Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK9643

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
28-07-2009
Datum publicatie
18-01-2010
Zaaknummer
200.009.764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Assurantietussenpersoon; bewijsopdracht aan cliënt; evaluatie bewijsmateriaal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF TE ARNHEM

Sector civiel recht

Zaaknummer 200.009.764

(zaaknummer rechtbank 149252/HA ZA 06-2207)

Arrest van de tweede civiele kamer van 28 juli 2009

inzake:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr W.A.J. Hagen,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

advocaat: mr H.A. Schenke.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het verloop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de door de rechtbank te Arnhem tussen de partijen op 31 januari 2007, 9 mei 2007 en 2 april 2008 uitgesproken vonnissen, waarvan fotocopieën aan dit arrest zijn gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

Bij exploit van 26 juni 2008 heeft [appellant] hoger beroep tegen het voornoemde eindvonnis van 2 april 2008 ingesteld en daarbij [geïntimeerde] doen dagvaarden om voor het hof te verschijnen.

Bij tussenarrest van 29 juli 2008 heeft het hof een comparitie van partijen bepaald, doch die comparitie heeft op verzoek van de partijen niet plaatsgevonden.

Nadat de zaak naar de rol was verwezen, heeft [appellant] bij memorie van grieven drie grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd en toegelicht en geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de in eerste aanleg ingediende vordering van [appellant] alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de beide instanties.

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord de stellingen van [appellant] bestreden, één nieuwe productie overgelegd en geconcludeerd dat het hof het hoger beroep van [appellant] zal afwijzen, [appellant] zijn vorderingen als ongegrond en onbewezen zal ontzeggen en het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het appel.

Ten slotte hebben de partijen voor het wijzen van arrest de processtukken van de beide instanties aan het hof overgelegd.

3 De grieven

[appellant] heeft - zakelijk weergegeven - de volgende grieven aangevoerd.

1. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het gezamenlijk opstellen van de als bewijsmiddel in het geding gebrachte verklaring en de omstandigheid dat [appellant] en [A] beiden hun verklaring in tweede instantie op hetzelfde belangrijke punt - namelijk tegen wie zou zijn gezegd dat de auto op naam van [A] stond - veranderen, twijfel oproept over de mate waarin de verklaring van [A] als een onafhankelijk bewijsmiddel kan worden gewaardeerd. Daarbij komt dat de inconsequenties over aan wie is verteld dat de Mercedes op naam van [A] stond ([geïntimeerde] of [B]) ook op zichzelf afbreuk doen aan de waarde van de getuigenverklaringen.

2. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen: Een en ander brengt met zich dat na afweging van de bewijsmiddelen niet met voldoende zakerheid kan worden vastgesteld dat [appellant] bij het aanvragen van de verzekering heeft medegedeeld dat de Mercedes niet op zijn naam stond en dat [appellant] dus niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd.

3. Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen: De stelling van [appellant] dat ook al vóór het verzekeren van de Mercedes met medeweten en tussenkomst van [geïntimeerde] op zijn naam auto's zijn verzekerd waarvan het kenteken op naam van [A] stond wordt - gelet op de betwisting van [geïntimeerde] - onvoldoende met bewijsmiddelen ondersteund.

4 De feiten

De door de rechtbank in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van haar tussenvonnis van 9 mei 2007 als vaststaand aangenomen feiten staan ook in hoger beroep vast, nu deze vaststelling in hoger beroep niet is bestreden.

5 De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 [appellant] heeft door bemiddeling van [geïntimeerde] bij N.V. Verzekeringmaatschappij Woudsend een auto (van het merk Mercedes met kenteken [[...]]) verzekerd (met als dekking WAM en mini-casco). Het kenteken van die auto stond op naam van [A]. In 2003 is de auto gestolen en heeft [appellant] die diefstal bij Woudsend gemeld. Woudsend heeft geweigerd aan [appellant] schadevergoeding voor die diefstal te betalen, omdat haar niet was medegedeeld dat het kenteken van de auto niet op naam van [appellant] was gesteld.

5.2 [appellant] heeft als grondslag van zijn vordering gesteld dat [geïntimeerde] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen als tussenpersoon, omdat hij niet aan Woudsend heeft doorgegeven dat het kenteken van de auto niet op naam van [appellant], maar op naam van [A] stond.

[geïntimeerde] heeft zich verweerd met de stelling dat aan hem niet is medegedeeld dat de auto op naam van [A] stond.

5.3 De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 9 mei 2007 [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij [geïntimeerde] bij het aanvragen van de verzekering heeft medegedeeld dat de Mercedes niet op zijn naam stond. De grieven hebben de strekking te betogen dat [appellant] in deze bewijsopdracht is geslaagd en zullen gezamenlijk worden behandeld.

5.4 [appellant] heeft door de rechtbank zichzelf en [A] (een kennis van [appellant]) als getuigen doen horen. Op verzoek van [geïntimeerde] zijn hijzelf en [B] (tot 1 december 2002 werkzaam bij [geïntimeerde]) als getuigen gehoord.

Deze getuigen hebben verklaard zoals is weergegeven in het eindvonnis.

5.5 Enerzijds hebben [A] en [appellant] als getuigen verklaard dat door hen aan [B] is medegedeeld dat de auto op naam van [A] stond. Deze verklaringen wijken af van de eerdere schriftelijke verklaring van [A] (in het geding gebracht bij de inleidende dagvaarding) dat de onderhavige mededeling tot [geïntimeerde] zelf was gericht (volgens [appellant] heeft hij - [appellant] - die schriftelijke verklaring van [A] opgesteld en zich daarbij aanvankelijk vergist en gedacht dat de mededeling aan [geïntimeerde] zelf was gedaan).

Anderzijds volgt uit de verklaring van [geïntimeerde] als getuige dat vóór de diefstal van de auto bij hem niet bekend was dat enige auto van [appellant] op naam van [A] was gesteld, dat hem dat ook niet was medegedeeld en dat na de diefstal [B] hem desgevraagd heeft medegedeeld dat ook hem daarvan niets bekend was. Uit de verklaring van de getuige [B] blijkt dat ook hem niet bekend was dat [appellant] auto's had verzekerd die niet op zijn naam waren gesteld.

5.6 Met enerzijds de verklaring van [A], aangevuld met die van [appellant] als partij-getuige, en daartegenover de andersluidende verklaringen van [geïntimeerde] en [B] is het hof niet voldoende ervan overtuigd dat bij het aanvragen van de verzekering aan [geïntimeerde] is medegedeeld dat - anders dan in de door [appellant] ondertekende schriftelijke verklaring voor het aangaan van de verzekeringsovereenkomst is vermeld het kenteken van de auto niet op naam van [appellant] stond.

Door de andersluidende verklaringen van [geïntimeerde] en [B] heeft het hof twijfel over de juistheid van de verklaringen van [appellant] en [A], ook indien moet worden aangenomen dat de schriftelijke verklaring van [A] omtrent de persoon aan wie de litigieuze mededeling is gedaan, op een vergissing berust zoals door [appellant] is aangegeven.

5.7 Het feit dat met betrekking tot andere auto's wel door [appellant] aan [geïntimeerde] kenbaar is gemaakt dat het kenteken op naam van [A] stond, leidt niet tot een ander oordeel, nu dit niet medebrengt dat deze mededeling ook bij het aanvragen van de onderhavige verzekering is gedaan. Ook indien [appellant] eerder een auto (Ford Transit) waarvan het kenteken op naam van een ander stond, door bemiddeling van [geïntimeerde] heeft verzekerd, brengt dit niet zonder meer mede dat ook voor de onderhavige auto is medegedeeld of [geïntimeerde] anderszins duidelijk had moeten zijn dat het kenteken op naam van een ander dan [appellant] stond.

De door [appellant] genoemde brieven van [geïntimeerde] van 5 november 2003 en 25 maart 2004, welke [geïntimeerde] kennelijk ten behoeve van [appellant] heeft geschreven, leiden evenmin tot een ander oordeel. In de brief van 5 november 2003 heeft [geïntimeerde] - kennelijk aan Woudsend niet meer verklaard dan dat [appellant] inmiddels heeft gezegd dat destijds duidelijk is aangegeven dat de auto op naam van [A] stond. Die verklaring houdt niet in dat [appellant] een dergelijke mededeling ook aan [geïntimeerde] heeft gedaan. In de brief van 25 maart 2004 van [geïntimeerde] aan de ombudsman verzekeringen heeft [geïntimeerde] niet meer verklaard dan dat het kenteken van de auto op naam van [A] stond. Dit laatste is een vaststaand feit, maar zegt niets over de litigieuze mededeling aan [geïntimeerde] bij het aanvragen van de verzekering.

5.8 Op grond van het hiervoor overwogene is het hof - met de rechtbank - van oordeel dat het probandum niet is bewezen en dat niet is komen vast te staan dat bij het aanvragen van de verzekering aan [geïntimeerde] is medegedeeld - of [geïntimeerde] anderszins duidelijk had moeten zijn - dat het kenteken van de auto op naam van een ander dan [appellant] stond, zodat de grieven falen.

Slotsom

5.9 Nu de grieven falen, moet het bestreden vonnis worden bekrachtigd.

5.10 Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

1. bekrachtigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de rechtbank te Arnhem van 2 april 2008;

2. veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak bepaald op € 894,-- aan salaris van de advocaat en op € 409,-- aan verschotten.

Dit arrest is gewezen door mrs H. van Loo, J.G.J. Rinkes en Th.C.M. Willemse en in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 28 juli 2009.