Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK9968

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
03-11-2009
Datum publicatie
05-03-2010
Zaaknummer
104.000.173 en 104.001.304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

art. 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2010, 25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummers 104.000.173 en 104.001.304

(zaaknummers rechtbank 34971 en 49465)

arrest van de derde civiele kamer van 3 november 2009

in de zaken van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat: mr. J.W. Kobossen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon gemeente Haaksbergen,

zetelende te Haaksbergen,

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. W.A.J. Hagen.

1. Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

In beide zaken

1.1 Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 16 juni 2009. Ingevolge dat tussenarrest is een getuigenverhoor bepaald op 19 november 2009.

1.2 Bij memorie houdende incidentele vordering ex artikel 843a Rv heeft de gemeente, onder overlegging van een productie, een incidentele vordering ingesteld. Zij heeft daarbij geconcludeerd dat het hof bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

I. [appellant] op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) zal veroordelen om binnen vier weken na het door het hof in dit incident te wijzen arrest, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, een afschrift van de navolgende bescheiden te verstrekken aan de gemeente:

- feitelijke gegevens van de desbetreffende leverancier met betrekking tot

1. het waterverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

2. het gasverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

3. het electriciteitsverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

4. het waterverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

5. het gasverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

6. het electriciteitsverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

II. [appellant] zal veroordelen tot een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de vordering onder I te voldoen, zulks met een maximum van € 15.000,--, althans een door het hof in goede justitie te bepalen dwangsom;

subsidiair:

III. [appellant] op grond van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) juncto artikel 22 Rv zal veroordelen tot openlegging van de hiervoor onder I punt 1 tot en met 5 bedoelde gegevens, binnen vier weken na het door het hof in dit incident te wijzen arrest, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn;

IV. [appellant] zal veroordelen tot een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de vordering onder III te voldoen, zulks met een maximum van € 15.000,--, althans een door het hof in goede justitie te bepalen dwangsom;

meer subsidiair:

V. [appellant] zal bevelen om binnen twee weken na het door het hof in dit incident te wijzen arrest een ondertekende verklaring af te geven, inhoudende:

a) bekendmaking van de naam- en adresgegevens van de betreffende leveranciers voor respectievelijk gas, water en elektra op zowel het adres van de recreatiewoning aan de [adres] als op het adres [adres] te [plaats], en

b) dat [appellant] (ten aanzien van beide percelen) en [A] (ten aanzien van perceel [adres] te [plaats]) geen bezwaar hebben tegen verstrekking van de verbruiksgegevens over de jaren 1998, 1999 en 2000 van respectievelijk gas, water en elektra op beide percelen, en

c) dat [appellant] (ten aanzien van beide percelen) en [A] (ten aanzien van perceel [adres] te [plaats]) aan de gemeente volmacht geven voor het opvragen van de verbruiksgegevens over de jaren 1998, 1999 en 2000 van respectievelijk gas, water en elektra op beide percelen, bij de hiervoor onder a) bedoelde leveranciers;

VI. [appellant] zal veroordelen tot een dwangsom van € 500,-- voor iedere dag dat hij in gebreke blijft aan de vordering onder III te voldoen, zulks met een maximum van € 15.000,--, althans een door het hof in goede justitie te bepalen dwangsom;

zowel primair als subsidiair als meer subsidiair:

VII. [appellant] zal veroordelen in de kosten van dit incident.

1.3 Bij memorie van antwoord in het incident heeft [appellant] de vorderingen in het incident bestreden en geconcludeerd dat het hof die vorderingen zal afwijzen, met veroordeling van de gemeente in de kosten.

1.4 Vervolgens heeft het hof arrest in het incident bepaald op heden.

2. De motivering van de beslissing in het incident

In beide zaken

2.1 In de hoofdzaak is de gemeente toegelaten tot het leveren van nader bewijs van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [appellant] in de periode 14 april 1999 - 13 mei 1999 (in de zaak met zaaknummer 104.000.173) respectievelijk 4 mei 1999 - 13 september 1999 (in de zaak met zaaknummer 104.001.304) de permanente bewoning van zijn zomerhuis niet heeft gestaakt. De primaire incidentele vordering van de gemeente strekt tot afgifte door [appellant] van afschriften van bescheiden over het water-, gas- en electriciteitsverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats] (het adres van het zomerhuis) en het adres [adres] te [plaats] (het adres waar [appellant] volgens getuigenverklaringen met [A] is gaan samenwonen).

In - in ieder geval - de zaak met zaaknummer 104.000.173 heeft [appellant] in eerste aanleg (bij productie 2 onder 9 van zijn akte houdende producties van 18 oktober 2000) aangevoerd: “Uit de gegevens van het waterverbruik, het elektriciteitsgebruik, het telefoonverkeer, etc. wordt duidelijk dat [appellant] elders hoofdverblijf heeft en heeft gehad en dat het gebruik van de zomerwoning slechts als “recreatief” kan worden betiteld ondanks het feit dat zowel [appellant] als [plaats] dat gebruik op enig moment, (semi-) permanent hebben betiteld.”

2.2 Bij de beoordeling van de primaire incidentele vordering stelt het hof voorop dat artikel 843a Rv het recht op inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde bescheiden afhankelijk stelt van enkele in dat artikel uitdrukkelijk genoemde cumulatieve vereisten. Ingevolge lid 1 van genoemd artikel moet de eiser in het incident in elk geval een rechtmatig belang hebben bij de inzage, het afschrift of het uittreksel. Verder moet hij inzage, afschrift of een uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn.

2.3 Artikel 843a lid 4 Rv bepaalt dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet is gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijze kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

2.4 De gemeente stelt belang bij de afgifte van de bescheiden te hebben in verband met het door haar te leveren bewijs. Deze bescheiden kunnen volgens haar immers inzicht geven in de wijze waarop het zomerhuis en de woning waarin [appellant] volgens getuigenverklaringen met [A] is gaan samenwonen, in de (dwangsom)perioden, zijn gebruikt. Volgens de gemeente willen de betreffende instanties deze informatie, met een beroep op de Wet bescherming persoonsgegevens, niet aan haar verschaffen en verkeert zij daarom in bewijsnood.

2.5 Anders dan [appellant] - en met de gemeente - is het hof van oordeel dat de gemeente een rechtmatig belang heeft bij de gevorderde afgifte. De af te geven bescheiden kunnen immers mogelijkerwijs inzicht geven in de wijze waarop het zomerhuis (en in verband daarmee: de woning waarin [appellant] volgens getuigenverklaringen met [A] is gaan samenwonen) is gebruikt en kunnen aldus potentieel bijdragen aan bewijslevering door de gemeente.

2.6 De gevorderde afgifte betreft, anders dan [appellant] meent, voldoende bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarbij de gemeente partij is. Die rechtsbetrekking betreft de verhouding tussen de gemeente en [appellant] waarin aan de orde is, kort gezegd, of dwangsommen zijn verbeurd doordat [appellant] het zomerhuis in bepaalde perioden permanent heeft bewoond (een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad). De bescheiden, hiervoor onder 1.1 sub I onder 1, 2 en 3 genoemd, hebben betrekking op de bewoning van dat huis en betreffen dus juist genoemde rechtsbetrekking. De bescheiden, hiervoor onder 1.1 sub I onder 4, 5 en 6 genoemd, hebben betrekking op het adres waar [appellant] volgens getuigenverklaringen met [A] is gaan samenwonen. Volgens [appellant] gaan laatstgenoemde bescheiden [A] aan, die geen (proces)partij is, betreffen deze een periode waarin hij nog niet met haar samenwoonde en was hij geen rechthebbende op de woning op dat adres. Het hof begrijpt dit verweer aldus dat de bescheiden betreffende dat adres niet een rechtsbetrekking betreft waarbij de gemeente partij is en haar aldus niet aangaan. Hieraan gaat het hof voorbij, omdat het wonen van [appellant] op dat adres die rechtsbetrekking wèl raakt. Ook [appellant] is blijkens de hiervoor onder 2.1 geciteerde passage in eerste aanleg kennelijk er van uitgegaan dat energieverbruikgegevens van beide adressen relevant zijn voor de rechtsbetrekking van partijen. Met de gemeente oordeelt het hof dat bescheiden over 1998 en 2000 mogelijk inzicht kunnen geven in het gebruik van de woningen in het jaar 1999, in welk jaar [appellant] volgens getuigenverklaringen met [A] is gaan samenwonen. De bescheiden over die drie jaren gaan daarom de rechtsbetrekking waarbij de gemeente partij is, aan.

2.7 Over de redenen die [appellant] heeft aangevoerd tegen een verplichting tot verstrekking van de bescheiden overweegt het hof nog het volgende.

2.8 [appellant] stelt, kort gezegd, dat, gezien de aard van de procedure in de hoofdzaak (een verzet tegen een dwangbevel) en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, de gemeente misbruik van procesrecht maakt door in dit stadium van de procedure door middel van de incidentele vorderingen nog bewijs te willen leveren. Volgens [appellant], zo begrijpt het hof, had de gemeente reeds bij aanvang van die procedure, gezien de aard ervan en genoemde beginselen, over voldoende bewijsmiddelen moeten beschikken. Het hof oordeelt hierover als volgt.

2.9 De gemeente is bij tussenarrest van dit hof van 16 juni 2009 toegelaten tot het leveren van (nader) bewijs van haar stelling dat [appellant] in de perioden 14 april 1999 - 13 mei 1999 en 4 mei 1999 - 13 september 1999 de permanente bewoning van zijn zomerhuis niet heeft gestaakt. In dit licht bezien staat het de gemeente vrij om zich nader te beraden over haar bewijspositie en de nadere gegevens die zij voor het door haar nader te leveren bewijs nodig acht. Van misbruik van procesrecht om bewijsgegevens te vergaren op de voet van artikel 843a Rv is daarom geen sprake.

2.10 Overigens is, anders dan waarvan [appellant] (in zijn memorie van antwoord in het incident onder 9) kennelijk uitgaat, geen sprake van een omgekeerde bewijslast en brengt de incidentele vordering ook geen omgekeerde bewijslast mee. De bewijslast en daarmee het bewijsrisico van de door de gemeente gestelde overtredingen rusten immers nog steeds op de gemeente.

2.11 Naar aanleiding van [appellant]s betoog dat de bescheiden, hiervoor onder 1.1 sub I onder 4, 5 en 6 genoemd, gegevens van [A] betreffen, overweegt het hof dat [appellant] niet heeft gesteld dat hij over die bescheiden niet (via [A]) de beschikking heeft of kan krijgen. Overigens heeft [appellant] ook niet gesteld dat hij de bescheiden, hiervoor onder 1.1 sub I onder 1, 2 en 3 genoemd, niet tot zijn beschikking heeft of kan krijgen.

2.12 Al met al zijn geen gewichtige redenen gebleken die pleiten tegen gehoudenheid van [appellant] aan de vordering te voldoen, terwijl onvoldoende is gesteld voor de conclusie dat redelijkerwijze kan worden aangenomen dat een behoorlijke rechtsbedeling zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. De primaire incidentele vordering zal het hof dan ook toewijzen, evenwel met inachtneming van het volgende. Gelet op het bepaalde in artikel 843a lid 1 Rv zal het hof bepalen dat de kosten van de verstrekking door [appellant] voor de gemeente zijn. Het hof ziet aanleiding de termijn waarbinnen die verstrekking moet plaatsvinden te stellen op vier weken na heden. De gevorderde dwangsom zal het hof afwijzen.

2.13 De (meer) subsidiaire vorderingen behoeven geen bespreking meer. De beslissing over de proceskosten zal het hof aanhouden. Voor het overige zal het hof de vordering afwijzen.

3. De verdere motivering van de beslissing in de hoofdzaak

In beide zaken

3.1 In de hoofdzaak is een getuigenverhoor bepaald op 19 november 2009. Het hof zal de zaken verwijzen naar de zitting van die datum voor het houden van het getuigenverhoor.

3.2 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in beide zaken

in het incident:

veroordeelt [appellant] om binnen vier weken na heden, op kosten van de gemeente, een afschrift van de navolgende bescheiden te verstrekken aan de gemeente:

feitelijke gegevens van de desbetreffende leverancier met betrekking tot

1. het waterverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

2. het gasverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

3. het electriciteitsverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

4. het waterverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

5. het gasverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

6. het electriciteitsverbruik over de jaren 1998, 1999 en 2000 op het adres [adres] te [plaats];

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing over de proceskosten aan;

wijst de vordering voor het overige af;

in de hoofdzaak:

verwijst de zaken naar de zitting van 19 november 2009 voor het houden van het reeds bepaalde getuigenverhoor;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.A. Dozy, C.J. Laurentius-Kooter en B.J. Lenselink, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 november 2009.