Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL0939

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
28-01-2010
Zaaknummer
104.003.398
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

- Arbeidsrecht; - CAO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0092
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 104.003.398

(zaaknummer rechtbank 408269/05-5334)

arrest van de vijfde civiele kamer van 21 juli 2009

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Hegeman B.V.,

gevestigd te Bemmel,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.A.M.P. Keijser.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 9 september 2008. Ingevolge dat tussenarrest heeft op 19 november 2008 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. Hegeman is in de gelegenheid gesteld om zich na de comparitie bij akte uit te laten over het door [appellant] ten behoeve van de comparitie toegezonden arrest van het gerechtshof Amsterdam van 30 september 2008 inzake Hegeman tegen FNV Bondgenoten en de Stichting VNB.

1.2 Hegeman heeft een akte genomen, waarop [appellant] bij antwoordakte heeft gereageerd.

1.3 Daarna zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2. De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1 Het hof volhardt in hetgeen in het tussenarrest van 9 september 2008 is overwogen.

2.2 Zoals reeds in voornoemd tussenarrest is overwogen is tussen partijen in geschil of Hegeman terecht over de jaren 1998 tot en met 2005 uren heeft geschrapt uit de door [appellant] via de boardcomputer verstrekte urenopgave. Hegeman heeft niet betwist dat zij uren heeft geschrapt, maar zij stelt dat zij daartoe gerechtigd was op grond van de toepasselijke cao en het door haar gehanteerde chauffeurshandboek, waarmee [appellant] zich akkoord heeft verklaard. Partijen verschillen van mening over de vraag wie de bewijslast draagt van de stelling dat al dan niet terecht uren zijn geschrapt en of [appellant] hiertegen al dan niet op de in het chauffeurshandboek voorgeschreven wijze, bezwaar heeft aangetekend.

2.3 Hegeman heeft op verzoek van het hof de toepasselijke cao’s over de jaren 1998 tot en met 2005 in het geding gebracht. Artikel 23 van deze cao’s gaat telkens over de loonberekening. Lid 2 van dit artikel luidt telkens als volgt:

“a. Alle diensturen worden uitbetaald onder aftrek van de werkelijk genoten dagelijkse rust en onder aftrek van de in bijlage VII beschreven pauzetijden. Door de werknemer doorgebrachte uren op ferrydiensten en/of treinen vallende tussen 08.00 uur en 18.00 uur zullen niet als rusturen worden aangemerkt.

b. De diensturen moeten door de werknemer worden geregistreerd op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat. Een registratieplicht geldt eveneens voor de uren besteed aan rust, pauzes en de correcties.

c. Een model van de urenverantwoordingsstaat is opgenomen in bijlage XV van de cao.

d. Het model van de door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat dient te zijn aangemeld bij het secretariaat van CAO-partijen, Postbus 19365, 2500 CJ Den Haag en te worden goedgekeurd door CAO-partijen.

e. De werknemer ontvangt van de urenverantwoordingsstaat na controle door de werkgever een voor akkoord getekend exemplaar terug.

f. De werkgever dient de ingevulde urenverantwoordingsstaat ten minste een jaar na de datum waarop de invulling betrekking had, te bewaren.

g. Voor de controle van de urenverantwoordingsstaat dienen de daarbij behorende tachograafschijven te worden overlegd.

h. Onder de voorwaarden opgenomen in bijlage XIV van deze cao, zijn werkgever en werknemer bij het gebruik van een boardcomputer vrijgesteld van de verplichtingen zoals vermeld onder b tot en met g van dit artikellid.”

2.4 Artikel 23 lid 3 onder a van de toepasselijke cao’s luidt telkens:

“a. De werkgever kan na instemming van de werknemers- en werkgeversorganisaties na voorafgaand overleg met de ondernemingsraad of kern de normale duur van de werkzaamheden, zoals genoemd in de urenverantwoordingsstaat, normeren op basis van sociaal en economisch verantwoorde praktijkervaringen en de loonberekening daarop baseren.”

2.5 [appellant] heeft niet betwist dat het door Hegeman gehanteerde chauffeurshandboek van toepassing is op hun rechtsverhouding. In dit chauffeurshandboek staat, voor zover hier van belang, het volgende:

“3.13 Urenverantwoording/Boardcomputer

De werknemer is verplicht, conform het bepaalde in artikel 23, lid 1 van de CAO voor het Goederenvervoer Nederland, de Boardcomputer (=urenverantwoordingsstaat), correct, volledig en in overeenstemming met de werkelijkheid in te vullen. De urenverantwoordingsstaten met de bijbehorende tachograafschijven dienen wekelijks op kantoor te worden ingeleverd en/of uitgelezen. Het bepaalde in dit artikel laat onverlet de bevoegdheid van de werkgever om de onjuist, onvolledig danwel onduidelijk ingevulde urenverantwoordingsstaat te corrigeren.

Vanzelfsprekend kunnen de correcties ook worden aangebracht in het geval de werknemer niet volgens de laad- en losinstructies, zoals neergelegd in artikel 13 van dit reglement, handelt. Mocht de werknemer van mening zijn, dat de werkgever op de urenverantwoordingsstaat onjuiste correcties heeft aangebracht, dan bestaat de mogelijkheid voor de werknemer hierover met de werkgever te overleggen. De werknemer dient in dat geval, binnen 4 weken na ontvangst van de urenverantwoordingsstaat schriftelijk en gemotiveerd zijn bezwaren aan de werkgever kenbaar te maken. De werkgever zal binnen vier weken op het ingediende bezwaar antwoorden. Eventuele bezwaren van de zijde van de werknemer, ingediend meer dan vier weken na loonafrekening, worden niet meer in behandeling genomen. Na deze vier weken zijn de lonen definitief vastgesteld.”

Correctiebevoegdheid

2.6 Partijen zijn het erover eens dat het de werkgever op grond van de cao in beginsel is toegestaan correcties aan te brengen in de door de werknemer opgegeven uren, maar zij twisten over de vraag hoever deze correctiebevoegdheid strekt. Niet in geschil is dat correctie mogelijk is met betrekking tot de daadwerkelijk genoten pauze, in overuren die zijn ontstaan door eigen schuld of toedoen van de werknemer en in geval niet volgens de laad- en losinstructies is gehandeld. Anders dan [appellant] stelt Hegeman dat zij ook op basis van ervaringsregels correcties mag aanbrengen. Volgens [appellant] hanteert Hegeman op deze wijze echter feitelijk het normeringsstelsel als bedoeld in artikel 23 lid 3 onder a van de cao’s, hoewel hij daartoe geen instemming van de werknemers- en werkgeversorganisaties had en geen voorafgaand overleg met de ondernemingsraad heeft gevoerd.

2.7 Bij beantwoording van de vraag in hoeverre het Hegeman op grond van de cao’s is toegestaan op basis van ervaringsregels uren te schrappen, zal moeten worden onderzocht hoe de cao’s moeten worden uitgelegd. Het hof overweegt dat voor die uitleg de bewoordingen van de desbetreffende bepalingen, gelezen in het licht van de gehele tekst van de cao’s, in beginsel van doorslaggevende betekenis zijn. Deze norm leidt niet tot een louter taalkundige uitleg omdat hier sprake is van een uitleg naar objectieve maatstaven, waarbij onder meer acht kan worden geslagen op de elders in de cao’s gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden. Indien de bedoeling van de partijen bij de cao’s naar objectieve maatstaven volgt uit de bepalingen van de cao’s en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, en dus voor de individuele werknemers en werkgevers die niet bij de totstandkoming van de overeenkomsten betrokken zijn geweest, kenbaar is, kan ook daaraan bij de uitleg betekenis worden toegekend. Opmerking verdient ten slotte dat aan onder meer deze norm van uitleg de gedachte ten grondslag ligt dat de uitleg van een schriftelijk contract niet dient plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van de bewoordingen waarin het is gesteld, al is in praktisch opzicht de taalkundige betekenis die deze bewoordingen, gelezen in de context van dat geschrift als geheel, in (de desbetreffende kring van) het maatschappelijk verkeer normaal gesproken hebben, bij de uitleg van dat geschrift vaak wel van groot belang.

2.8 Artikel 23 lid 1 onder a van de cao’s stelt tot uitgangspunt dat alle diensturen worden uitbetaald onder aftrek van de werkelijk genoten dagelijkse rust en onder aftrek van de – in een bijlage bij de cao’s beschreven – pauzetijden. Volgens artikel 23 lid 2 onder b van de cao’s moeten deze diensturen door de werknemer worden geregistreerd op een door de werkgever te verstrekken urenverantwoordingsstaat en geldt tevens een registratieplicht voor de uren besteed aan rust, pauzes en de correcties. Uit artikel 23 leden e en g van de cao’s volgt uitdrukkelijk dat het de werkgever vrij staat de door de werknemer via de urenverantwoordingsstaat opgegeven uren te controleren. De werknemer dient ten behoeve van deze controle de tachograafschijven aan de werkgever over te leggen. Uit deze controlebevoegdheid volgt naar het oordeel van het hof dat de werkgever een correctiebevoegd heeft. Zonder correctiemogelijkheid zou de controlebevoegdheid immers zonder betekenis zijn. Artikel 23 van de cao’s meldt weliswaar niet met zoveel woorden dat de werkgever naast de gegevens van de tachograaf ervaringsgegevens mag gebruiken, maar dit artikel staat daaraan naar het oordeel van het hof ook niet in de weg. Immers, zonder het gebruik van ervaringsregels, zou een zinvolle controle van werkzaamheden die niet door de tachograaf worden geregistreerd niet mogelijk zijn en zou de werkgever geen correctiemogelijkheden hebben indien één bepaalde werknemer voor bepaalde werkzaamheden structureel (wezenlijk) meer uren opgeeft dan collega’s die dezelfde werkzaamheden verrichten. Het hof acht niet aannemelijk dat de opstellers van de cao’s dit rechtsgevolg voor ogen hebben gehad. Het feit dat de werkgever voor de controle naast tachograafschrijven gebruik maakt van ervaringsgegevens, leidt voorts niet tot het oordeel dat de werkgever (feitelijk) een normeringsregeling hanteert als bedoeld in artikel 23 lid 3 van de cao’s (vergelijk HR 8-2-2002, NJ 2002, 284).

2.9 Dat in het onderhavige geval gebruik is gemaakt van een boardcomputer, maakt dat niet anders. Weliswaar zijn de werknemer en de werkgever in dat geval op grond van artikel 23 lid 2 onder h van de cao’s vrijgesteld van de verplichtingen als omschreven in de daaraan voorafgaande leden b tot en met g, maar dat laat onverlet dat de werkgever de urenregistratie moet kunnen controleren. Immers, zoals door Hegeman gesteld en door [appellant] niet betwist, moet de chauffeur bepaalde handelingen invoeren in de boardcomputer en is de juistheid van de gegevens uit de boardcomputer afhankelijk van de opgave door de chauffeur. Bovendien heeft Hegeman onbetwist gesteld dat hij bij de correctie van uren is uitgegaan van gegevens die door [appellant] in de boardcomputer zijn ingevoerd.

Bewijslastverdeling

2.10 Partijen verschillen voorts van mening over de vraag op wie de bewijslast rust van de stelling dat al dan niet terecht uren zijn geschrapt. Ten aanzien van de bewijslastverdeling overweegt het hof het volgende.

2.11 Uit de tekst van artikel 23 van de cao’s volgt naar het oordeel van het hof onmiskenbaar dat partijen bij de cao’s hebben beoogd dat de diensturen, rust- en pauzetijden en correcties op controleerbare wijze worden geregistreerd. Uit het feit dat de werknemer en de werkgever vrijgesteld zijn van deze registratieverplichtingen over en weer in het geval gebruik wordt gemaakt van een boardcomputer, leidt het hof af dat de uitdraai van deze boardcomputer (de zogenaamde kassabon) in beginsel bepalend is voor de vaststelling van het werkelijk gemaakte aantal diensturen.

2.12 De werknemer dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat uren zijn geschrapt. De kassabon is daarbij uitgangspunt voor de bepaling van de daadwerkelijk gemaakte diensturen. Tevens moet de werknemer stellen en zo nodig bewijzen, dat hij tegen de loonafrekening tijdig (binnen vier weken na ontvangst van de urenverantwoordingsstaat) schriftelijk en gemotiveerd bezwaar heeft gemaakt als bedoeld in artikel 3.13 van het chauffeurshandboek. De werkgever zal vervolgens dienen te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij rechtmatig correcties in deze uren heeft aangebracht, dat wil zeggen correcties in de onder rechtsoverweging 2.6 en 2.8 bedoelde gevallen.

2.13 Voor zover [appellant] met grief II op komt tegen het oordeel van de kantonrechter dat op hem de bewijslast van de stelling rust dat Hegeman onjuist en willekeurig uren heeft geschrapt, slaagt deze.

2.14 De gegrondbevinding van de grief van [appellant], die met zijn hoger beroep alsnog toewijzing van zijn – in hoger beroep gewijzigde – vordering beoogt te bewerkstelligen, stelt de toewijsbaarheid van die vordering aan de orde. De devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat alsnog de verweren van Hegeman tegen deze vordering dienen te worden beoordeeld.

2.15 Het hof overweegt dat nu geen grief is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat het beroep van Hegeman op verjaring faalt, het hof hieraan is gebonden en dit verweer niet nogmaals in hoger beroep aan de orde kan komen.

2.16 Het hof overweegt voorts dat [appellant] heeft gesteld dat de door hem gevorderde kerstuitkering over 2005 door Hegeman is voldaan en dat Hegeman terecht heeft gesteld dat hij ten onrechte loon over drie wachtdagen (namelijk 7 februari, 3 mei en 9 december 2005) heeft gevorderd en over 1 november 2005 ten onrechte doorbetaling van loon wegens geen werk. In totaal gaat het om een bedrag van € 990,14 bruto. In zoverre heeft [appellant] zijn vordering verminderd.

Omvang geschrapte uren

2.17 Vervolgens dient te worden beoordeeld of voldoende is komen vast te staan dat Hegeman de uren waarvan [appellant] betaling heeft gevorderd, heeft geschrapt. Hegeman heeft niet betwist dat zij uren heeft geschrapt, maar wel de door [appellant] gestelde omvang daarvan.

2.18 Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [appellant] over de periode van 1998 tot en met 2005 overzichten met werkverantwoordingen (hierna: urenstaten), kassabonnen uit de boardcomputer, kopieën van tachograafschijven en salarisstroken in het geding gebracht. Op de – door Hegeman aan [appellant] – verstrekte urenstaten is door [appellant] telkens het aantal uren genoteerd dat in vergelijking met de kassabonnen – die zoals hiervoor overwogen in beginsel bepalend zijn ter vaststelling van de gemaakte diensturen – ontbreekt. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] hiermee voldoende aangetoond dat Hegeman deze uren heeft geschrapt. Van een aantal perioden heeft [appellant] geen urenstaat in het geding gebracht, zodat hij zijn vordering tegenover de betwisting door Hegeman in zoverre onvoldoende heeft onderbouwd en het hof hem reeds daarom niet zal toelaten tot het bewijs van zijn stelling dat Hegeman in die periodes uren heeft geschrapt. De vordering van [appellant] voor zover betrekking hebbend op deze periodes, zal – nu hij niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ter zake – worden afgewezen.

2.19 Het hof overweegt voorts dat Hegeman onbetwist heeft gesteld dat zij meermalen nadat [appellant] de urenstaten bij hem had ingeleverd, alsnog in eerste instantie geschrapte uren heeft uitbetaald. Hegeman heeft als productie C bij memorie van antwoord een overzicht in het geding gebracht met daarop onder meer de uren die volgens haar alsnog zijn uitbetaald. Aangezien [appellant] dit overzicht en de daaraan ten grondslag liggende stellingen niet heeft betwist, gaat het hof uit van de juistheid daarvan. Voor zover de vordering van [appellant] betrekking heeft op deze kennelijk alsnog uitbetaalde uren, dient deze te worden afgewezen.

Tijdig gereclameerd?

2.20 Vervolgens rijst de vraag of [appellant] tijdig heeft gereclameerd als bedoeld in artikel 3.13 van het chauffeurshandboek.

2.21 Hegeman heeft in het onder 2.19 bedoelde overzicht onbetwist gesteld dat [appellant] de urenstaten over de periodes 5, 6 en 7 van 1998; 4, 6 en 7 van 1999; 11 van 2001; 7, 9 en 13 van 2002 niet dan wel niet tijdig – dat wel zeggen binnen vier weken na de loonafrekening – bij haar heeft ingeleverd. Nu niet gesteld en ook niet is gebleken dat [appellant] op andere wijze binnen de daartoe gestelde termijn van – kort gezegd – vier weken schriftelijk bezwaar heeft gemaakt tegen deze loonafrekeningen, dient te worden aangenomen dat deze loonafrekeningen definitief zijn komen vast te staan. Voor zover de vordering van [appellant] ziet op deze periodes, zal deze worden afgewezen.

2.22 Ten aanzien van de door [appellant] gevorderde uren over de periode 13 van 2003 heeft Hegeman in haar overzicht gesteld dat [appellant] deze urenstaat niet bij haar heeft ingeleverd en dus niet (tijdig) heeft gereclameerd. Uit de door [appellant] gedeponeerde urenstaat over deze periode blijkt echter dat Hegeman deze staat in behandeling heeft genomen en alsnog 10 ¾ uur heeft uitbetaald, zodat het hof ervan uitgaat dat [appellant] de urenstaat wel tijdig bij Hegeman heeft ingeleverd. De door Hegeman alsnog uitbetaalde uren dienen in mindering te worden gebracht op de vordering van [appellant].

2.23 Hegeman heeft voorts gesteld dat de door [appellant] wel tijdig aan hem geretourneerde urenstaten niet als gemotiveerd bezwaar als bedoeld in artikel 3.13 van het chauffeurshandboek zijn aan te merken, nu [appellant] op deze staten enkel de ontbrekende uren noteerde, zonder nadere toelichting daarop.

2.24 Wat hier verder ook van zij, doordat Hegeman telkens de door [appellant] geretourneerde urenstaten met daarop genoteerd de volgens hem in vergelijking met de kassabon ontbrekende uren, in behandeling heeft genomen, heeft hij deze kennelijk als bezwaar in de zin van artikel 3.13 van het chauffeurshandboek aangemerkt. Het hof passeert reeds daarom deze stelling van Hegeman.

2.25 Hegeman heeft voorts gesteld dat [appellant], nadat zij de correcties had toegelicht, daarin heeft berust, zodat de loonafrekening volgens artikel 3.13 van het chauffeurshandboek alsnog is komen vast te staan. Volgens Hegeman is de bedoeling van dit artikel enerzijds het overleg te regelen over bezwaren van de werknemer met betrekking tot de loonafrekening en anderzijds om dat overleg binnen redelijke termijn af te ronden, waarbij partijen nog over de gegevens beschikken en die gegevens ook niet langer dan die redelijke termijn bewaard hoeven te worden.

2.26 Naar het oordeel van het hof zijn voor de uitleg van artikel 3.13 van het chauffeurshandboek, gelet op het feit dat dit is bestemd om de rechtspositie van de werknemers op uniforme wijze te regelen en gesteld noch gebleken is dat [appellant] is betrokken bij de totstandkoming daarvan, de bewoordingen daarvan gelezen in het licht van de gehele tekst van het handboek, in beginsel van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de opstellers van het handboek, voorzover deze niet uit de bepalingen van het handboek kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het handboek is gesteld. Bij deze uitleg kan onder meer acht worden geslagen op de elders in het handboek gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties, zouden leiden.

2.27 Uit de tekst van artikel 3.13 volgt naar het oordeel van het hof niet dat – in het geval de werknemer geen bezwaren uit naar aanleiding van de reactie van de werkgever op zijn reclamatie – de loonafrekening vast staat, nog daargelaten het feit dat [appellant] heeft betwist dat hij niet heeft gereageerd op toelichtingen van Hegeman, hetgeen ook uit een aantal door hem gedeponeerde urenstaten blijkt. De kennelijke bedoeling van de bepaling is te voorkomen dat de werkgever lange tijd een uitgebreide administratie moet bijhouden van alle doorgevoerde correcties in de door zijn werknemers opgegeven uren en dat hij na verloop van tijd nog wordt geconfronteerd met bezwaren over doorgevoerde correcties, waartegen hij zich in verband met het tijdsverloop en het ontbreken van een dergelijke administratie moeilijk kan verweren. Weliswaar rust op de werkgever een administratieplicht, maar de cao verplicht de werkgever niet om – in geval van gebruik van een boardcomputer – een administratie van alle gecorrigeerde uren bij te houden. Door binnen vier weken te reclameren wordt aan deze strekking voldaan. In dat geval weet de werkgever immers dat de werknemer het niet eens is met de doorgevoerde correcties en is dan in staat om zich te verweren tegen het protest van de werknemer. Niet beschreven is wat er gebeurt in het geval het overleg niet tot een oplossing leidt dan wel in geval de werknemer niet op de toelichting van de werkgever reageert. Dat de loonafrekening dan alsnog komt vast te staan, zoals door Hegeman betoogd, vindt naar het oordeel van het hof echter geen steun in de tekst en de strekking van de bepaling. Immers, zodra de werkgever weet dat de werknemer het niet eens is met de correcties ligt het op de weg van de werkgever – hoewel hij daartoe krachtens de cao niet is verplicht – daarvan een valide administratie bij te houden.

2.28 Voor zover Hegeman heeft bedoeld te stellen dat [appellant] door niet te reageren op haar toelichting op de door haar geschrapte uren zijn recht heeft verwerkt om alsnog loon over deze uren te vorderen, overweegt het hof het volgende. Een beroep op rechtsverwerking komt neer op een beroep op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid. Dat houdt in dat aan de strenge voorwaarde moet zijn voldaan dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat een rechthebbende zich op zijn recht beroept. Zodanig beroep kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden gegrond worden geoordeeld. Dit brengt ook mee dat genoegzame concrete feiten moeten zijn aangevoerd, waarop dit beroep kan worden gegrond. Het enkele stilzitten van [appellant] nadat Hegeman een toelichting heeft gegeven op de correcties is – indien al juist – daartoe onvoldoende. Evenmin is de stelling van Hegeman dat haar bewijspositie onredelijk is verzwaard doordat [appellant] nu alsnog correcties aan de orde stelt hoewel zij op grond van artikel 23 lid 2 onder h van de cao’s ter zake geen registratieplicht heeft, voldoende. [appellant] heeft door het retourneren van de urenstaten te kennen gegeven het niet eens te zijn met de door Hegeman toegepaste correcties. Hegeman heeft er dan ook rekening mee moeten houden dat [appellant] op enig moment betaling van de geschrapte uren zou vorderen. Het had daarom op de weg van Hegeman gelegen een administratie bij te houden van de door haar aangebrachte correcties in de uren van [appellant], te meer nu niet gesteld en ook niet gebleken is dat dat bezwaarlijk was voor haar dan wel dat zij nadeel zou lijden in geval het aan [appellant] verschuldigde loon niet definitief zou komen vast te staan. Het beroep van Hegeman op rechtsverwerking faalt.

2.29 Resumerend komt het hof tot het oordeel dat Hegeman de bewijslast draagt van haar stelling dat zij de volgende uren zoals door [appellant] aangetekend op de urenstaten rechtmatig, dat wil zeggen in de gevallen als vermeld onder rechtsoverwegingen 2.6 en 2.8, heeft geschrapt:

Jaar 1998 Periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. 9:55 4:25 5:30

2. 10:22 0:30 9:52

3. 5:39 5:39

4. 2:36 2:36

5. Niet gereclameerd 0:00

6. Niet gereclameerd 0:00

7. Niet gereclameerd 0:00

8. 4:40 4:40

9. 4:07 4:07

10. 6:33 7:00 -0:27

11. 2:29 2:29

12. Urenstaat niet in depot 0:00

13. 0:30 0:30

TOTAAL 46:51 11:55 34:56

Jaar 1999 Periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. 6:02 2:30 3:32

2. 4:15 4:15

3. 9:56 9:56

4. Niet gereclameerd 0:00

5. 4:35 1:00 3:35

6. Niet gereclameerd 0:00

7. Niet gereclameerd 0:00

8. Urenstaat niet in depot 0:00

9. Urenstaat niet in depot 0:00

10. Urenstaat niet in depot 0:00

11. Urenstaat niet in depot 0:00

12. 7:25 1:00 6:25

13. 9:03 3:30 5:33

TOTAAL 41:16 8:00 33:16

Jaar 2000 periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. 4:55 4:55

2. 9:25 2:30 6:55

3. 5:00 5:00

4. 8:00 8:00

5. 1:25 1:25

6. 0:00 0:00

7. Urenstaat niet in depot 0:00

8. 2:45 2:45

9. 13:48 10:00 3:48

10. 2:05 2:05

11. 6:02 1:30 4:32

12. 4:10 1:00 3:10

13. 7:10 7:10

TOTAAL 64:45 15:00 49:45

Jaar 2001 periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. Urenstaat niet in depot 0:00

2. Urenstaat niet in depot 0:00

3. Urenstaat niet in depot 0:00

4. Urenstaat niet in depot 0:00

5. Urenstaat niet in depot 0:00

6. 12:15 1:30 10:45

7. 6:50 3:00 3:50

8. 6:00 6:00

9. 15:15 1:30 13:45

10. 4:55 4:55

11. Niet gereclameerd 0:00

12. 14:45 2:15 12:30

13. 10:40 2:00 8:40

TOTAAL 70:40 10:15 60:25

Jaar 2002 periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. 2:00 2:00

2. 7:35 1:00 6:35

3. Urenstaat niet in depot 0:00

4. 6:10 6:10

5. 13:35 0:45 12:50

6. 13:25 13:25

7. Te laat gereclameerd 0:00

8. 8:10 8:10

9. Te laat gereclameerd 0:00

10. 13:30 8:00 5:30

11. 22:33 (volgens urenstaat) 22:33

12. 7:35 8:30 -0:55

13. Niet gereclameerd 0:00

TOTAAL 94:33 18:15 76:18

Jaar 2003 periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. Urenstaat niet in depot 0:00

2. Urenstaat niet in depot 0:00

3. 11:50 11:50

4. 33:15 33:15

5. 30:35 1:00 29:35

6. 31:55 6:15 25:40

7. 5:05 5:05

8. 10:35 10:35

9. 21:45 21:45

10. Urenstaat niet in depot 0:00

11. Urenstaat niet in depot 0:00

12. Urenstaat niet in depot 0:00

13. 32:15 10:45 21:30

TOTAAL 177:15 18:00 159:15

Jaar 2004 periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. Urenstaat niet in depot 0:00

2. 32:55 32:55

3. 24:30 2:00 22:30

4. 6:05 6:05

5. 14:05 7:00 7:05

6. 24:20 24:20

7. 13:15 13:15

8. 29:05 13:15 15:50

9. 0:00 0:00

10. 22:45 22:45

11. 27:50 0:30 27:20

12. 16:50 16:50

13. 24:20 24:20

53. Niet gereclameerd 0:00

TOTAAL 236:00 22:45 213:15

Jaar 2005 Periode Tekort na vergelijking urenstaat en kassabon Correctie door Hegeman Te bewijzen geschrapte uren

1. 35:45 3:00 32:45

2. 7:55 7:55

3. 30:20 0:45 29:35

4. 25:25 1:30 23:55

5. 13:12 13:12

6. 21:30 21:30

7. 23:50 23:50

8. 22:10 22:10

9. 22:50 22:50

10. 18:05 18:05

11. 23:00 23:00

12. 37:50 37:50

13. 7:15 7:15

TOTAAL 289:07 5:15 283:52

2.30 Het hof zal Hegeman overeenkomstig haar bewijsaanbod bewijs opdragen van haar stelling dat zij voornoemde uren rechtmatig heeft geschrapt.

2.31 Ten aanzien van de gevorderde verblijfskosten overweegt het hof dat Hegeman onbetwist heeft gesteld dat [appellant] deze kosten ten onrechte heeft verbonden aan de geschrapte uren. Volgens Hegeman zijn de uitgevoerde correcties alleen van invloed op de verblijfskosten indien deze uren betreffen aan het begin of einde van een dienst en de desbetreffende chauffeur thuis rust heeft gehad. Hegeman heeft voorts gesteld dat [appellant] diverse malen overnachtingskosten heeft opgegeven hoewel hij thuis was.

2.32 Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] – tegenover de gemotiveerde betwisting door Hegeman – onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat hij recht heeft op de door hem gevorderde verblijfskosten. Gesteld en ook niet gebleken is op welke wijze [appellant] de kosten heeft berekend. De door [appellant] in het geding gebrachte berekeningen geven geen inzicht daarin. Het enkel overleggen van een artikel uit de cao waarin het recht op deze kosten wordt toegekend, is voorts onvoldoende. Nu [appellant] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht ter zake zal het hof de gevorderde verblijfskosten afwijzen.

2.33 Voor het geval Hegeman niet slaagt in het bewijs van haar stelling als weergegeven onder rechtsoverweging 2.30, overweegt het hof ten aanzien van de door [appellant] gevorderde tredeverhogingen het volgende.

2.34 [appellant] heeft gesteld dat hem vanaf juni 2002 in strijd met artikel 18 van de cao’s geen tredeverhogingen zijn toegekend. Volgens [appellant] had hij in juni 2002 in trede 5 ingeschaald moeten worden en in juni 2003 in trede 6, zijnde de hoogste trede. Vanaf juni 2000 is hij echter ingeschaald in trede 4. Hegeman heeft gesteld dat [appellant] in eerste aanleg deze tredeverhogingen niet heeft gevorderd, onder verwijzing naar de conclusie van repliek van [appellant], waarin [appellant] stelt: “[appellant] constateert dat hij in de onderhavige procedure niet het op grond van deze niet (tijdig) toegekende tredeverhogingen te weinig ontvangen loon heeft gevorderd. Hij zal dat thans ook niet doen, want dit zou een aanzienlijke wijziging van eis impliceren”. Volgens Hegeman kan deze vordering daarom niet in hoger beroep worden behandeld. Uit de door [appellant] bij de inleidende dagvaarding gevoegde berekeningen blijkt echter dat [appellant] de tredeverhogingen wel heeft gevorderd. De geciteerde passage uit de conclusie van repliek begrijpt het hof aldus dat [appellant] geen tredeverhogingen zal vorderen over het reeds door hem ontvangen loon.

2.35 Hegeman heeft voorts met een beroep op artikel 18 lid 2 van de cao’s gesteld dat zij terecht geen tredeverhoging heeft toegekend vanwege onvoldoende functioneren door [appellant]. Volgens Hegeman heeft zij herhaaldelijk schriftelijk aan [appellant] te kennen gegeven dat hem vanwege de onvoldoende uitvoering van zijn werkzaamheden geen tredeverhoging zou worden toegekend. Ter onderbouwing van deze stelling heeft Hegeman brieven van augustus 2000, 2 mei 2003 en 29 april 2004 in het geding gebracht.

2.36 Artikel 18 lid 2 van de cao’s luidt als volgt:

“a. De werknemer zal bij normale uitvoering van zijn werkzaamheden na verloop van elk vol functiejaar, een salarisverhoging worden toegekend, die gelijk is aan één loontrede van de functieloonschaal waarin hij is ingedeeld, tot hij het maximum van die loonschaal heeft bereikt.

b. Indien de werkgever aan kan tonen dat er sprake is van onvoldoende uitvoering van de werkzaamheden en op grond daarvan geen tredeverhoging wenst toe te kennen, doet hij hiervan schriftelijke mededeling aan het betreffende personeelslid, onder opgave van redenen en uiterlijk 1 maand vóór het tijdstip waarop de tredeverhoging zou ingaan.”

2.37 [appellant] heeft onbetwist gesteld dat zijn periodiekdatum 1 juni is en dat hij met ingang van 1 juni 2000 is ingeschaald in D4. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat Hegeman overeenkomstig artikel 18 lid 2 onder b van de cao’s [appellant] uiterlijk een maand voor het tijdstip waarop de tredeverhoging zou ingaan schriftelijk heeft medegedeeld dat hij vanwege onvoldoende functioneren niet in aanmerking zou komen voor een verhoging. Weliswaar heeft Hegeman een brief gedateerd augustus 2000 in het geding gebracht, maar deze brief heeft betrekking op de daaraan voorafgaande periode. In de brief is bovendien vermeld dat [appellant] op dat moment niet in aanmerking komt voor een hogere trede en dat Hegeman periode 3-2001 opnieuw zal beoordelen of [appellant] de komende periode de werkzaamheden voldoende uitvoert. Niet gesteld en ook niet gebleken is dat Hegeman vervolgens uiterlijk op 1 mei 2001 aan [appellant] heeft medegedeeld dat hij nog steeds niet voldoende functioneert en daarom niet in aanmerking komt voor een tredeverhoging per 1 juni 2001. Evenmin gesteld of gebleken is dat een dergelijke mededeling is gedaan ter zake de tredeverhoging van 1 juni 2003. Daarmee staat vast dat Hegeman in strijd met artikel 18 van de cao heeft gehandeld door [appellant] geen tredeverhoging toe te kennen per 1 juni 2001 en 1 juni 2002. Aangezien [appellant] op 1 juni 2002 de maximale trede zou hebben bereikt, zijn de brieven van Hegeman van 2 mei 2003 en 29 april 2004 niet meer van belang.

2.38 [appellant] heeft voorts gesteld dat hij met ingang van 1 mei 2003 vanuit salarisschaal E is teruggeplaatst in salarisschaal D. Aangezien [appellant] de vanaf 1 mei 2003 gevorderde uren heeft berekend volgens salarisschaal E heeft hij in zoverre zijn vordering verminderd. In zijn berekening is hij echter ook vanaf 1 mei 2003 uitgegaan van salarisschaal E.

2.39 In het geval Hegeman niet in haar bewijsopdracht slaagt, zal [appellant] – met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen – een nieuwe berekening in het geding moeten brengen, waarop Hegeman zal kunnen reageren.

2.40 Het hof overweegt dat indien Hegeman bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het hof aansluitend aan de contra-enquête, en voor het geval daarvan wordt afgezien na de enquête, een comparitie van partijen zal gelasten, teneinde inlichtingen te verkrijgen en te onderzoeken of partijen het op één of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

2.41 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat Hegeman toe tot het onder rechtsoverweging 2.30 vermelde bewijs;

bepaalt dat, indien Hegeman dat bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W. Duitemeijer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ([appellant] in persoon en Hegeman vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat Hegeman het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de rolzitting van 4 augustus 2009, ambtshalve peremptoir, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld en in beginsel geen uitstel in verband met verhinderingen zal worden verleend;

bepaalt dat Hegeman overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

bepaalt dat partijen, indien zij zich willen beroepen op nieuwe bescheiden, deze tijdig vóór de zitting aan de wederpartij en aan het hof dienen te verzenden, zodanig dat deze uiterlijk een week vóór de zitting kunnen zijn ontvangen;

bepaalt dat, indien Hegeman het bewijs door middel van getuigen wenst te leveren, na afloop van de (contra)enquête partijen ([appellant] in persoon en Hegeman vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het geven van de verlangde inlichtingen in staat is en hetzij bevoegd hetzij speciaal schriftelijk gemachtigd is tot het aangaan van een schikking) tezamen met hun advocaten zullen verschijnen voor de raadsheer-commissaris op een nader door deze te bepalen dag en tijdstip, zulks tot het geven van inlichtingen en opdat kan worden onderzocht of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. Fokker, H. Wammes en W. Duitemeijer, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009.