Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BL0057

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
21-07-2009
Datum publicatie
07-04-2010
Zaaknummer
200.003.477
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het hof volgt uit de motivering van de uitspraak van de Arbitrazh Rechtbank, en in het bijzonder uit de onder 3.1.6 geciteerde passages daarvan, dat de Arbitrazh Rechtbank, met inachtneming van artikel 9 van de hoofdovereenkomst, naar Russisch recht heeft beoordeeld of de arbitrageclausule geldig is en dat zij bij dit oordeel uitdrukkelijk de vraag heeft betrokken of Amendment 1-A naar Russisch recht aan die geldigheid zou kunnen afdoen, welke vraag zij vervolgens ontkennend heeft beantwoord. Nu Northern Linen geen argumenten naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zal ook het hof ervan uitgaan dat Amendment 1-A aan de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst niet in de weg staat.

De slotsom is dan ook dat Northern Linen niet heeft weten te bewijzen dat de arbitrageclausule niet geldig is krachtens het recht waaraan partijen haar hebben onderworpen, of – indien elke aanwijzing hieromtrent ontbreekt – krachtens het recht van het land waar de uitspraak werd gewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.003.477

(zaaknummer rechtbank 157381)

beschikking van de derde civiele kamer van 21 juli 2009

inzake

de vennootschap naar vreemd recht OAO Gavrilov-Jamskij L’nokombinat,

gevestigd te Gavrilov-Jam, Russische Federatie,

verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen (voorheen: mr. H. van Ravenhorst)

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Northern Linen B.V.,

gevestigd te Oosterhout, gemeente Nijmegen,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. P.A.C. de Vries.

1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de beschikkingen van 19 oktober 2007 en 14 januari 2008 die de rechtbank Arnhem tussen verzoekster in het principaal hoger beroep tevens verweerster in het incidenteel hoger beroep (hierna ook te noemen: Gavrilov) als verzoekster en verweerster in het principaal hoger beroep tevens verzoekster in het incidenteel hoger beroep (hierna ook te noemen: Northern Linen) als verweerster heeft gegeven. Van die beschikkingen is een fotokopie aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Bij op 14 maart 2008 ingekomen beroepschrift is Gavrilov in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 januari 2008 en heeft zij vier grieven tegen de bestreden beschikking aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en, opnieuw beschikkende, de verweren van Northern Linen in eerste aanleg zal verwerpen en het verzoek van Gavrilov in eerste aanleg zal toewijzen, met de veroordeling van Northern Linen in de kosten van beide instanties.

2.2 Bij verweerschrift heeft Northern Linen de grieven bestreden, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Zij heeft verzocht dat het hof Gavrilov niet-ontvankelijk zal verklaren in haar beroep, althans dit beroep zal afwijzen, en de bestreden beschikking zal bekrachtigen, althans in stand zal laten, met veroordeling van Gavrilov in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het principaal hoger beroep.

2.3 Bij dit verweerschrift heeft Northern Linen incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 14 januari 2008 en heeft zij hiertegen één grief aangevoerd en toegelicht, bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht. Northern Linen heeft verzocht zoals hiervoor vermeld onder 2.2, laatste zin, met veroordeling van Gavrilov in de kosten van [bedoeld zal zijn:] het incidenteel hoger beroep.

2.4 De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2008. Bij die gelegenheid hebben partijen de zaak mondeling doen toelichten, Gavrilov door mr. W.A. Timmermans, advocaat te Leiden, en Northern Linen door mr. V.J.A. Hetterscheidt, advocaat te Doetinchem, beiden overeenkomstig de daarbij overgelegde pleitnota’s en onder overlegging van producties.

2.5 Hierna heeft Gavrilov het hof bij brief van 2 september 2008, met bijlage, nadere informatie verstrekt. Bij brief van 22 september 2008, met bijlagen, heeft Northern Linen hierop gereageerd.

2.6 Bij brief van 10 oktober 2008, met bijlagen, heeft Gavrilov zich wederom uitgelaten. Op laatstgenoemde brief heeft Northern Linen vervolgens bij brief van 2 december 2008, met bijlagen, gereageerd.

2.7 Vervolgens heeft het hof beschikking bepaald op heden.

3. De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties dan wel als door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep niet bestreden, de navolgende feiten vast.

3.1.1 Een door partijen ondertekende, in de Russische en in de Engelse taal gestelde, overeenkomst, gedateerd 16 juli 2004, (hierna: de hoofdovereenkomst), waarin Gavrilov wordt aangeduid als “Seller” en Northern Linen als “Buyer”, vermeldt in de Engelse tekst het volgende, voor zover van belang:

CONTRACT No BL/00321253/00048

[…]

1. Subject and value of the Contract

The Seller has sold and the Buyer has bought the linen fabrics hereinafter referred as the “Goods”. […]

The total value of this Contract is approximately 140 000,00 […] EUR.

9. Arbitration

All disputes, differences and demands which may arise out or in connection with this Contract will be submitted for settlement to international Commercial Arbitration Court of the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation, in Moscow, in accordance with the Rules for procedure on the above mentioned Court and in the Russian language.

The award of the International Commercial Arbitration Court of the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation, Moscow, shall be final and binding upon the both Parties.

This Contract in all cases is governed and construed in accordance with the substantive laws of the Russian Federation.

10. General conditions

[…]

The present Contract is executed in duplicate in English and in Russian. Both originals are of the same valid. In case of differences between English and Russian version of text of the Contract applies Russian version.

3.1.2 Een in de Russische en in de Engelse taal gesteld, getekend schriftelijk stuk, met als datum 16 juli 2004 en als opschrift “Amendment N 1 to Contract no. BL/00321253/00048 of 16.07.2004” (hierna: Amendment 1-A) vermeldt in de Engelse tekst het volgende, voor zover van belang:

[…] Gavrilov […], hereinafter referred as the "Seller" on the one side and Northern Linen […], hereinafter referred as the "Buyer" on the other side considered Contract No. BL/00321253/00048 d.d. 16.07.04 have concluded the following Amendment N 1-A:

The Subject and Terms of Present Amendment

1. The present Amendment No 1-A is added to the present Contract in order to stipulate the delivery of flax as payment for the goods as mentioned in the Appendix No 1 to the present Contract.

2. The Buyer and The Seller agreed to include the third party into the present contract – OOO "Lyontorg", hereinafter referred as the "Flax Supplier".

[…]

4. The present Amendment No 1-A is made because a triangle agreement is not according the export regulations of the Seller.

[…]

8. In case of disagreements, disputes between the three parties involved the case has to be solved mutually. In case this may not be possible then all disputes that may arise out of the present Contract or in connection with it will be submitted at the Court in Arnhem, The Netherlands in accordance with Dutch law. Any award of the court will be final and binding for both Parties. Choice for Dutch law is because of the fact this contract concerns a triangle agreement.

9. The present Amendment N-1A is integral part of the Contract No BL/00321253/00048 dd.16.07.04, and all points stipulated in this Amendment No 1-A are overruling the items as mentioned in the Contract. This present Amendment No 1-A comes into power immediately it is signed by 3 parties and acts till the full execution of mutual obligations.

All other terms of the Contract wilt stay without changes.

3.1.3 De in artikel 9 van de hoofdovereenkomst genoemde International Commercial Arbitration Court of the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation te Moskou (hierna: de International Commercial Arbitration Court) heeft bij uitspraak van 5 juli 2006 in de bij dit scheidsgerecht aanhangige procedure tussen Gavrilov als eiseres en Northern Linen als gedaagde in verband met een tussen partijen gerezen geschil over de uitvoering van de tussen hen gemaakte afspraken, Northern Linen bij verstek veroordeeld tot betaling aan Gavrilov van een bedrag van € 109.210,54 als schuld voor geleverde goederen, € 3.000,00 als onkosten van Gavrilov in verband met belangenbehartiging door juridische vertegenwoordigers, en eveneens US dollars 12.722,18 voor de terugbetaling van de kosten van arbitrage.

3.1.4 Artikel 44 van het Reglement van de International Commercial Arbitration Court van 8 december 1994, zoals dat heeft gegolden in de periode van 1 mei 1995 tot 1 maart 2006, vermeldt in de Engelse vertaling het volgende, voor zover van belang:

§ 44. Execution of the Award

The awards of the ICAC shall be executed by the parties voluntarily within the period specified in the arbitral award. If no period is indicated in the award, the latter shall be carried out immediately.

Artikel 44 van het Reglement van de International Commercial Arbitration Court van 1 maart 2006, dat vanaf die datum geldt, bevat een vergelijkbare bepaling.

3.1.5 Gavrilov heeft ingevolge een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 22 juni 2007 ten laste van Northern Linen conservatoir beslag doen leggen.

3.1.6 Bij uitspraak van 13 maart 2008 heeft de Arbitrazh Rechtbank van de stad Moskou (hierna: de Arbitrazh Rechtbank) de door Northern Linen bij deze rechtbank als aanlegger geëntameerde procedure die strekte tot vernietiging van de onder 3.1.3 genoemde scheidsrechterlijke uitspraak van de International Commercial Arbitration Court van 5 juli 2006 (hierna: de scheidsrechterlijke uitspraak), beëindigd op de voet van artikel 150 lid 1, sub 1, van de APKRF, het Arbitrazh proceswetboek van de Russische Federatie.

Een beëdigde Nederlandse vertaling van de motivering van deze uitspraak vermeldt het volgende, voor zover van belang:

De verwijzing van de aanlegger naar de aanvullende overeenkomst is ongegrond, aangezien van de kant van de verkoper de overeenkomst ondertekend is door een persoon, van wie de bevoegdheid niet is aangeduid. Behalve dat de aanvullende overeenkomst ondertekend is op dezelfde dag als de [hoofd]overeenkomst, wordt daarin niet bepaald dat partijen de voorwaarde over arbitrage wijzigen. Aldus zijn in de overeenkomst twee arbitrageclausules opgenomen: MKAS [de Russische aanduiding van de International Commercial Arbitration Court, hof] en de rechtbank van Arnhem, Nederland. Daarbij komt dat een authentieke aanvullende overeenkomst niet aan de rechtbank is overgelegd en de verkoper ontkent de ondertekening daarvan, alsook het bestaan van die overeenkomst. […]

Zoals volgt uit deel 9 van de overeenkomst No. BL/00321253/00048 van 16.07.04 hebben partijen erin voorzien dat alle geschillen, verschillen van mening en vorderingen voortvloeiende uit of in verband met deze Overeenkomst moeten worden voorgelegd ter behandeling door het Internationale handelsarbitrage gerecht bij de KvK van de RF te Moskou, in overeenstemming met zijn reglement. Het vonnis van MKAS bij de KvK RF is definitief en bindend voor partijen.

In aanmerking nemende dat de gegeven overeenkomst en bedoelde voorwaarde ondertekend waren door de juiste personen binnen de grenzen van hun bevoegdheden, acht de rechtbank de wil van partijen het vonnis van het scheidsgerecht het karakter van een definitief vonnis te geven als vastgesteld.

3.1.7 In het door Northern Linen ingestelde cassatieberoep bij de Federale Arbitrazh Rechtbank van de Kring Moskou (hierna: de Federale Arbitrazh Rechtbank), dat strekte tot vernietiging van de scheidsrechterlijke uitspraak, is op 25 september 2008 uitspraak gedaan. Het roljournaal vermeldt in de Nederlandse vertaling het volgende, voor zover van belang:

Behandeld. Vonnis (beschikking) van de rechtbank in 1e instantie en het vonnis van de appelrechtbank ongewijzigd laten, en het cassatieverzoek af te wijzen.

3.1.8 Vervolgens heeft Northern Linen bij de Supreme Arbitrazh Court of the Russian Federation een verzoek ingediend tot vernietiging van de uitspraken van de Arbitrazh Rechtbank van 13 maart 2006 en van de Federale Arbitrazh Rechtbank van 25 september 2008 bij wijze van het buitengewone rechtsmiddel van Nadzor (supervisory review).

3.2 Bij eindbeschikking van 14 januari 2008 heeft de rechtbank het verzoek van Gavrilov dat, kort gezegd, ertoe strekte Gavrilov, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, op de voet van artikel 1075 Rv verlof te verlenen de onder 3.1.3 genoemde scheidsrechterlijke uitspraak van de International Commercial Arbitration Court van 5 juli 2005 ten laste van Northern Linen in Nederland ten uitvoer te leggen, met rente en kosten, afgewezen.

4. De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 Grief I in het principaal hoger beroep richt zich tegen rechtsoverweging 1.9 van de eindbeschikking, waarin de rechtbank, in verband met de beoordeling van de geldigheid van Amendment 1-A, onder verwijzing naar HR 28 januari 2005, LJN AR 3645, NJ 2006, 469 (Lizardi), heeft geoordeeld dat Gavrilov ten opzichte van Northern Linen geen beroep toekomt op de mogelijk uit het Russische recht voortvloeiende bevoegdheidsbeperkingen van de (toenmalig) commercieel directeur van Gavrilov [A], nu Northern Linen die bevoegdheidsbeperkingen kende noch behoefde te kennen. Grief II in het principaal hoger beroep richt zich op het oordeel van de rechtbank dat van de geldigheid van Addendum 1-A moet worden uitgegaan. De grieven III en IV in het principaal hoger beroep keren zich tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 1.12 van de eindbeschikking, dat de in Amendment 1-A neergelegde ‘triangle agreement’ weliswaar naar Russisch recht nietig is, maar dat dit niet geldt voor de daarin eveneens opgenomen rechtskeuze- en forumkeuzeclausule. Bovendien, zo stelt Gavrilov verder, volgt uit de Russische tekst van Amendment 1-A, die ingevolge artikel 10 van de hoofdovereenkomst leidend is, dat artikel 8 van Amendment 1-A uitsluitend een forumkeuzeclausule bevat en niet ook een rechtskeuzebeding.

Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben immers alle betrekking op de vraag of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat Northern Linen in het ingevolge artikel V van het Verdrag van New York 1958 op haar rustende bewijs is geslaagd dat de arbitrageclausule waaraan de International Commercial Arbitration Court zijn bevoegdheid tot arbitrage heeft ontleend, niet geldig is krachtens het recht waaraan partijen haar hebben onderworpen, of – indien elke aanwijzing hieromtrent ontbreekt – krachtens het recht van het land waar de uitspraak werd gewezen, nu de artikelen 8 en 9 van Amendment 1-A die arbitrageclausule terzijde hebben gesteld, zodat artikel V lid 1 en onder a) van het Verdrag van New York 1958 meebrengt dat erkenning en tenuitvoerlegging van de door de International Commercial Arbitration Court gewezen scheidsrechterlijke uitspraak moet worden geweigerd.

4.2 Bij de beoordeling van de grieven wordt het volgende voorop gesteld.

Artikel 9 van de hoofdovereenkomst bevat een forumkeuzebeding en een rechtskeuzebeding. In het forumkeuzebeding (hierna ook: de arbitrageclausule) hebben partijen gekozen voor arbitrage door de International Commercial Arbitration Court van de Russische Chamber of Commerce. Tussen partijen is verder niet in geschil dat het rechtskeuzebeding dat in artikel 9 is opgenomen, meebrengt dat de geldigheid van de hoofdovereenkomst – en dus ook van de daarvan deel uitmakende arbitrageclausule – moet worden beoordeeld naar Russisch recht.

Naar voorts volgt uit de scheidsrechterlijke uitspraak, heeft de International Commercial Arbitration Court, nu zij aan de arbitrageclausule haar bevoegdheid heeft ontleend, deze clausule kennelijk naar Russisch recht geldig geacht. Ook het hof zal hiervan in beginsel uitgaan.

Ten slotte wordt voorop gesteld dat aan Gavrilov – gelet op het in deze zaak toepasselijke artikel V van het Verdrag over de erkenning en tenuitvoerlegging van buitenlandse scheidsrechterlijke uitspraken, tot stand gekomen te New York op 10 juni 1958, Trb. 1959/58 (hierna: het Verdrag van New York 1958), waarbij zowel Nederland als de Russische Federatie partij zijn – in beginsel verlof zal worden verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de scheidsrechterlijke uitspraak ten laste van Northern Linen, tenzij Northern Linen het bewijs levert van een van de weigeringsgronden als vermeld van de letters a) tot en met e) van het eerste lid van genoemde verdragsbepaling, in welk laatste geval de erkenning en tenuitvoerlegging moet worden geweigerd.

4.3 Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of Amendment 1-A aan de geldigheid van de arbitrageclausule in artikel 9 van de hoofdovereenkomst kan afdoen.

Gavrilov heeft zich, ter adstructie van haar stelling dat de hoofdovereenkomst wel rechtsgeldig is totstandgekomen, in haar pleitnota in hoger beroep onder 26 en 27 uitdrukkelijk beroepen op de door haar tijdens de mondelinge behandeling overgelegde uitspraak van de Arbitrazh Rechtbank van 13 maart 2008 en daarbij verwezen naar de hiervoor onder 3.1.6 – in de beëdigde Nederlandse vertaling – weergegeven passages uit deze uitspraak. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft ook Northern Linen een kopie van deze uitspraak in het geding gebracht, met daarbij gevoegd een Engelse vertaling die inhoudelijk niet afwijkt van de door Gavrilov overgelegde Nederlandse vertaling. Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat ook Northern Linen toen van de inhoud van deze uitspraak op de hoogte was. Northern Linen, op wie de stelplicht en de bewijslast rust van haar stelling dat Amendment 1-A afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de arbitrageclausule, is tijdens de mondelinge behandeling niet ingegaan op de hiervoor vermelde stellingen van Gavrilov en heeft evenmin naar voren gebracht dat zij niet in staat was hierop adequaat te reageren.

Naar het oordeel van het hof volgt uit de motivering van de uitspraak van de Arbitrazh Rechtbank, en in het bijzonder uit de onder 3.1.6 geciteerde passages daarvan, dat de Arbitrazh Rechtbank, met inachtneming van artikel 9 van de hoofdovereenkomst, naar Russisch recht heeft beoordeeld of de arbitrageclausule geldig is en dat zij bij dit oordeel uitdrukkelijk de vraag heeft betrokken of Amendment 1-A naar Russisch recht aan die geldigheid zou kunnen afdoen, welke vraag zij vervolgens ontkennend heeft beantwoord. Nu Northern Linen geen argumenten naar voren heeft gebracht die tot een ander oordeel zouden moeten leiden, zal ook het hof ervan uitgaan dat Amendment 1-A aan de rechtsgeldigheid van de hoofdovereenkomst niet in de weg staat.

De slotsom is dan ook dat Northern Linen niet heeft weten te bewijzen dat de arbitrageclausule niet geldig is krachtens het recht waaraan partijen haar hebben onderworpen, of – indien elke aanwijzing hieromtrent ontbreekt – krachtens het recht van het land waar de uitspraak werd gewezen.

4.4 Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.3 is overwogen, slagen de grieven in het principaal hoger beroep.

Dit betekent dat, gelet op de devolutieve werking van het hoger beroep, moet worden ingegaan op de overige stellingen en verweren van partijen.

4.5 Northern Linen heeft in haar verweerschrift in eerste aanleg (pagina 2, laatste alinea), tot haar verweer aangevoerd dat de International Commercial Arbitration Court niet bevoegd was om van zaak kennis te nemen, nu [B], de werknemer van Northern Linen die de hoofdovereenkomst heeft getekend, niet tot ondertekening bevoegd was. Het hof zal dit verweer van Northern Linen opvatten als een beroep op artikel V lid 1 en onder a), eerste zinsnede, van het Verdrag van New York 1958, inhoudende dat een van partijen – in dit geval Northern Linen – krachtens het op hen toepasselijke recht onbekwaam was die overeenkomst aan te gaan.

Bij de beoordeling van dit verweer stelt het hof voorop dat uit genoemd artikel V volgt dat de stelplicht en bewijslast van het zich voordoen van een van de weigeringsgronden voor de erkenning en tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak op Northern Linen rust. Nu Northern Linen haar stelling dat [B], de werknemer van Northern Linen die de hoofdovereenkomst heeft getekend, niet tot ondertekening bevoegd zou zijn, in eerste aanleg noch in appel in het geheel niet concreet heeft toegelicht en zij in haar processtukken in hoger beroep daarentegen juist wèl uitgaat van de geldigheid van de hoofdovereenkomst, zal aan deze stelling, als onvoldoende concreet toegelicht, worden voorbijgegaan.

4.6 Verder heeft Northern Linen zich tot haar verweer nog beroepen op de weigeringsgrond van artikel V lid 1 en onder b) van het Verdrag van New York 1958. Zij heeft hiertoe gesteld dat zij nimmer een behoorlijke oproeping met een vertaling in de Nederlandse taal heeft ontvangen, hoewel de International Commercial Arbitration Court wist dat Northern Linen een vreemdeling was. Verder staat volgens haar niet in de scheidsrechterlijke uitspraak vermeld op welke wijze bij de oproeping aan het arbitragereglement is voldaan.

Naar het oordeel van het hof valt in artikel V lid 1 en onder b) van het Verdrag van New York 1958 in ieder geval niet te lezen dat het achterwege laten in de scheidsrechterlijke uitspraak van de vermelding op welke wijze bij de oproeping aan het arbitragereglement is voldaan, een grond oplevert om erkenning en tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak te weigeren, zodat het beroep van Northern Linen op genoemde bepaling in ieder geval in zoverre niet slaagt.

Met betrekking tot de stelling van Northern Linen dat zij niet behoorlijk is opgeroepen, nu zij nimmer een behoorlijke oproeping met een vertaling in de Nederlandse taal heeft ontvangen, wordt het volgende overwogen. Naar Gavrilov onweersproken heeft gesteld, wordt de procedure voor de International Commercial Arbitration Court ingevolge artikel 9 van de hoofdovereenkomst in de Russische taal gevoerd en is hierop Russisch recht van toepassing. Naar verder met Gavrilov moet worden aangenomen, is op de tijdens de procedure te gebruiken taal naar Russisch recht artikel 22 van de Wet op de internationale handelsarbitrage van 7 juli 1993 N 5338-1 van toepassing, welk artikel een letterlijke vertaling is van artikel 22 van de UNCITRAL Model Law on International Commercial Arbitration. Het eerste lid van laatstgenoemde bepaling luidt, voor zover van belang, als volgt: “The parties are free to agree on the language or languages to be used in the arbitral proceedings. […] This agreement or determination, unless otherwise specified therein, shall apply to any written statement by a party, any hearing and any award, decision or other communication by the arbitral tribunal.” Uit genoemd artikel 22 volgt dat, indien de procedure, zoals in het onderhavige geval, ingevolge een arbitrageclausule in de Russische taal wordt gevoerd, ook de oproepen in deze taal mogen worden verzonden, tenzij anders tussen partijen is overeengekomen, hetgeen echter niet is gesteld of gebleken. Aan het beroep van Northern Linen op artikel V lid 1 en onder b) van het Verdrag van New York 1958 zal dus ook in zoverre worden voorbijgegaan.

4.7 Northern Linen beroept zich verder op de weigeringsgrond voor de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken als vermeld in artikel V lid 1 en onder c) van het Verdrag van New York 1958. Northern Linen voert hiertoe aan dat de International Commercial Arbitration Court niet bevoegd was om van de zaak kennis te nemen, omdat de hoofdovereenkomst onlosmakelijk is verbonden met Amendment 1-A , waarin in artikel 8, naar volgt uit artikel 9 met opzijzetting van de eerder gemaakte afspraken, een forumkeuze is gedaan voor de rechtbank Arnhem en een rechtskeuze is gemaakt voor Nederlands recht.

Naar hiervoor onder 4.3 reeds is overwogen, kan Amendment 1-A niet afdoen aan de geldigheid van de arbitrageclausule in de hoofdovereenkomst, zodat om deze reden ook het beroep van Northern Linen op artikel V lid 1 en onder c) van het Verdrag van New York 1958 niet opgaat.

Dit alles betekent dat de grief in het incidenteel hoger beroep, die de klacht bevat dat de rechtbank in haar eindbeschikking geen oordeel heeft gegeven over het beroep van Northern Linen op de weigeringsgrond als bedoeld in artikel V lid 1 en onder c) van het Verdrag van New York 1958, faalt.

4.8 Voorts heeft Northern Linen nog een beroep gedaan op de weigeringsgrond voor de erkenning en tenuitvoerlegging van scheidsrechterlijke uitspraken als vermeld in artikel V lid 1 en onder e) van het Verdrag van New York 1958. Volgens haar is tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak niet mogelijk, nu tegen het arbitraal vonnis nog een hogere voorziening openstaat en de tenuitvoerlegging hierdoor is geschorst. Naar het hof begrijpt bedoelt Northern Linen hiermee te stellen dat de scheidsrechterlijke uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of dat haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen als bedoeld in genoemd artikel V lid 1 en onder e).

Ook dit verweer moet worden verworpen. Naar volgt uit de beide versies van het hiervoor onder 3.1.4 genoemde artikel 44 van het Reglement van de International Commercial Arbitration Court, zijn uitspraken van dit scheidsgerecht waarin geen uitdrukkelijke termijn voor tenuitvoerlegging is bepaald vatbaar voor onmiddellijke tenuitvoerlegging. Naar verder volgt uit artikel 9 van de hoofdovereenkomst, is een scheidsrechterlijke uitspraak van de International Commercial Arbitration Court voor beide partijen “final and binding”. De juistheid van een en ander is door Northern Linen niet bestreden en daaruit volgt dat Northern Linen niet heeft weten te bewijzen dat in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste voor weigering in artikel V lid 1 en onder e) van het Verdrag van New York 1958, dat de scheidsrechterlijke uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of dat haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen.

Weliswaar heeft Northern Linen geprobeerd tot vernietiging van de scheidsrechterlijke uitspraak te komen door de door haar ingestelde rechtsgang voor achtereenvolgens de Arbitrazh Rechtbank, de Federale Arbitrazh Rechtbank en de Supreme Arbitrazh Court of the Russian Federation, zoals hiervoor vermeld onder 3.1.6 tot en met 3.1.8, maar dat deze rechtsgang tot dusverre tot enig resultaat heeft geleid is gesteld noch gebleken. De enkele omstandigheid dat het hof nog geen gegevens heeft over de afloop van het door Northern Linen ingestelde buitengewone rechtsmiddel van Nadzor (supervisory review) voor de Supreme Court of the Russian Federation strekkende tot vernietiging van de onder 3.1.6 en 3.1.7 vermelde uitspraken van de Arbitrazh Rechtbank en van de federale Arbitrazh Rechtbank, brengt – zonder nadere toelichting, die Northern Linen echter niet heeft gegeven – nog niet mee dat moet worden geoordeeld dat de scheidsrechterlijke uitspraak nog niet bindend is geworden voor partijen of dat haar tenuitvoerlegging is geschorst door een bevoegde autoriteit van het land waar of krachtens welks recht die uitspraak werd gewezen.

4.9 Voor zover Northern Linen haar verweer doet steunen op de stelling dat zij niets aan Gavrilov is verschuldigd, nu zij door middel van de levering van vlas en garens via de in Amendment 1-A genoemde derde partij Lyontorg aan haar verplichtingen heeft voldaan, wordt dit verweer verworpen. Deze stelling, die ertoe strekt dat het hof de zaak opnieuw inhoudelijk zal onderzoeken, levert immers geen grond op waarop de erkenning en tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak ingevolge artikel V van het Verdrag van New York 1958 kan worden geweigerd.

Datzelfde geldt voor de stelling van Northern Linen dat Gavrilov de arbiters bewust onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd en dat de scheidsrechterlijke uitspraak hierdoor op bedrieglijke wijze tot stand is gekomen. Ook dit levert geen grond op waarop de erkenning en tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak ingevolge artikel V van het Verdrag van New York 1958 kan worden geweigerd.

4.10 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat Northern Linen niet erin is geslaagd te bewijzen dat een of meer van de weigeringsgronden als vermeld onder de letters a) tot en met e) van artikel V lid 1 van het Verdrag van New York 1958 zich in het onderhavige geval voordoet. Dit betekent dat het verzoek van Gavrilov om bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking, zonder de verplichting tot zekerheidstelling, verlof te verlenen de scheidsrechterlijke uitspraak van de International Commercial Arbitration Court van 5 juli 2005 ten laste van Northern Linen in Nederland ten uitvoer te leggen, zal worden toegewezen.

4.11 Gavrilov heeft verder verzocht Northern Linen te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf de dag waarop de scheidsrechterlijke uitspraak uitvoerbaar was tot aan de dag der algehele voldoening.

In het midden kan blijven of een verzoekschriftprocedure als de onderhavige zich wel leent voor het incasseren van bedragen aan wettelijke rente, nu dit verzoek reeds niet toewijsbaar is bij gebrek aan een deugdelijke toelichting en bij gebrek aan aanknopingspunten aan de hand waarvan (in het bijzonder) kan worden beoordeeld met ingang van welke dag de scheidsrechterlijke uitspraak uitvoerbaar was.

4.12 Gavrilov heeft voorts vergoeding verzocht van € 2.450,41 aan buitengerechtelijke incassokosten. Ook hier kan in het midden kan of een verzoekschriftprocedure als de onderhavige zich leent voor het invorderen van buitengerechtelijke incassokosten. Dit verzoek komt immers alleen al niet voor toewijzing in aanmerking, nu Gavrilov niet (voldoende gemotiveerd) heeft gesteld dat de door haar gevorderde kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan het uitbrengen van een enkele aanmaning, het doen van een enkel schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.13 Het bewijsaanbod van partijen zal worden gepasseerd.

In hoger beroep gaat het, gelet op de aangevoerde grieven, om de beantwoording van de (rechts)vragen of Northern Linen heeft kunnen bewijzen dat zich in het onderhavige geval een of meer van de gronden als bedoeld in artikel V lid 1 van het Verdrag van New York 1958 voordoet op grond waarvan erkenning en tenuitvoerlegging van de scheidsrechterlijke uitspraak moet worden geweigerd en, indien zij dit bewijs wel levert, wat de consequenties daarvan zijn en, mocht zij dit bewijs niet kunnen leveren, of en in hoeverre het verzoek van Gavrilov toewijsbaar is.

Voor de door partijen voorgestane beantwoording van die rechtsvragen hebben zij geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien zij zouden komen vast te staan, tot een andersluidende beantwoording kunnen leiden dan reeds volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, zodat aan hun bewijsaanbod zal worden voorbijgegaan.

5. Slotsom

5.1 De grieven in het principaal hoger beroep slagen en de grief in het incidenteel hoger beroep faalt, zodat de bestreden beschikking moet worden vernietigd. Het door Gavrilov verzochte verlof zal op na te melden wijze worden verleend. De verzochte betaling van wettelijke rente en van buitengerechtelijke incassokosten zal worden afgewezen.

5.2 Als de overwegend in het ongelijk gestelde partij zal Northern Linen in de kosten van beide instanties worden veroordeeld. De door Gavrilov gevorderde beslagkosten zijn evenwel niet toewijsbaar, nu zij niet heeft gesteld welk bedrag aan kosten hiermee waren gemoeid en zij bovendien geen stukken heeft overgelegd aan de hand waarvan op dit punt een beslissing kan worden gegeven.

6. De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

- vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank Arnhem van 14 januari 2008 en beschikt opnieuw:

- verleent Gavrilov verlof om, zonder de verplichting tot zekerheidstelling, de scheidsrechterlijke uitspraak van de International Commercial Arbitration Court of the Chamber of Commerce and Industry of the Russian Federation te Moskou van 5 juli 2006 ten laste van Northern Linen in Nederland ten uitvoer te leggen;

- verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

- veroordeelt Northern Linen in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Gavrilov:

wat betreft de eerste aanleg begroot op € 1.130,00 voor salaris van de procureur en op € 98,00 voor griffierecht, en

wat betreft het hoger beroep begroot op € 2.682,00 voor salaris van de procureur en op € 99,00 voor griffierecht;

- wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.M. Olthof, R.A. van der Pol en C.J. Laurentius-Kooter, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009.