbon zou hebben gestaan welk gewicht in mindering zou worden gebracht in verband met een afgekeurd stuk.

Het hof vat dit betoog op als een beroep op het ontbreken van alle schuld en overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de opgemaakte diergeneeskundige verklaring blijkt dat het varken een dikke linker bovenpoot had, dat de linker voorpoot gestrekt naar achteren werd gehouden, dat het dier op drie poten liep, dat de afwijkingen minstens één week oud waren – hetgeen blijkt uit een stijf gewricht – en dat het vervoer onnodig lijden of een slechte behandeling tot gevolg heeft gehad.

De getuige-deskundige [B] heeft ter terechtzitting van de economische politierechter d.d. 22 september 2008 verklaard dat de dikke schouder zonder meer een abces betrof en de getuige-deskundige [C] dat geen sprake kan zijn geweest van een vergroeiing, zoals door de vertegenwoordiger van verdachte betoogd, omdat de verdikking dan aan de achterzijde in plaats van de voorzijde van de schouder zou moeten zitten en dat er dan, ten gevolge van atrofie, waardoor de spieren verdunnen, juist sprake moet zijn van een verdunning in plaats van een verdikking. [C] heeft ook verklaard dat als een dier een abces heeft, dat nog niet wil zeggen dat het niet normaal kan opgroeien. [C] heeft voorts verklaard dat de afspraak is dat er alleen een diergeneeskundige verklaring wordt opgemaakt als een dier erg kreupel is en als het duidelijk pijn heeft. Een vergroeiing pleegt herkend te worden en wordt niet gemeld.

Tegen deze achtergrond is niet aannemelijk dat verdachte in redelijkheid geen weet kon hebben van de (voor het transport niet geschikte) conditie van het varken in kwestie. Dat wordt niet anders waar gesteld wordt dat de beide genoemde deskundigen dat verkeerd moeten hebben gezien omdat het dier voor de slacht geheel goedgekeurd is. Uit de verklaring van de getuige-deskundige [D], afgelegd ter zitting van de economische politierechter op 22 september 2008, blijk immers dat het kan zijn dat een dier waarvan bij het uitladen een diergeneeskundige verklaring is opgemaakt, bij en voor de slacht (toch) volledig wordt goedgekeurd. Uit de verklaring blijkt voorts – anders dan door verdachte betoogd – dat een abces of dergelijke al voor het wegen wordt weggesneden, dat bij het wegen geen melding wordt gemaakt van het deel dat is afgekeurd en dat het afgekeurde deel ook niet wordt gewogen.

Het beroep op het ontbreken van alle schuld wordt verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op het maatschappelijk functioneren van verdachte en haar draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De advocaat-generaal heeft een geldboete van € 900,- gevorderd, gebaseerd op de oriëntatiepunten straftoemeting, waarbij voor dergelijke feiten 45 sanctiepunten, van € 25,- per punt, wordt toegekend. Op zichzelf leveren de richtlijnen een bruikbaar uitgangspunt op, maar blijkens het uittreksel justitiële documentatie is verdachte niet eerder veroordeeld voor een strafbaar feit. Het hof ziet hierin aanleiding een lagere straf op te leggen dan gevorderd. Het hof zal tevens een deel voorwaardelijke geldboete opleggen, met als doel te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw soortgelijke feiten zal plegen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 1/2005, de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 51 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, artikel 59 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren, artikel 9 van de Regeling dierenvervoer 2007.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van EUR 900,00 (negenhonderd euro).

Bepaalt dat een gedeelte van de geldboete, groot EUR 450,00 (vierhonderdvijftig euro), niet zal worden ten uitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat verdachte zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Aldus gewezen door

mr H.W. Koksma, voorzitter,

mr J.A.W. Lensing en mr B.P.J.A.M. van der Pol, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr M. Vodegel-Irausquin, griffier,

en op 3 november 2009 ter openbare terechtzitting uitgesproken.