Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARN:2009:BK9398

Instantie
Gerechtshof Arnhem
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
15-01-2010
Zaaknummer
200.014.812
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BW 7:312 en 7:363.

Indeplaatsstelling. Bedrijfsmatige landbouw? Geen aanleiding om aan pachter op te dragen om aanvullende cijfers in het geding te brengen, omdat alles wijst op een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Pacht en landelijk gebied 2009/37

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM

Sector civiel recht

zaaknummer 200.014.812

(zaaknummer rechtbank 411226)

arrest van de pachtkamer van 17 november 2009

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

advocaat: mr. J.P. de Man.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 2 juli 2007, 19 december 2007 en 13 augustus 2008, die de pachtkamer van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg, tussen appellante in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [appellante]) als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie en geïntimeerde in het principaal beroep (hierna ook te noemen: [geïntimeerde]) als eiser in conventie en verweerder in reconventie heeft gewezen. Van genoemde vonnissen is een fotokopie aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in hoger beroep

2.1 [appellante] heeft bij exploot van 10 september 2008 aan [geïntimeerde] aangezegd van de genoemde vonnissen van 2 juli 2007, 19 december 2007 en 13 augustus 2008, zowel voor zover in conventie als in reconventie gewezen, in hoger beroep te komen, met dagvaarding van [geïntimeerde] voor dit hof.

2.2 Bij memorie van grieven heeft [appellante] zes grieven tegen de bestreden vonnissen aangevoerd en toegelicht, heeft zij de grondslag van haar eis in reconventie uitgebreid, heeft zij bewijs aangeboden en een aantal producties in het geding gebracht, en heeft zij geconcludeerd dat het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw recht doende, (het hof begrijpt:) [geïntimeerde] in zijn vordering in conventie alsnog niet-ontvankelijk zal verklaren, althans die vordering geheel af zal wijzen, en de vordering in reconventie van [appellante] alsnog onverkort zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties zowel in conventie als in reconventie gevallen.

2.3 Bij memorie van antwoord heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden, heeft hij bewijs aangeboden en aantal producties in het geding gebracht, en heeft hij geconcludeerd dat het hof [appellante] in haar hoger beroep niet-ontvankelijk zal verklaren, althans dit hoger beroep ongegrond zal verklaren en de bestreden vonnissen zowel in conventie als in reconventie zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten, zowel in eerste aanleg (in conventie en in reconventie) als in hoger beroep.

2.4 Vervolgens hebben partijen ieder bij akte nieuwe producties overgelegd, eerst [geïntimeerde] en vervolgens [appellante].

2.5 Ter zitting van 21 september 2009 hebben partijen de zaak doen bepleiten, [appellante] door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en [geïntimeerde] door mr. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht. Mr. De Man voornoemd heeft voorafgaand aan de zitting aan [appellante] en het hof enkele producties gezonden. Desgevraagd heeft mr. Linssen voornoemd ter zitting meegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van die producties, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met het in het geding brengen van die producties zonder nadere maatregel door het hof. Vervolgens is aan mr. De Man voornoemd akte verleend van het in het geding brengen van die producties.

2.6 Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1 Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

3.2 Tussen partijen is een pachtovereenkomst van kracht met betrekking tot een perceel bouwland/weiland, gelegen te [plaats] aan de [straatnaam], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [sectieletter], [nummer], ter grootte van 2.04.95 ha. De lopende pachttermijn liep af op 28 februari 2009.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1 In dit geding heeft [geïntimeerde] in conventie de indeplaatsstelling van zijn zoon [zoon] (hierna: [de zoon van geïntimeerde]) gevorderd. In reconventie heeft [appellante] ontbinding van de pachtovereenkomst gevorderd, alsmede diverse voorzieningen in verband met volgens [appellante] met het gepachte samenhangende melkquotum. De pachtkamer in eerste aanleg heeft, na onder meer bewijslevering, de vordering in conventie toegewezen en de vorderingen in reconventie afgewezen. De proceskosten in conventie heeft de pachtkamer in eerste aanleg gecompenseerd en in reconventie heeft zij [appellante] in de proceskosten veroordeeld. De grieven van [appellante] richten zich zowel tegen de beslissing in conventie als tegen die in reconventie.

4.2 Tegelijk met de onderhavige rolprocedure is tussen partijen bij het hof een rekestprocedure aanhangig onder zaaknummer 200.015.609. Die procedure betreft de verlenging van de tussen partijen bestaande pachtovereenkomst.

4.3 Het hof zal de grieven zoveel mogelijk gezamenlijk bespreken.

4.4 Bij inleidende dagvaarding van 18 augustus 2006 heeft [geïntimeerde] onder meer het volgende gesteld:

“Het betreft een pachtovereenkomst die reeds zeer lang bestaat, reeds van voor de Tweede Wereldoorlog. De oorspronkelijke pachter was de vader van eiser, die het perceel heeft gepacht van de vader of wellicht van de grootvader van gedaagde.”

Van deze stellingen is [geïntimeerde] bij akte tot rectificatie van 4 oktober 2006 gemotiveerd teruggekomen. Volgens de nadere stellingen van [geïntimeerde] is de onderhavige pachtovereenkomst eerst op 1 maart 1991 ingegaan. Tussen zijn vader en de vader van [appellante] zouden volgens [geïntimeerde] eerder mondelinge pachtovereenkomsten hebben bestaan, maar die overeenkomsten zouden in of omstreeks 1972 zijn geëindigd.

4.5 [appellante] neemt het standpunt in dat [geïntimeerde] niet van zijn bij de inleidende dagvaarding betrokken stellingen mocht terugkomen. Volgens [appellante] is sprake van een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. In zoverre falen de grieven. Volgens genoemd artikel 154 is een gerechtelijke erkentenis het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. Reeds omdat [geïntimeerde] met zijn inleidende dagvaarding geen stelling(en) van [appellante] erkende, kan van een gerechtelijke erkentenis geen sprake zijn.

4.6 [appellante] heeft te bewijzen aangeboden dat de akte tot rectificatie ingegeven is geweest door de vrees dat de eerder ingenomen stelling het einde van de pachtovereenkomst en een schadevergoedingsverplichting met zich zou brengen. Dit bewijsaanbod betreft geen voor de beslissing van de zaak relevante feiten. Ook indien bedoelde vrees inderdaad de aanleiding voor de akte tot rectificatie is geweest, betekent dit niet dat het [geïntimeerde] niet vrijstond zijn eerdere standpunt te corrigeren.

4.7 De pachtkamer in eerste aanleg heeft haar waardering van het bewijs omtrent de ingangsdatum van de pachtovereenkomst uitvoerig gemotiveerd. Het hof verenigt zich met die motivering en maakt die tot de zijne. Voor zover in de bewijsmiddelen aanwijzingen besloten liggen voor het standpunt van [appellante] dat sprake is van een doorlopende pachtverhouding van voor het referentiejaar 1983 en dat dus met het gepachte melkquotum samenhangt, staan daar voldoende andere bewijsmiddelen tegenover, die wijzen op een nieuwe pachtverhouding vanaf 1 maart 1991. In dit verband is van belang dat het [appellante] is, die op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de bewijslast draagt. Ook in zoverre falen derhalve de grieven.

4.8 Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat haar vordering ook zonder een doorlopende pachtverhouding toewijsbaar is, heeft zij haar standpunt niet begrijpelijk toegelicht. De enkele omstandigheid dat [geïntimeerde] in het referentiejaar 1983 grond van de vader van [appellante] in gebruik had, is onvoldoende om te kunnen oordelen dat met de huidige pachtovereenkomst melkquotum is gaan samenhangen.

4.9 Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat [geïntimeerde] geen landbouwbedrijf uitoefent omdat hij een manegebedrijf zou hebben of een paardenpension, geldt daarvoor het volgende.

4.10 In de rekestprocedure met zaaknummer 200.015.609 heeft een plaatsopneming plaatsgevonden. Ingevolge met partijen gemaakte afspraken hebben partijen ieder het proces-verbaal van die plaatsopneming bij akte in het geding gebracht, met de mededeling dat de inhoud ervan gebruikt kan worden in de onderhavige zaak. Het hof zal derhalve mede acht slaan op hetgeen het bij gelegenheid van bedoelde plaatsopneming heeft waargenomen. Die waarnemingen wijzen niet op een manegebedrijf of paardenpension, maar integendeel – in overeenstemming met het standpunt van [geïntimeerde] – op een fokkerijbedrijf. De omstandigheid dat [geïntimeerde] zelf over niet meer dan vier fokmerries beschikt en de overige fokmerries eigendom van derden zijn, staat daaraan niet in de weg. [geïntimeerde] heeft toegelicht dat hij op basis van afspraken met de eigenaren van deze overige fokmerries, mede-eigenaar wordt van de veulens die op zijn bedrijf worden geboren. [appellante] heeft dat niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist.

4.11 [appellante] heeft voorts in twijfel getrokken of sprake is van een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte. Anders dan [appellante] aanvoert, bestaat geen aanleiding om aan [geïntimeerde] op te dragen om aanvullende cijfers in het geding te brengen, omdat alles wijst op een bedrijfsmatige exploitatie van het gepachte. [geïntimeerde] noch zijn zoon hebben een hoofdfunctie buiten de landbouw. Het fokkerijbedrijf is min of meer kleinschalig van opzet, maar gelet op hetgeen het hof bij de plaatsopneming heeft waargenomen, wordt door [geïntimeerde] voldoende in het bedrijf geïnvesteerd om te kunnen voldoen aan de eisen die een moderne bedrijfsvoering redelijkerwijs stelt. De resultaten van de onderneming steken niet ongunstig af ten opzichte van hetgeen overigens in de bedrijfsmatige landbouw gebruikelijk is. Het bedrijf is met het gebruik van meer dan twintig hectare grond ook voldoende van omvang voor de gekozen bedrijfsopzet.

4.12 Gelet op de door [geïntimeerde] overgelegde diploma’s van [de zoon van geïntimeerde], namelijk van lager agrarisch onderwijs en van kandidaat-instructeur (Stichting Opleiding Ruiter Unie Nederland), is het standpunt van [appellante] dat [de zoon van geïntimeerde] onvoldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering, onvoldoende gemotiveerd. Voor zover [appellante] zich op het standpunt stelt dat het weiden van paarden op het gepachte funest is voor de bodemgesteldheid van het perceel, dient ook in zoverre haar standpunt te worden verworpen. Door [geïntimeerde] is toegelicht dat de paarden grotendeels op stal worden gehouden en dat het grasland goed wordt onderhouden en bemest. Hetgeen het hof ter gelegenheid van de plaatsopneming heeft waargenomen, is daarmee in overeenstemming.

4.13 [appellante] verwijt [geïntimeerde] dat hij zonder haar toestemming het gepachte gebruikt in strijd met de bij de pachtovereenkomst daaraan gegeven bestemming. In dit verband heeft [appellante] gewezen op de tweede volzin van artikel 12 van de pachtovereenkomst, volgens welke de pachter het grasland niet uitsluitend met paarden mag beweiden. [geïntimeerde] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de pachter niet verplicht is om met andere dieren dan paarden het gepachte te beweiden en dat het voldoende is dat het grasland regelmatig wordt gemaaid en ook overigens behoorlijk onderhouden.

4.14 Het hof oordeelt als volgt. Bij de uitleg van bedoeld artikel 12 komt het aan op hetgeen partijen over en weer redelijkerwijs hebben mogen begrijpen. [geïntimeerde] heeft de pachtovereenkomst redelijkerwijs zo mogen begrijpen dat de verpachter bezwaar had tegen intensieve beweiding met paarden en heeft niet behoeven te begrijpen dat de strekking van de bepaling was dat het hem niet was toegelaten om zijn bedrijf om te schakelen naar een paardenfokkerij. Steun voor deze uitleg biedt mede de houding die [appellante] eerder heeft ingenomen. Volgens de onbetwiste stellingen van [geïntimeerde] was [appellante] er vanaf 1994 van op de hoogte dat [geïntimeerde] de koeien had weggedaan en alleen nog paarden hield (als assurantiebemiddelaar had de echtgenoot van [appellante] paarden van [geïntimeerde] in zijn verzekeringsportefeuille) en heeft zij daartegen toen geen bezwaar gemaakt.

4.15 Ook in het kader van een afweging van de belangen van partijen bestaat geen aanleiding om de vordering tot indeplaatsstelling van [de zoon van geïntimeerde] af te wijzen.

4.16 Anders dan [appellante] ten slotte nog aanvoert, bestaat geen aanleiding om ervan uit te gaan dat [geïntimeerde] de zeggenschap van het gepachte aan [de zoon van geïntimeerde] heeft afgestaan. Volgens [geïntimeerde] is nooit sprake geweest van een schriftelijke maatschapsovereenkomst en is [geïntimeerde] zich er steeds bewust van geweest dat hij pachter was en heeft hij zich ook daarnaar gedragen. [appellante] heeft geen (voldoende concrete) aanwijzingen gesteld waaruit het tegendeel kan worden afgeleid.

4.17 [geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd tot veroordeling van [appellante] in de proceskosten “zowel in eerste aanleg (in conventie en in reconventie) als in hoger beroep”. Bij gelegenheid van de pleidooizitting heeft de advocaat van [geïntimeerde] verhelderd dat sprake is van een (verkapte) grief en dus van een incidenteel beroep. Het hof heeft de advocaat van [appellante] met zoveel woorden uitgenodigd om op deze uitleg van de memorie van antwoord in te gaan. Deze advocaat heeft daarop laten weten dat hij over de in incidenteel beroep aan de orde gestelde proceskosten “niets nader wil opmerken”, waaruit het hof afleidt dat hij tegen bedoelde uitleg van de memorie van antwoord geen bezwaar maakt. Het hof zal partijen in die uitleg volgen en leest in de memorie van antwoord dus een verkapte grief tegen de beslissing omtrent de proceskosten. Uit hetgeen het hof met betrekking tot de vordering in conventie heeft overwogen, volgt dat [appellante] moet worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij, ook wat betreft het geding in eerste aanleg. Het hof ziet geen grond voor compensatie van de proceskosten. Het hof zal in zoverre het vonnis van 13 augustus 2008 vernietigen, en opnieuw recht doende [appellante] veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie.

4.18 De slotsom is dat de door [appellante] opgeworpen grieven alle falen. Het hof passeert de door [appellante] gedane bewijsaanbiedingen omdat zij geen betrekking hebben op feiten of omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden kunnen leiden dan gegeven. De grief in het incidenteel beroep slaagt. Het hof zal de vonnissen van 2 juli 2007 en 19 december 2007 bekrachtigen. Het vonnis van 13 augustus 2008 zal worden vernietigd, maar uitsluitend wat betreft de kosten van het geding in conventie. Opnieuw recht doende zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het geding in eerste aanleg in conventie. Het hof zal [appellante] tevens veroordelen in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep.

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van 2 juli 2007 en 19 december 2007 van de pachtkamer van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg;

vernietigt het vonnis van de 13 augustus 2008 van de pachtkamer van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Tilburg, wat betreft de beslissing omtrent de proceskosten in conventie en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in conventie, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 71,32 voor explootkosten, op € 105,— voor vast recht en op € 1.500,— voor salaris gemachtigde;

bekrachtigt genoemd vonnis van 13 augustus 2008 voor het overige;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het principaal en het incidenteel beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] wat betreft het principaal beroep begroot op € 2.682,— voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 254,— voor griffierecht en wat betreft het incidenteel beroep begroot op € 447,—.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, Th.C.M. Willemse en J.K.B. van Daalen en de deskundige leden mr. ing. J.A. Jansens van Gellicum en ir. H.B.M. Duenk, en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 november 2009.